184

Job Cohen: Liberalisering veroorzaakte democratisch tekort

Update 23:00 [Video] Cohen in Nova … Cohen geeft visie op ontstaan financiële crisis en de toekomst van Nederland … de publieke sector is geen vijand … overheid moet bij falen geprivatiseerde taken terughalen

In de Van der Wielen-lezing in Leeuwarden heeft PvdA-lijsttrekker Job Cohen gezegd dat hij vindt dat de overheid te veel aan de markt heeft overgelaten.


Dat meldt de website van de PvdA. Cohen sprak in dat kader van een ‘democratisch tekort’, omdat de overheid taken heeft afgestoten, zonder de organisatie van de publieke zeggenschap goed te regelen. Hij pleit daarom voor een zelfbewustere overheid en voor een fundamentele herijking op economisch terrein.

De Volkskrant: Job Cohen hamert opnieuw op verbinden

Hierbij de volledige tekst:

De financiële crisis voorbij: kansen voor onze samenleving 

Van der Wielen Lezing 2010 door Job Cohen, uitgesproken op vrijdag 26 maart 2010 In Leeuwarden.

Dames en heren,

Het is een groot genoegen om hier in Leeuwarden te zijn en een eer om de Van der Wielen Lezing 2010 te mogen uitspreken.
U hebt mij destijds als burgemeester van Amsterdam gevraagd om deze lezing te houden. Inmiddels ben ik geen burgemeester meer, maar beoogd lijsttrekker van de Partij van de Arbeid voor de komende Tweede- Kamerverkiezingen. Ik houd deze lezing met niet minder plezier, integendeel, ik vind het, zeker in deze hoedanigheid, bijzonder om deze lezing in dit jaar op deze plaats uit te mogen spreken. Wij herdenken immers dat 150 jaar geleden de Friese dichter en socialistische voorman Pieter Jelles Troelstra in deze stad is geboren. Zojuist is er een schitterende biografie over hem verschenen van Piet Hagen, Politicus uit hartstocht geheten, die Troelstra bijna tastbaar in de huiskamer brengt.

Troelstra was een van de belangrijke grondleggers van de socialistische beweging en zijn leiding heeft, zo stelt zijn biograaf vast, ‘een stempel gezet op de eerste dertig jaar van de Nederlandse sociaal- democratie. Zijn inspiratie en volharding hebben bijgedragen aan het succes van de arbeidersbeweging. Zijn grootste verdienste is misschien wel dat hij veel arbeiders perspectief heeft gegeven op een betere toekomst. Hij heeft niet alleen voor hun rechten gestreden, maar ze ook een plaats bezorgd in het politieke krachtenveld.’

In dit opzicht lijkt Troelstra op de mannen waaraan deze lezing zijn naam ontleent: Jarich en Hendrik van der Wielen. Beide mannen, die zich erg betrokken voelden bij het vaak schrijnende lot van de arbeiders in de fabrieken en de arme plattelandsbevolking van de Noordelijke provincies, waren voorstanders van onorthodoxe maatregelen om dit lot ten goede te keren. Het idee ontstond om een school op te richten waar mensen van diverse gezindten vrijelijk met elkaar konden discussiëren, ideeën uitwisselen en toekomstplannen smeden. De eerste Volkshogeschool van Nederland was hiervan uiteindelijk het gevolg.

Het is nu aan ons om nieuwe perspectieven te formuleren voor de sociale problemen van onze tijd, al zijn de tijden en omstandigheden ingrijpend veranderd.

Wat ik vanmiddag wil doen is u eerst terug voeren naar het ontstaan van de huidige financiële en economische crisis: wat waren de oorzaken? Vervolgens schets ik een overzicht hoe we er nu voor staan: niet alleen als gevolg van de crisis, maar ook als gevolg van andere ontwikkelingen die ons dwingen tot een maatschappelijke en economische herijking. Ingrijpende maatregelen zijn nodig om de economische welvaart, een duurzame ontwikkeling en inzet van innovatief vermogen in een op elkaar betrokken samenleving in onderlinge samenhang voor de toekomst op een positieve manier tegemoet te zien. De vraag is dan: wat is het leidende maatschappijbeeld daarbij? Naar mijn overtuiging is een fundamentele heroriëntatie en herijking nodig om ook op economisch terrein voldoende binding tot stand te brengen om sociale tweedeling en fragmentering tegen te gaan.
Wij moeten zoeken naar oplossingen die de economie verstevigen, het milieu verbeteren en de verbanden tussen mensen versterken.

Het ontstaan van de financiële crisis

Wat wij nu als de financiële crisis aanduiden, begon in 2006 toen in de Verenigde Staten de huizenprijzen begonnen te dalen en aan de oppervlakte kwam dat onverantwoorde risico’s waren genomen bij vele hypotheekverstrekkingen. Dat leek ver weg: een Amerikaans probleem, dat ons niet hoefde te raken. Maar in 2007 en de eerste helft van 2008 grijpt de crisis snel om zich heen. Dan blijkt dat die risicovolle Amerikaanse hypotheken op velerlei en onnavolgbare wijzen verpakt en opgedeeld, over de hele wereld zijn verhandeld en zich als een virus hebben verspreid over bijna alle grote banken in de wereld. Onaantastbaar geachte financiële instellingen komen in de problemen omdat zij op te grote schaal met te risicovolle producten en transacties bezig zijn geweest. De zwaarste klap komt in september 2008, als de Amerikaanse regering twee grote hypotheekinstellingen moet overnemen, en de gerenommeerde zakenbank Lehman Brothers omvalt.

Vanaf dan ontstaat een wereldwijde vertrouwenscrisis. Wat niemand daadwerkelijk voor mogelijk had gehouden, gebeurt. Banken gaan bijna onderuit en kunnen slechts dankzij miljarden injecties van hun nationale overheden en centrale banken worden gered. Binnen korte tijd slaat de financiële crisis over naar de reële economie. De crisis, veroorzaakt door een heel nieuw type bankiers, de snelle jongens op Wall Street, in Londen en andere financiële centra, is nu een crisis voor de gewone man in de straat.

Wat waren de achtergronden en oorzaken van deze sinds de oorlog ongekende financiële crisis? Het is belangrijk om een tandje dieper te graven om te zien welke ontwikkelingen hier aan ten grondslag lagen. Ik noem er vijf.

1. Cultuuromslag in de financiële en zakelijke sector

Om te beginnen heeft er zich in het midden van de jaren negentig een cultuuromslag voorgedaan in de wereld van de banken.

Daarvóór was een bank een tamelijk saaie onderneming, waarin langdurige relaties met bedrijven en individuele klanten centraal stonden, geen spectaculaire winsten werden geboekt en toch goede salarissen werden verdiend. De tijd van de grijze pakken. In het midden van de jaren negentig veranderde deze cultuur fundamenteel door de introductie van Angelsaksische bankiersmethoden. Snelle deals met grote fees, de opkomst van de dealmakers en risicobankiers, het steeds grotere belang dat aan de beurskoers werd gehecht, de invloed van de analisten, de bonussen, de risicovolle producten, het hoorde er allemaal opeens bij. De Raad van Bestuur raakte losser van de werkvloer en in de ban van de bonussen en de overnames. Het ‘familiegevoel’ verdween, het commitment van de medewerkers werd ondermijnd. Jeroen Smit beschrijft dat treffend in zijn boek over ANB AMRO, De Prooi, Arnoud Boot in De ontwortelde onderneming.

Deze cultuuromslag beperkte zich overigens niet tot de banken, maar vond ook in andere delen van het bedrijfsleven plaats. Overnemen werd belangrijker dan ondernemen. Voor veel bedrijven gold: als ze geen jager waren, werden ze prooi.

2. “Greed is good”

Deze cultuuromslag was, en dat is de tweede ontwikkeling waarop ik wil wijzen, onderdeel van een veel bredere mentaliteitswisseling, die misschien wel het beste is getypeerd door Gordon Gekko, de hoofdpersoon van Oliver Stone’s film Wallstreet uit 1987. “Greed is good”, hebzucht loont, is zijn motto:

‘I am not a destroyer of companies. I am a liberator of them! The point is, ladies and gentleman, that greed, for lack of a better word, is good. Greed is right, greed works. Greed clarifies, cuts through, and captures the essence of the evolutionary spirit. Greed, in all of its forms; greed for life, for money, for love, knowledge has marked the upward surge of mankind”.

Ter bevrediging van de hebzucht mochten er zelfs grote risico’s worden genomen – je was een held als je het wel en een sukkel als je het niet deed. De gematigdheid, ooit een deugd, legde het af tegen de ongeremde wens tot onmiddellijke behoeftebevrediging, tegen de hebberigheid – niet alleen bij banken, bij dealmakers en bij activistische aandeelhouders, want de cultuur van risico’s nemen is overal doorgesijpeld: in het internationale verkeer, in de pensioenfondsen en, niet te vergeten, in de individuele huishoudens.

3. Wereldwijde instabiliteit

De veranderingen in bedrijfscultuur en mentaliteit vonden plaats in een internationaal systeem dat structureel gekenmerkt wordt door gebrek aan stabiliteit. Dat komt allereerst door de zowel dominante als fragiele positie van de VS in de wereldeconomie. Wat begon met de dollarcrisis in de jaren zeventig liep uit op een ongekende schuldeneconomie van de Verenigde Staten, nationaal en internationaal, die uitsluitend in stand kan worden gehouden dankzij de ‘Bank van China’.

In de Verenigde Staten is de schuldenlast verbonden met de sterk toegenomen ongelijkheid in inkomen en vermogen, met een steeds rijker wordende bovenlaag en een wegzakkende positie van de middenklasse – een risico waar wij terdege beducht voor moeten zijn. Verruiming van kredietmogelijkheden werd in de Verenigde Staten een aflaat voor achterblijvende inkomensontwikkeling. Wat mensen niet meer verdienden moesten ze lenen om mee te kunnen blijven doen.

En ach, die huizen werden toch steeds meer waard, dus het kwam wel goed met die schulden. Niet dus.

4. Vergaande deregulering

Het gebrek aan stabiliteit werd veroorzaakt door een allesomvattende dominantie van de neo-liberale vrije markt ideologie die vergaande deregulering van markten voorstond. De financiële markten werden (ook bij ons) geliberaliseerd en gedereguleerd, zonder dat daar, zo bleek later, voldoende systemen van checks and balances tegenover kwamen te staan. De groei en dynamiek van de financiële markten werd extra gestimuleerd door de moderne communicatie- en informatietechnologie. De les van de crisis uit de jaren dertig, dat tegenwicht, regulering en ingrijpen van de overheid nodig is om ontsporing van de economie te voorkomen, lag te ver achter ons ten gunste van een vertrouwen op het zelfregulerende vermogen van de markt. De conclusie moet een en andermaal zijn dat zelfregulering onvoldoende is zodra systeemrisico’s in het spel zijn.

5. Onvoldoende toezicht

In de ontstane situatie van deregulering en met een groot geloof in de heilzame werking van zelfregulering bleek het toezicht op de risico’s die door financiële instellingen werden genomen onvoldoende. Het toezicht door de eigen Raad van Commissarissen was hier niet op toegesneden. Dat mag nu al geconcludeerd worden uit de verhoren van de Commissie De Wit. Het toezicht op de financiële sector bleek bovendien nationaal en internationaal versnipperd en ook op Europees niveau onvoldoende gecoördineerd. Zo is een situatie ontstaan waarin de winsten voor de bedrijven waren, de risico’s voor de staat; de lusten privaat, de lasten voor de belastingbetaler. Per saldo, zo moeten wij vaststellen, hebben samenleving, overheid en politiek veel te weinig tegenwicht geboden tegen de vrije ontwikkeling van het casino-bankieren.

De crisis van 2008 vormde de climax van onderliggende en structurele problemen in de variant van het financiële kapitalisme. Volgens beleidsmakers en economen kan een goed systeem een ongelukje opvangen.

Maar er is niet zomaar een ongelukje gebeurd: het systeem deugde niet meer. De erkenning dat het internationale financiële systeem, en – laten we dat vooral niet vergeten – de economische theorie die er aan ten grondslag ligt, niet deugt, is fundamenteel. Zonder die erkenning, zal het snel back to business zijn – met alle risico’s van dien.

Kortom:

De mentaliteit dat hebzucht loont, een cultuuromslag binnen bedrijven, wereldwijde instabiliteit, een structurele systeemfout door vergaande deregulering van financiële markten met onvoldoende en daardoor falend toezicht op de financiële markten hebben samen de huidige crisis veroorzaakt.

De positie van de financiële sector in de economie is veranderd van een dienende, faciliterende, naar een overheersende en, zoals wij gezien hebben, destabiliserende. Als geen ander heeft de financiële sector bovendien de macro-economie van het grote geld aan de micro-economie van het gewone geld verbonden.

Dat geldt niet alleen voor de relatie van banken tot bedrijven, maar ook voor gewone spaarders die hun geld na lang werken opzij gelegd hebben. Financiële risico’s zijn daarmee tot in de haarvaten van de maatschappij doorgedrongen.

In moreel, cultureel, politiek en economisch opzicht heeft de financiële factor andere belangen en gezichtspunten overwoekerd De ontwrichtende gevolgen van deze economische ontwikkelingen dringen door in een samenleving die toch al onder druk staat.

Waar staan we nu?

Er is iets mysterieus aan de hand met de huidige financiële crisis en haar nawerking in de samenleving. Voor velen gaat het leven gewoon door, alsof er niets aan de hand is. De rijen werklozen voor de stempellokalen, de gaatjes in de fietsplaatjes, de huisuitzettingen, de gaarkeukens en de werkverschaffingsprojecten – beelden die de crisis van de jaren dertig zo’n indringend aanzien gaven – ontbreken nu. Het is als een griep zonder koorts. Het gesprek over de gevolgen van de crisis ligt de meeste inwoners van Nederland niet voor op de tong.

Toch is ook in Nederland is de situatie ernstiger dan tot het bewustzijn lijkt te zijn doorgedrongen. We hebben te maken gehad met een negatieve groei van 4% in 2009 – minder dan in andere landen, maar toch. We hebben te maken met banken in een kwetsbare positie, met bedrijven die de deuren hebben moeten sluiten, of met weinig florissante vooruitzichten, met jongeren die niet aan het werk komen en met een groeiende beroepsgroep van zelfstandigen zonder personeel die stevige klappen hebben gekregen in orderportefeuilles en inkomen – dat betekent in alle gevallen inkomenverlies en veel meer dan een paar jaar geleden faillissementen met alle ontwrichtende gevolgen van dien.

Dat is de situatie van nu. Maar we weten dat de “aftershocks”, oftewel natrillingen van de financiële crisis er nog aan komen, zoals een indringende studie van de WRR beschrijft.Dan gaat het om toenemende werkloosheid, problemen in de pensioenvoorziening, politieke spanningen en – om te beginnen – met de overheidsfinanciën.

De overheid, die miljarden heeft gestoken in het stutten van de banken en de financiële sector, krijgt nu de rekening gepresenteerd door tegenvallende belastinginkomsten en een oplopend begrotingstekort en ziet zich inmiddels gesteld voor de vraag naar draconische bezuinigingen op de overheidsvoorzieningen. Waar kan worden gesneden? En wat zullen daarvan de gevolgen zijn? Die vragen zullen mede de inzet van de verkiezingen zijn. De 20 ambtelijke werkgroepen die de Heroverwegingsoperatie uitmaken rapporteren op 1 april 2010, de politieke partijen werken aan hun programma voor de komende jaren. Ook de Partij van de Arbeid, maar u begrijpt dat ik daarover in deze lezing nog niet kan uitweiden. Wat daarvan zij, burgers zullen geconfronteerd worden met de kosten van de crisis, want de overheid en de pensioenfondsen, dat zijn wij zelf, u en ik samen. Daarbij is de overheid op dit moment niet het veilige baken waarop burgers durven te koersen.

Het vertrouwen in de markt mag dan een schok hebben gekregen, staatsinterventies daarmee wat acceptabeler zijn geworden, daarmee is het vertrouwen in de overheid niet opeens – als een communicerend vat – omhoog geschoten.

De demografische context

De gevolgen van de economische crisis vallen samen met andere ontwikkelingen, die zelf al om een herijking van maatschappelijk en economisch gedrag vragen. Ik noem een aantal dat om bijzondere aandacht vraagt, juist ook bij het bepalen van het toekomperspectief dat ik voor mij zie.

Er voltrekken zich allereerst verreikende demografische ontwikkelingen. Tot 2030 stijgt de bevolking in Nederland met 1 miljoen – de totale bevolking zal dan 18 miljoen bedragen. Daarna zal de bevolking zich stabiliseren en op den duur gaan krimpen. Die groei is echter onevenwichtig verdeeld over het land. In de Randstad zal de bevolking volgens de prognoses toenemen en daarmee ook een toenemende vraag naar voorzieningen in dit gebied.

Andere delen van het land (in Limburg, Zeeland, en de Noordelijke provincies) krijgen met bevolkingskrimp te maken, waardoor de economische dynamiek en het voorzieningenniveau daar onder druk komen te staan. Bovendien worden we ouder. Dat is op zichzelf niet iets om somber van te worden; wel is er alle reden om realistisch te zijn over sommige gevolgen daarvan. Die moeten we onder ogen zien en daar moeten we onze maatschappij en economie op inrichten. Zo vindt er een forse verschuiving plaats in de verhouding tussen de actieve beroepsbevolking en diegenen die niet deelnemen aan de arbeidsmarkt. Was die verhouding in de jaren vijftig 7:1, nu is hij 4:1 en in de komende decennia zal die verschuiven naar 2:1. Kernvragen bij deze demografische ontwikkelingen zijn:

– Zijn er op den duur genoeg mensen om de economie draaiende te houden?

– Zijn er genoeg mensen om aan de zorgbehoeften van een toenemend aantal ouderen tegemoet te komen?

– Hoe zorg je voor een evenwichtige verdeling van de economische baten en voorzieningen over het hele land? En last but least:

– Hoe financieren wij onze voorzieningen in deze nieuwe contekst?

Economische groei te weinig gericht op duurzaamheid

Daarnaast worden we geconfronteerd met de gevolgen van een ongekende maar niet op duurzaamheid gecontroleerde economische groei. Het klimaat ondergaat ingrijpende wijzigingen. Kijk naar Midden Afrika, waar de woestijngrens zich zichtbaar verplaatst; kijk naar Groenland waar hetzelfde met de ijsgrens gebeurt. Wij trekken een wissel op de biodiversiteit; op onze fossiele brandstoffen; op de kwaliteit van onze lucht. Hoe we het ook wenden of keren, ongeremd doorgroeien is geen optie. In onze beleidsdoelstellingen klinkt al wel urgentie door, maar ons gedrag is er nog onvoldoende van doordrongen.

Maatschappelijke en politieke polarisatie

De gevolgen van de financiële en economische crisis, de demografische ontwikkeling en het milieuvraagstuk moeten bovendien worden opgevangen in een situatie van toegenomen maatschappelijke, economische en politieke polarisatie.

In het maatschappelijke verkeer evenals in opvattingen over migratie en integratie is een verharding opgetreden. Individualisering, globalisering, secularisering – niet alleen migratie – hebben naast veel vrijheid, ook desintegrerende effecten tot gevolg gehad. In hun onderlinge samenhang hebben deze factoren geleid tot een samenleving van individuen, die zich veelal als vreemden tot elkaar verhouden en waarin het gemeenschapselement fragiel is geworden.

Ook in de politiek zijn desintegrerende factoren zichtbaar. Allereerst in de vorm van de fragmentatie van het politieke landschap, vooral van het midden: traditionele partijen hebben hun natuurlijke aanhang verloren, veel kiezers zijn in toenemende mate “zwevend”. De organisatie van politiek en overheid lijkt onvoldoende toegesneden op de verlangens van de samenleving: een samenleving die om méér vraagt dan één keer in de vier jaar vertegenwoordigers kiezen, een samenleving die meer invloed op beleid en beleidskeuzes wil.

Een andere desintegrerende factor is de wijze waarop politiek wordt bedreven: er is een harde toon met een roep om een “keiharde aanpak”, die haaks lijkt te staan op wat velen wensen: een gematigde en fatsoenlijke samenleving, waarbij tegenstellingen tussen mensen weliswaar niet worden ontkend, maar worden opgelost in plaats van aangewakkerd.

Sociaal-economische tweedeling

Ook in sociaal-economisch opzicht ontstaan scherpere scheidslijnen en grotere ongelijkheden. Zij zijn het gevolg van de introductie van nieuwe technologieën, van globalisering en internationalisering van onze economie, van hedendaagse bedrijfsstrategieën, van de invoering van marktwerking in de publieke sector en de aanpassingen in de verzorgingsstaat van de afgelopen decennia. Marcel van Dam noemt dat de nevenschade van de bezuinigingspolitiek van de jaren tachtig en negentig. De tweedeling is ook het gevolg van verandering in waardering voor beroepen en opleidingen.

Die functies die voor de samenleving van het grootste belang zijn -in de zorg, het onderwijs en bij de politie- krijgen, wat mij betreft ten onrechte, minder waardering dan vroeger. De schaduwzijde van de meritocratie, wordt er dan gezegd..

Waar het om inkomens en vermogens, kwaliteit van het werk en maatschappelijke vooruitzichten gaat, zien we een groeiende maatschappelijke ongelijkheid tussen mensen aan de onderkant van de economische ladder en die aan de bovenkant. De nieuwe tegenstellingen zijn lang niet altijd zichtbaar in de statistieken, bijvoorbeeld als het gaat om de verschillen in vermogen of de verschillen tussen de nieuwe tweeverdieners en de oude kostwinner, de uitkeringsgerechtigde of de oudere die uitsluitend AOW ontvangt.

In de economie van de onderkant, maken mensen lange dagen tegen lage lonen, met flexibele contracten, in wisseldiensten, onder hoge werkdruk en soms slechte arbeidsomstandigheden, met een zwakke rechtspositie -ook voor wat betreft hun aanspraken op uitkeringen en pensioenen.

Zij hebben het gevoel dat ze te weinig waardering krijgen, ook in hun werk, ze hebben weinig perspectief om vooruit te komen, hebben moeilijk toegang tot private en publieke basisvoorzieningen – en vooral: kunnen moeilijk rondkomen van hun salaris. Kijk naar de schoonmakers (bij de NS, op Schiphol) die al wekenlang in staking zijn. Daartegenover staat een economie van de bovenkant, die in alles het spiegelbeeld is van de economie van de onderkant: goede salarissen (in sommige sectoren aangevuld met riante prestatiebonussen), luxe arbeidsomstandigheden, goede regelingen voor werkloosheid en pensioen, afvloeiingsregelingen inclusief “gouden handdrukken” en uitstekende toegang tot private en publieke voorzieningen. Ja, ook hier is stress, maar daar staan wel aanzienlijk betere arbeidsvoorwaarden tegenover en de mogelijkheid om je overal tegen te verzekeren. Daartussenin staat een brede middenklasse die van beide kanten steeds meer onder druk komt te staan als gevolg van de ontwikkelingen die ik beschreef – een verschijnsel dat in de Verenigde Staten al veel langer aan de gang is, en dat heeft geleid tot een uitholling van de middenklasse.

De lagere middeninkomens dreigen in de knel te komen: met forse lasten voor huis, levensonderhoud en vervoer en de kosten voor de opvoeding van kinderen, gekoppeld aan toenemende concurrentiestrijd op de arbeidsmarkt, houdt men het maar net vol. Hogere middeninkomens zijn de aansluiting met de top verloren en hebben het gevoel dat zij door de overheid flink aangeslagen worden terwijl de kwaliteit van de overheidsvoorzieningen er nauwelijks op vooruit lijkt te gaan. Uit een groot Europees onderzoek uit 2004, het zogenaamde SIREN-rapport, blijkt dat de “gewone werknemer” zich van vele kanten bedreigd voelt. Er is wat je met een mooie term ‘globaliseringspijn’ kunt noemen – werk verdwijnt naar het buitenland, en er komt meestal geen vergelijkbaar werk voor terug. Er is al jarenlang sprake van permanente reorganisaties, van herstructurering van bedrijfstakken en nieuwe stijlen van management – met een groot effect op de houding van werknemers. Wat groot verdriet oplevert is de veroudering van diploma’s, van kennis en vaardigheden. Angst voor sociale daling of declassering en boosheid over gebrek aan waardering en respect zijn sleutelbegrippen in dit onderzoek.

Niet alleen in de private sector, ook in de publieke dienstverlening staat het werk van de (lagere) middenklasse onder druk. De frontsoldaten van onze maatschappij (politieagenten, onderwijzers, zorgverleners) hebben enerzijds te maken met toenemende eisen, agressie en ongeremdheid vanuit de maatschappij. Anderzijds worden zij geconfronteerd met nieuwe methoden en managementlagen, reorganisaties, marktwerking, gedetailleerde verantwoordingsvragen en toenemende regeldruk. Werknemers ervaren dikwijls een gebrek aan erkenning voor hun harde werken. Opleiding speelt een steeds beslissender rol voor maatschappelijke mogelijkheden en succes – en draagt krachtig bij aan de hier beschreven fragmentering en tweedeling. De kloof tussen hoogopgeleiden en lageropgeleiden is gegroeid en zal mogelijk blijven groeien doordat mensen voor huwelijk, vriendschap en relaties andere mensen uitkiezen met een vergelijkbaar patroon.

Er ontstaat zo een breuk met het maatschappijmodel dat na de oorlog met zorg en gezamenlijke inspanning is opgebouwd.

Daarin waren er allerlei mogelijkheden voor opwaartse mobiliteit: via school en opleiding, via het werk, door te verhuizen naar een andere buurt, door een grotere welvaart – en doordat de kinderen een stap verder konden doen. Dat kan nog steeds en je ziet het ook om je heen gebeuren, maar het vraagt wel veel aandacht. Niet voor niets is de wens om deel uit te maken van een middenklasse met alle maatschappelijke ontplooiingskansen die daarbij horen een van de speerpunten van de veranderingsagenda van President Obama.

Kortom: in het licht van de nawerking van de crisis en een aantal maatschappelijke trends is een verandering van politiek perspectief nodig. Herijken we onze gedragspatronen niet, dan leggen wij een (te) zware hypotheek op onze toekomst en die van onze kinderen; groeien de bestaande tegenstellingen in onze maatschappij verder door; blijven we met markten zitten die zichzelf niet corrigeren en evenmin in toom worden gehouden door een stevig overheidstoezicht; en zijn we onvoldoende responsief voor de veranderingen in de internationale omgeving.

Veerkrachtig door verbinding

Ik keer terug naar de vraag die verborgen ligt in de titel van deze lezing. Welke kansen biedt de financiële crisis voor onze samenleving? Welke perspectieven zijn er? We naderen een kruising, in werkelijkheid met grotere snelheid dan we op de kilometerteller zien staan.

De geschiedenis leert dat elke economische crisis op zichzelf een beproeving is en dat het antwoord op die beproeving de weg kan wijzen naar een nieuw tijdperk. De geschiedenis leert ook dat dit niet ‘vanzelf’ gebeurt. Het vraagt om een gedegen analyse van de problematiek, heldere uitgangspunten, het nemen van de maatregelen die nodig zijn en de bereidheid om dit samen met anderen te doen.

Mijn centrale uitgangspunt is allereerst dat verbinden, het bevorderen van samenhang, essentieel is. Wij hebben een lotsverbondenheid in een gezamenlijke toekomst van onze samenleving, onze democratie en onze economie.

De desintegrerende sociaal-culturele krachten in onze samenleving, zo heb ik eerder betoogd, zullen we tegemoet moeten treden door herstel van vertrouwen in, en verantwoordelijkheid voor, elkaar. Dat begint door – zoals Lodewijk Asscher dat in De ontsluierde stad heeft geformuleerd – empathie voor elkaar te hebben, door duidelijke grenzen te stellen – de rechtstaat is ons kader!- en daarbinnen elkaar ruimte te geven. Dat is ook een economische noodzaak. Op basis van de ontwikkelingen die ik eerder schetste is het eenvoudigweg onmogelijk en economisch onverantwoord om grote groepen in de samenleving aan de kant te laten staan. Dat vraagt om een urgent besef dat iedereen – maar dan ook echt iedereen – nodig is, zeker de komende jaren.

Onze democratie wordt op de proef gesteld door weglekkende verantwoordelijkheden, een te bedrijfsmatige organisatie van de overheid en een vergaande verzakelijking van de relatie tussen overheid en burger. Burgers zijn klanten geworden.

Onze taak is om de democratie te herstellen als een krachtig bindmiddel voor groepen en individuen in de samenleving – juist omdat ieder individu uitgedaagd wordt om samen met anderen aan gemeenschappelijke doelen te werken – en meningsverschillen vreedzaam te beslechten. Democratie is burgerbestuur: bestuur van, voor en door burgers dat gericht is op collectieve wilsvorming ten bate van de opbouw van de samenleving. Verantwoordelijkheid nemen en verantwoording afleggen voor genomen besluiten door de gekozen burgerbestuurders hoort daar onlosmakelijk bij. Burgers moeten politici vertrouwen, politici moeten burgers vertrouwen. Al was het maar omdat democratie een systeem is waarbij burgers zichzelf regeren.

Ook in sociaal-economisch opzicht is ‘de boel bij elkaar houden’ een essentieel uitgangspunt van de sociaal-democratie. Laat ik daarvoor terugkeren naar de oorsprong van dit citaat. Het is afkomstig van Joop den Uyl en vaak is aangenomen dat deze vooral duidt op de culturele verschillen in de maatschappij:

tijdens de Algemene Beschouwingen van 1984 had Den Uyl gesproken van een dreigende tweedeling in de samenleving: ‘Steeds diepere kloven tekenen zich af, tussen werkenden en hen die van het arbeidsproces zijn uitgesloten’, zo zei hij. ‘Tussen hen, die uitzicht hebben op inkomensverbetering en hen die in koopkracht achteruitgaan. Tussen degenen die kansen hebben om deel te nemen aan nieuwe ontwikkelingen in techniek en economie en hen voor wie de poort naar de toekomst gesloten lijkt.’ Den Uyl kreeg kritiek, van wetenschappelijke en politieke zijde, op zijn uiteenzetting die met iets te rigide vond. In 1985 koos hij daarom de volgende woorden toen hij schreef: ‘Tweedeling is een gebrekkig begrip om een proces van splitsing en fragmentering, dat zich in onze samenleving voltrekt, aan te duiden. Het tegengaan van dit proces laat zich moeizaam omschrijven als een poging tot nieuwe integratie en versterking van samenhang. De boel bij elkaar houden, dat is het dus.’

In 2010 is de kern van deze opgave niet wezenlijk veranderd, en de urgentie is groot. Het vinden en vormen van nieuwe loyaliteiten is ook nu niet eenvoudig.

Juist nu in een klimaat waarin gelijktijdig sprake is van én toenemende maatschappelijke onzekerheid én een politiek waarin culturele verschillen worden uitvergroot is een economische politiek waarin de economische verschillen en onzekerheden tussen mensen verder toenemen volstrekt onwenselijk. Met elkaar delen, onderlinge verbinding en betrokkenheid zijn niet alleen een teken van beschaving, maar ook een voorwaarde voor economische veerkracht. Dat geldt voor evenwichtige inkomensverhoudingen evenzeer als voor onderlinge betrekkingen in de onderneming, voor nationale arbeidsverhoudingen evenzeer als voor een fair sociaal zekerheidsstelsel, voor een eerlijke balans tussen ouderen en jongeren evenzeer als voor een open oog voor de verschillen tussen rijke en arme regio’s en landen.

Economische vooruitgang begint bij onderlinge samenhang, een maatschappij waarin iedereen wordt gestimuleerd en geholpen om mee te doen, er bij te horen en er uit te halen wat er in zit – ongeacht leeftijd, postcodegebied of herkomst.

Een samenleving die de onderkant en de bovenkant verbindt en de werkzoekende evenzeer aanspreekt op zijn of haar maatschappelijke verantwoordelijkheid als de bestuurder van een bedrijf. Een samenleving met fijnmazige diagonale verbindingen, met wetten en regels die voor iedereen gelijk zijn. Geen krachtige economie zonder een veerkrachtige samenleving binnen de grenzen van onze rechtstaat.

Perspectief na de crisis

Een succesvolle aanpak van de crisis vraagt naast betere maatschappelijke verhoudingen, om een fundamentele heroriëntatie op de economie en de rol van de overheid. Innovatie en ondernemerschap zijn nodig om onze economie sterk en dynamisch te houden, duurzaam te maken en onze welvaart op peil te houden, of te verbeteren. De belangrijkste opgave waar we voor staan is om methoden en oplossingen te vinden die tegelijkertijd de economie versterken, het milieu verbeteren en de verbanden tussen mensen versterken. Daarbij past een zelfbewuste overheid om een helder kader te bieden voor publieke voorzieningen en ordening van markten.

Wouter Bos gaf in zijn Den Uyl-lezing een stevige aanzet daartoe. In aanvulling daarop noem ik de volgende punten, die tevens een oriëntatie kunnen bieden voor een koers na de crisis.

Een nieuwe rol voor de financiële sector

We kunnen nu al wel enige lessen trekken uit de ineenstorting van het geliberaliseerde financiële bouwwerk. Er is ordening, regulering en toezicht nodig – ook internationaal, en in het bijzonder Europees – die de financiële factor terugbrengt in onze economie tot de rol die zij zou moeten spelen: dienstbaar en faciliterend. Nieuwe checks en balances, dus, erop gericht om risico’s tot hanteerbare proporties terug te brengen. Dan gaat het om de terugkeer van de nutsfunctie, zodat iedereen onder fatsoenlijke condities kan beschikken over een betaalrekening zonder het risico te lopen dat zijn geld verdwijnt door riskante manoeuvres. Scheiding van consumentenbankieren en zakenbankieren, reductie van de omvang van banken: het zijn even zovele ideeën die de moeite waard zijn om te toetsen op hun bruikbaarheid.

Wezenlijk is verder een heroriëntatie op het bestuur van de banken – en van de beursgenoteerde ondernemingen in het algemeen. De onderneming is geen koopwaar, die willekeurig kan worden opgesplitst. De onderneming is een samenwerkingsverband, een organisch tot stand gekomen weefsel, waarin een evenwichtige vertegenwoordiging van de verschillende belangen centraal hoort te staan, waaronder uiteraard die van de werknemers. Er is een stabiele, op lange termijn gerichte aandeelhoudersstructuur nodig – waaraan de pensioenfondsen een positieve bijdrage zouden kunnen leveren. De huidige bonuspraktijk heeft perverse effecten, datzelfde geldt voor de rol van private equity en hedge funds.

Innovatie, ondernemerschap en duurzaamheid

We hebben een economie nodig waarin niet overnemen een belangrijke factor is, maar waarin ondernemen, vakmanschap en innovatie gedijen. De overheid zit daarbij niet aan de knoppen -echte innovaties vinden elders plaats-, maar de overheid kan wel met gerichte bijdragen onze economie versterken.

Bedrijven, ondernemers en kennisnetwerken zouden in het bijzonder gestimuleerd moeten worden om te komen tot de ontwikkeling en het gebruik van producten en diensten die over hun hele levenscyclus zo duurzaam mogelijk zijn. Investeringen in onderzoek en ontwikkeling, alsmede de uitwisseling tussen kennisinstellingen en ondernemingen – wij zijn daar in Nederland lang niet goed genoeg in- is cruciaal en kan dus nog wel een helpende hand gebruiken. Regionale en lokale overheden kunnen daarbij bovendien een rol spelen, zoals het milieubeleid van de gemeente Leeuwarden en de vestiging van Wetsus als centrum van watertechnologie laten zien.

Innovatie is niet een voor de private sector gereserveerd thema – ook de overheid kan daaraan bijdragen, bijvoorbeeld door de wijze waarop zij opdrachten verschaft, maar ook in eigen huis. Daarbij zouden we ook terug kunnen grijpen op bewezen succesvolle concepten van vroeger. Retro-innovatie noemt wethouder Bert Otten uit Hengelo dat: ‘Vaak kunnen oude recepten in een nieuw jasje heel effectief zijn. Denk aan de introductie van de buurt- en wijkzorg, de terugkeer van de wijkverpleegster en nieuwe vormen van gesubsidieerde arbeid.’

Ondernemerschap betekent in onze tijd niet meer vanzelfsprekend: werkgeverschap. Er zijn inmiddels bijna een miljoen ondernemers zonder personeel, vaak vakmensen, die tijdens de crisis forse klappen hebben moeten opvangen. Onze regeling op het gebied van pensioenen, bescherming in geval van ziekte of arbeidsongeschiktheid zijn niet op hen toegesneden – maar zij horen wel onderdeel te worden van bescherming en zekerheden die wij anderen wel bieden in onze verzorgingsstaat.

Arbeid, stijgingskansen en onderwijs

De idealen van zinvolle en gerespecteerde arbeid, de mogelijkheid om vooruit te kunnen komen en onderwijs dat de veilige omgeving biedt om het beste uit je zelf te halen zijn actueler dan ooit. Maar de trends wijzen tot nu toe in een andere richting. In de huidige discussies over arbeid en arbeidsrecht is het financieel-economische perspectief vaak leidend. Fundamenteel in onze heroriëntatie is om deze trends ten goede te keren. Dat betekent gematigde inkomensverschillen, vasthouden aan het principe dat de sterkste schouders ook werkelijk de zwaarste lasten dragen, zonder onaanvaardbare uitschieters aan bovenkant en onderkant.

Dat betekent opnieuw aandacht voor de rechten van werkenden en de kwaliteit van werk en werkomgeving. Politieke partijen kunnen daar direct een bijdrage aan leveren door de kwaliteit van het werk in de publieke sector – en vooral voor de frontlijnwerkers – te verbeteren. Het extra geld voor het onderwijs en de politie-CAO van de afgelopen jaren waren daar al voorbeelden van.

Dat betekent ook de mogelijkheden scheppen om vooruit te komen – door opleiding en scholing bijvoorbeeld. Daarvoor is een herwaardering van vakmanschap en ambachtelijkheid wenselijk. We hebben niet alleen behoefte aan ingenieurs, maar ook aan monteurs. Een fundamentele herwaardering en verbetering van de kwaliteit van onderwijs op het VMBO en MBO behoort tot zo’n perspectief. De kiemen daarvoor lijken gelegd, het is nu zaak om die tot wasdom te brengen.

Een breder welvaartsbegrip

Onze welvaart wordt eigenlijk vooral gemeten in termen van economische groei. Het is de hoogste tijd om daaraan andere elementen toe te voegen, en terecht heeft Wouter Bos daarvoor de weg geplaveid in zijn Den Uyl-lezing.

‘In de geduldige cijfers van het nationale inkomen’, zei diezelfde Den Uyl op het congres van de PvdA in 1963, ‘telt de electrische tandenborstel evenzeer als de verpleeghulp, de reclame-uitgaven voor het definitieve kalmeringsmiddel evenzeer als de entreeprijzen voor de schouwburg, het commissarissentantième evenzeer als de blindenrente. Groei van het nationale inkomen per hoofd van de bevolking op zichzelf is geen waarborg voor het welzijn, voor de verbetering van de kwaliteit van het bestaan.’

Daaraan voeg ik nu toe, dat een goede combinatie van werk en zorg, de veiligheid van onze omgeving, duurzaamheid, de rijkdom van kunst en cultuur en een goede bereikbaarheid evenzeer bijdragen aan de kwaliteit van ons leven en onze welvaart als het verdiende inkomen alleen. Levensgeluk wordt niet uitgedrukt in euro’s.

Een zelfbewuste overheid

De wijze waarop in het recente verleden publieke taken zijn georganiseerd behoeft werkelijk bijstelling. Wij hebben de afgelopen jaren een aantal taken op afstand geplaatst dan wel aan de markt overgelaten, zonder de organisatie van publieke zeggenschap en verantwoording goed te regelen.

Daardoor is een democratisch tekort ontstaan. Voorafgaand aan besluitvorming om taken op afstand of in de markt te plaatsen moet daarom getoetst worden of de publieke zeggenschap, verantwoordelijkheid en verantwoording afdoende geregeld zijn. Wegen de gewenste doelmatigheid- of efficiency voordelen niet op tegen de kosten ervan, bijvoorbeeld in termen van publieke verantwoording, dan kan de consequentie zijn dat een bepaalde publieke taak niet aan de markt wordt toevertrouwd – of zelfs terug wordt gehaald naar het publieke domein.

Wij hebben na het neo-liberale tijdperk voor alles een zelfbewuste overheid nodig. De overheid is de hoeder van de publieke zaak in naam van de burgers, van ons allen. De overheid heeft de bevoegdheid om algemeen verbindende regels te stellen en deze af te dwingen, belasting te heffen en collectieve voorzieningen te verzorgen. Die publieke taken worden door en in het democratisch bestel gelegitimeerd. Als hoeder van de publieke zaak komt de overheid de organisatie van de publieke zeggenschap en de publieke verantwoording hierover toe. Zij hoort bij de als publiek gedefinieerde zaken de touwtjes stevig in handen te houden. Essentieel is daarbij: the law is the law.

Tot slot Nederland staat op een wezenlijk moment in zijn politieke geschiedenis – op een tweesprong. De centrale vraag voor de komende verkiezingen – en ver voorbij deze – zou moeten zijn: in wat voor maatschappij willen wij leven? Kiezen we voor een maatschappij van het brede maatschappelijke midden, waarin sociale mobiliteit een wenkend perspectief is? Met een sterke, ondernemende, innovatieve, groene economie? Waarin verantwoordelijk burgerschap wordt gevraagd van beneden, maar minstens evenzeer van boven? Een maatschappij die grenzen stelt aan het geld, die ondernemen stimuleert in plaats van overnemen, die aan arbeid een centrale plaats toekent waar mensen waardering vinden, die dus investeert in het opleiden van ingenieurs èn monteurs, die de publieke sector niet als een vijand ziet maar als essentieel – maar wel in de hand te houden- onderdeel van ons welzijn, die niet alleen wil bezuinigen, maar lasten eerlijk wil verdelen om belangrijke voorzieningen in stand te houden, die bevordert dat iedereen een bijdrage aan de maatschappij kan leveren en dat daadwerkelijk doet, en die pluriformiteit binnen de grenzen van de rechtsstaat als uitgangspunt van een democratische rechtsorde ziet?.

De vraag is te herformuleren in keuzetermen van het Centraal Planbureau: hoe beschaafd is Nederland? Kiezen we voor een gepolariseerd model in cultureel en economisch opzicht? Een model waarin het wij-zij perspectief domineert en migranten als permanente indringers worden beschouwd die er niet bij horen? Een Angelsaksisch economisch model waarin ongelijkheid in inkomen en vermogen ongeremd toenemen en de publieke sector onmachtig wordt gemaakt? Of kiezen we voor een Europees model, met gematigde inkomens- en vermogensverschillen, een betekenisvolle publieke sector, een stevig sociaal zekerheidsstelsel, dat burgerschap en participatie centraal stelt?

Mijn antwoord daarop heb ik u hier vanmiddag gegeven.

Voor deze lezing maakte ik meer of minder vrijmoedig gebruik van de volgende literatuur:

L. Asscher, De ontsluierde stad, Amsterdam 2010. F. Becker en R. Cuperus, ‘Over links of door het midden?’, in: Socialisme & Democratie 67 (2010) 3. A.W.A. Boot, De ontwortelde onderneming. Ondernemingen overgeleverd aan financiers?, Assen 2009.

W. Bos, De Derde Weg voorbij, de 21ste J.M. den Uyl-lezing.

M. J. Cohen, Binden. Met een inleidend interview door Bas Heijne, Amsterdam 2009.

M. J. Cohen, Het wezen van de democratie. Mandela Lezing 2010.

R. Cuperus, De wereldburger bestaat niet. Waarom de opstand der elites de samenleving ondermijnt, Amsterdam 2009.

P. Hagen, Politicus uit hartstocht. Biografie van Pieter Jelles Troelstra, Amsterdam/Antwerpen 2010.

A. Hemerijck, B. Knapen en E. van Doorne (eds.), Aftershocks. Economic Crisis and Institutional Choice, Amsterdam 2009.

E. Kalse en D. van Lent, Bankroet. Hoe bankiers ons in de ergste crisis sinds de Grote Depressie stortten, Amsterdam/Rotterdam 2009.

C.P. Kindleberger en R.Z. Aliber, Manias, Panics and Crashes. A History of Financial Crisis, New York 2005.

B. Otten, ‘Wethouderssocialisme nieuwe stijl. Van plannen naar binden’, in: Lokale politiek als laboratorium. In de voetsporen van Wibaut en Drees, WBS jaarboek 2009, Den Haag 2009.

B. Van Praag, ‘Het hete hangijzer van de vergrijzing’, in: Socialisme & Democratie 67 (2010) 1-2.

J.M. den Uyl, De toekomst onder ogen. Beschouwingen over socialisme, economie en economische politiek, Amsterdam 1986.

J. Smit, De prooi. Blinde trots breekt ABN Amro, Amsterdam 2008. J.E. Stiglitz, Freefall: America, Free Markets, and the Sinking of the Global Economy,

New York 2010. O. Velthuis en L. Noordegraaf-Eelens, Op naar de volgende crisis! Over het verleidend vermogen van de financiële markt, Kampen 2009.

Verslag van het negende congres van de Partij van de Arbeid, gehouden op 17, 18 en 19 januari 1963, in het gebouw van de Dierentuin, te ’s Gravenhage, Amsterdam z.j.

cc-foto: Newsphoto

Geef een reactie

Laatste reacties (184)