34

Handboek journalistiek grossiert in vooroordelen over minderheden

Studenten leerden sinds 2007 dat 'beste journalisten' nu eenmaal blank zijn ... Herziene versie uit 2014 slaat totaal andere toon aan

Op Twitter wordt met verontwaardiging gereageerd op passages uit het Basisboek Journalistiek uit 2007 dat op media-opleidingen wordt gebruikt. De bewuste passages staan stijf van de vooroordelen over journalisten afkomstig minderheidsgroepen. Het boek is overigens dit jaar herzien en de gewraakte passages zijn verdwenen.

Het Basisboek Journalistiek, geschreven door de veteranen Nico Kussendrager en Dick van der Lugt, wordt al meer dan twintig jaar gebruikt om journalisten in spé op te leiden. Het is een soort bijbel voor iedere student journalistiek. Op Twitter wordt al dagen kritiek geleverd op passages in het boek die over journalisten met een allochtone achtergrond handelen. Zo leren studenten dat ‘de beste mensen’ in veruit de meeste gevallen blanke journalisten zijn en dat journalisten van allochtone komaf de Nederlandse taal niet beheersen. 

Het uitblijven van allochtone collega’s op redacties is voor een deel het gevolg van personeelsbeleid en vacaturestops. Hoofdredacteuren speelden graag op zeker en nemen journalisten aan waarvan zij denken dat ‘dat de beste mensen zijn’. En dat waren in veruit de meeste gevallen blanke journalisten. Ook wordt gedacht – niet zelden onterecht – dat de taalbeheersing van allochtone journalisten minder is. Tijdens de productie hebben journalisten vaak geen tijd en geen zin een allochtone collega uit te leggen of het ‘het aanslag’ is of ‘de aanslag’. De drukpers en de uitzending wachten niet (….)

‘Het aanslag of de aanslag’. Volgens auteur Kussendrager komt het voorbeeld rechtstreeks uit de praktijk omdat hij het tijdens een openbaar debat optekende uit de mond van de hoofdredacteur van een grote landelijke krant. Wie dat was wil hij niet zeggen. “De zaal moest er hard om lachen.” Het voorbeeldwoord was niet toevallig gekozen. Abdellah Dami legde deze week nog uit op Joop hoe bizar en shockerend het is om als journalist met een Marokkaanse achtergrond door collega’s automatisch geassocieerd te worden met terreur. Kussendrager stelt dat hij zeker geen kwade bedoelingen heeft gehad met de uit 2007 stammende tekst. “Integendeel, ik heb mij altijd ingezet voor de werving van allochtonen journalisten,” verklaart hij tegenover Joop. 

Inmiddels is hij van mening dat het wellicht verstandiger is om autochtone studenten beter voor te lichten over de verschillen en de multiculturele samenleving. Dat is ook het geval in de eerder dit jaar verschenen herziene versie van het boek. De passage over hetzelfde onderwerp heeft daar plots een geheel andere lading. Zo is de zinsnede “Ook wordt gedacht – niet zelden onterecht – dat de taalbeheersing van allochtone journalisten minder is” veranderd in “Een ander argument – beheersing van de Nederlandse taal – snijdt niet altijd hout. Ook bij autochtone studenten moet daar nog naarstig aan worden gewerkt.” Dat zijn vrijwel tegenovergestelde beweringen. “Tja, misschien is dat de tijdgeest, of ‘voortschrijdend inzicht’ zoals ze dat wel noemen.”

Op Twitter wordt harde kritiek geleverd op het lesmateriaal dat van 2007 tot nu door duizenden studenten is gebruikt. Bijvoorbeeld omdat in de tekst staat dat allochtone journalisten veelal kinderen zijn van analfabete ouders van wie de vader weinig verdiende en de moeder nauwelijks buiten de deur kwam.

 “Aan de andere kant: allochtone jongeren hebben relatief weinig belangstelling voor journalistiek. Veel van hen zijn kinderen van (analfabete) ouders van wie de man onder slechte omstandigheden en tegen laag loon heeft gewerkt en de moeder nauwelijks uit de deur kwam n geen Nederlands sprak. Hun kinderen willen hogerop en een beter betaalde baan en dan kies je niet voor journalistiek maar opleidingen als natuur en techniek of economie en management (…)

Filosoof Sander Verwer twitterde dat hij de betreffende passages schandalig vond en ontketende daarmee een discussie over de vraag hoe je journalisten moet opleiden. Niet zo, was de conclusie alom. De tekst leest als een stuk uit de negentiende eeuw, schreef iemand. Tenenkrommend, zeiden anderen. Niet gebaseerd op feiten, maar op de fantasie van de schrijver.

Tegelijk wijzen anderen erop dat de houding van sommige redactieleden wel degelijk overeenkomsten vertoont met wat in het basisboek staat. Zo staat er in het boek te lezen dat de ‘typisch Nederlandse humor’, zoals ‘wat voor onzin kraamt die imam van jullie nu weer uit’ niet altijd even goed valt bij “buitenlandse collega’s” (sic). Rondvraag bij collega-journalisten leert dat die aanhoudende associatie inderdaad staande praktijk is. “We maken die grappen omdat we denken heel progressief te zijn, maar ondertussen vraag ik me ook wel eens af of ze wel door de beugel kunnen”, zegt een van hen. Een allochtone journalist zegt dat ze inderdaad altijd dezelfde grapjes te horen krijgt: “Iemand denkt zelf misschien dat het leuk is, maar iedereen maakt steeds weer diezelfde grap. Dus ik krijg hem wel honderd keer te horen. Waar ligt de grens dan van wat toelaatbaar is?”

Op Twitter is vrijwel iedereen het erover eens dat het absurde passages zijn die niet thuishoren in een basisboek voor studenten journalistiek. Kussendrager is het daar volstrekt niet mee eens.

Ik sta nog steeds volledig achter die teksten. Er is ook nog nooit een klacht over geuit. De kritiek zegt meer over sociale media dan over het boek.

Beeld: Hieronder de passage uit het Basishandboek Journalistiek uit 2007 (via Sander Verwer), daaronder de herziene versie uit 2014 (via uitgeverij Noordhoff). Foto Nico Kussendrager, screenshot uit De toekomst van ontwikkelingssamenwerking. Foto vp: Shavar Ross.com

Bladzijde uit Basishandboek van 2007

Bladzijde uit Basishandboek van 2014

Geef een reactie

Laatste reacties (34)