52

‘Keuzevrijheid vrouwen is een mythe’

Economische achterstand vrouwen veel groter probleem dan glazen plafond

Niet het glazen plafond, maar de armoede onder vrouwen zou de prioriteit van feministen in Nederland moeten zijn. Dat betoogde GroenLinks fractievoorzitter Femke Halsema in de Annie Romein Verschoorlezing die ze gaf op de Universiteit van Leiden.

De emancipatie is verre van voltooid vindt Halsema. Een meerderheid van de laagopgeleide vrouwen heeft helemaal geen werk. Zij zijn afhankelijk van hun man of een armoedige uitkering. Volgens Halsema moet de economische zelfstandigheid van vrouwen bovenaan de agenda staan van zowel de vrouwenbeweging als overheid. 

Hier volgt de complete tekst van de Annie Romein-Verschoorlezing, die sinds 1989 jaarlijks wordt gehouden ter viering van de Internationale Vrouwendag.

Laat ik als eerste de organisatie danken voor de eer hier vandaag te mogen spreken. Annie Romein-Verschoor is voor mij geen onbekende. Mijn moeder las, toen ik opgroeide, met grote regelmaat en passie haar werk. Zij mocht daar ook graag uit citeren. Mijn moeder, een huisvrouw die in de jaren zeventig (toen mijn broer en ik ruimschoots op de lagere school zaten) voorzichtig de arbeidsmarkt betrad, voelde zich aangesproken door Romein-Verschoors realistische feminisme. Mijn moeder had weinig op met bh-verbrandingen en verheerlijking van de lesbische liefde om politieke redenen. Zij was zich echter wel heel bewust van de last van de ‘dubbele roeping’ voor vrouwen (van zorg en arbeid), zoals Romein-Verschoor dat zo mooi omschreef.

In zekere zin is Romein-Verschoor dus een heldin van mijn jeugd. Overigens was mijn moeders eerste herinnering, toen ik haar van deze lezing vertelde een geheel andere. Als meisje kreeg zij geschiedenisles aan de hand van de boeken van Jan Romein. Haar vader, een onberispelijke verzekeringsagent, was daarover heel verontwaardigd. Jan Romein was een communist en jonge, fatsoenlijke meisjes mochten daaraan niet blootgesteld worden. Zijn telefonades met de meisjes-HBS daarover haalden echter niets uit en mijn moeders liefde voor het echtpaar Romein-Verschoor bloeide door.

Annie Romein Verschoor was een nuchtere feministe die streed tegen de ‘mentale en materiële achterstelling’ van vrouwen, zonder zich te verliezen in de feministische modes van haar tijd. Dat zij op hoge leeftijd toch een boegbeeld werd van de feministische beweging in de jaren zeventig was meer haars ondanks, dan bewust nagestreefd. Ik wil deze lezing graag in haar traditie plaatsen door een nuchtere en feitelijke verkenning van de situatie van veel Nederlandse vrouwen.

Volgens een voor-vorige minister van Sociale Zaken, CDA-minister De Geus, is de emancipatie van vrouwen zo goed als voltooid. Ondanks dat hij daarmee ook protest ontlokte, verwoordde hij een breed levende gedachte die ook in toenemende mate onder vrouwen beluisterd kan worden. De redenering is dan ongeveer zo. Vrouwen hebben voldoende keuzevrijheid gekregen. Dat zij in grote meerderheid kiezen voor deeltijdbanen in combinatie met de zorg voor kinderen is juist een teken van die vrijheid en daarover moet verder niet worden gezeurd.

Wat er nog over is van een feministische beweging in Nederland concentreert zich vooral op het glazen plafond voor vrouwen aan de top. Het felste debat gaat ook niet meer over achterstelling maar over de mentaliteit van vrouwen zelf. Zoals NRC-columniste Heleen Mees het samenvat: ‘hoogopgeleide vrouwen zijn gemakkelijke keuzefeministen die genoegen nemen met inferieure baantjes’. Lijnrecht tegenover haar staat Elsevier-journaliste Marieke Stellinga die even eloquent beweert dat ‘vrouwonvriendelijke feministen het fabeltje hebben verzonnen dat vrouwen hetzelfde willen als mannen’. Ofwel, vrouwen zijn domweg gelukkig met de keuzes die zij maken, namelijk kleine deeltijdbanen, en hou op ze te betuttelen.

Beide vrouwen – die ik hier aanhaal als prototypen van twee uiterste posities – veronderstellen dat vrouwen in Nederland volledige vrij zijn en goede òf verkeerde keuzes maken. Zonder de eigen verantwoordelijkheid van vrouwen teniet te willen doen, is dit wat mij betreft een elitaire en naar binnen gekeerde discussie die meer zegt over de maatschappelijke positie van de betrokken bevoorrechte vrouwen, dan over Nederlandse vrouwen in het algemeen.

Mijn stelling is dat het met veel vrouwen in Nederland niet goed, of niet goed genoeg gaat en dat dit een verwaarloosd maatschappelijk en emancipatieprobleem is. Armoede en kansarmoede concentreren zich onder vrouwen; financiële en emotionele afhankelijkheid zijn eerder regel dan uitzondering. Bij veel vrouwen is ook geen sprake van keuzevrijheid maar eerder van keuzedwang.

Om die stelling te onderbouwen, moet ik u eerst – excuus daarvoor – een aantal cijfers geven.

Van de 10% hoogste inkomens in Nederland is 85% man. De laagste inkomensgroepen in Nederland bestaan voor tweederde uit vrouwen. Rijke mensen zijn veelal man en – helaas is het omgekeerde ook waar: arme mensen zijn vaker vrouw. Armoede komt het meeste voor onder jonge alleenstaande moeders in de bijstand. Bijstandsmoeders lopen het grootste risico op langdurige armoede.

Zoals u allen weet gaat armoede niet alleen over het bij elkaar schrapen van dubbeltjes of de eindjes aan elkaar knopen; arme mensen zijn dikwijls ongezonder, zij hebben een kortere levensverwachting, wonen beroerder en hebben minder sociale contacten. Armoede leeft ook dikwijls voort van generatie op generatie, en heeft grote invloed op de ontwikkeling en opleiding van kinderen. In het rijke Nederland groeien 310.000 kinderen op in armoede, voor een belangrijk deel bij alleenstaande moeders.

Hier staat tegenover dat een toenemend aantal vrouwen een eigen inkomen heeft. Door loon of een uitkering heeft 84% van de vrouwen inmiddels zelf geld, tegenover 97% van de mannen. Het gemiddelde inkomen van vrouwen is echter nauwelijks de helft van dat van mannen. Vrouwen verdienden in 2006 gemiddeld 18.000 euro per jaar, bij mannen was dat 33.000 euro. Hoewel vrouwen dus wel vaker een inkomen hebben, is maar een minderheid van hen economisch zelfstandig. Economisch zelfstandig ben je namelijk als je jaarlijks 70% verdient van het wettelijk minimumloon. Dat is 13.000 euro bruto; netto is het 11.000 euro – bepaald geen vetpot.

Maar 45% van de Nederlandse vrouwen verdient jaarlijks meer dan 11.000 euro en mag daarmee economisch zelfstandig worden genoemd. 55% Van de Nederlandse vrouwen is voor een leefbaar inkomen – en daarmee voor de zekerheid van verzekeringen, van pensioenopbouw en voor het garanderen van de welvaart van hun kinderen – afhankelijk van een partner.

Bovendien zijn dit gemiddelden van alle vrouwen. Als je onderscheid maakt naar opleidingsniveau dan zie je dat vooral laagopgeleide en oudere vrouwen in armoede en werkloosheid leven. Van de vrouwen die alleen basisonderwijs hebben gehad, werkt slechts een kwart, tegenover 50% van de mannen.

Nog somberder worden de cijfers als je onderscheid gaat maken naar etniciteit. Van de Turkse en Marokkaanse vrouwen in Nederland heeft ongeveer de helft alleen basisonderwijs gevolgd. Waar 84% van alle vrouwen enig inkomen heeft, geldt dat slechts voor 22% van de Turkse vrouwen en 28% van de Marokkaanse vrouwen. Dat betekent dat de uitkeringsafhankelijkheid onder hen ook veel minder groot is maar dat drie kwart van hen helemaal geen eigen geld heeft; zij zijn volledig afhankelijk van hun partner. Daar kun je bovendien bij optellen dat van de kleine minderheid aan Turkse en Marokkaanse vrouwen dat enig eigen inkomen heeft, maar 20% meer verdient dan 11.000 euro netto per jaar. Slechts een fractie van de Turkse en Marokkaanse vrouwen is dus economisch zelfstandig.

Vaak worden sombere verhalen over de positie van Turkse en Marokkaanse vrouwen afgezet tegen het succes van veel jonge allochtone meiden. Dat is maar ten dele terecht. Turkse en Marokkaanse meiden lopen hun achterstanden in het onderwijs inderdaad in maar er bestaan nog aanzienlijke verschillen. In 2008 ging 22% van de Turkse en 23% van de Marokkaanse meiden naar HAVO/VWO, tegenover 50% van de autochtone meiden.

Tot zover de cijfers. Nu wordt tegenover dit soort sombere getallen dikwijls het verweer in stelling gebracht dat het in werkelijkheid wel meevalt met de armoede onder vrouwen: zij leven samen met een man die wel een groter inkomen inbrengt. Het zogenaamde anderhalfverdienersmodel, waarmee Nederland internationale roem heeft vergaard. Dat klopt inderdaad voor een groot aantal vrouwen maar het neemt niet weg dat dit een lui en ongeïnteresseerd verweer is. Eigenlijk is het een excuus om de positie van vrouwen zo te laten als deze is, en dat is voor mij niet aanvaardbaar.

Ik heb daarvoor twee redenen.

1. Inmiddels strandt in Nederland 1 op de 3 huwelijken. Onder samenwonenden ligt dit zelfs nog hoger: namelijk naar schatting 40%. Een deel van de vrouwen die nu niet werkt of in een kleine, slecht betaalde deeltijdbaan waardoor zij niet economisch zelfstandig zijn, wordt dus na een echtscheiding geconfronteerd met een forse daling van het inkomen. Alimentatieregelingen compenseren dit maar gedeeltelijk en aangezien zij vaak eerste opvoeder zijn, trekken deze gescheiden vrouwen hun kinderen ook mee in armoede.

2. Bovendien, ook als er geen sprake is van een echtscheiding, is de gemakzuchtige verwijzing naar het anderhalfverdienersmodel, naar het inkomen van de man, kwalijk. Vanzelfsprekend kan een vrije vrouw, die er voor kiest om thuis te blijven bij de kinderen, geen strobreed in de weg worden gelegd. Alleen, al te gemakkelijk wordt verondersteld dat al deze vrouwen een vrije keuze maken. Het zijn vooral de vrouwen met lage opleidingen en nauwelijks werkervaring die geen inkomen hebben, of een heel laag inkomen. Zij hebben ook vaak slechte toegang tot de arbeidsmarkt, en als zij het wel hebben dan is het werk dat zij kunnen doen heel onaantrekkelijk. De keuze om thuis te blijven bij de kinderen is dan veel minder vrij dan het lijkt, èn dan het is voor hoogopgeleide deeltijdfeministen zoals Marieke Stellinga en mogelijk ook mijn geëerde co-referent Rosanne Herzberger. Ofwel, keuzevrijheid bij laagopgeleide en kansarme vrouwen is een fictie. En als dit luxefeministen onvoldoende overtuigt, dan is het goed om de privé- en maatschappelijke omstandigheden van veel Turkse en Marokkaanse vrouwen eens grondig te bestuderen. Dikwijls door de vrouwen zelf, maar ook door hun mannen en de gemeenschappen wordt werk voor vrouwen nog beschouwd als oneervol en vernederend. De keuze om thuis te zijn, niet te werken en voor de kinderen te zorgen komt vaak voort uit sociale druk en culturele en religieuze tradities. Van een echt vrije keuze is dan geen sprake.

Kortom, het gemak waarmee de financiële afhankelijkheid van vrouwen wordt gebombardeerd tot een vrije keuze waarmee anderen zich niet hebben te bemoeien is een vorm van elitair luxe-denken. Voor teveel vrouwen in Nederland, autochtoon èn allochtoon, gaat het wel om een gedwongen keuze die het gevolg is van slechte opleidingen, een gebrek aan kansen en ouderwetse rolpatronen.

In de vrouwenbeweging is het besef van de noodzaak van economische zelfstandigheid van vrouwen heel lang dwingend aanwezig geweest. Pas de laatste jaren maakt dit onder een aantal vooraanstaande vrouwen – nu van een werkelijke vrouwenbeweging geen sprake meer is – plaats voor de gedachte dat vrouwen ‘zelf verantwoordelijk zijn voor hun toekomst, en ook voor het gebrek er aan’.

Niet alleen komt mij dit vreemd en niet-solidair voor jegens de vrouwen die het minder hebben getroffen, de luxe-feministen lijken ook te miskennen dat ons in de toekomst grote arbeidstekorten wachten. Naar schatting zijn er in 2025 470.000 extra werknemers nodig in de zorg, terwijl de beroepsbevolking in die periode slechts stijgt met 20.000 arbeidskrachten. Ook in het onderwijs worden grote tekorten verwacht, waar op dit moment een kwart van de werknemers boven de 50 jaar is.

De vrouwenbeweging heeft in het verleden, net als overigens mijn partij GroenLinks, altijd gepleit voor een ontspannen arbeidsmarkt, waarin iedereen redelijke uren (veelal in grotere deeltijdbanen) werkt. Ik streef niet na dat alle vrouwen en alle mannen fulltime gaan werken. Ik streef na dat elk mens in Nederland – ongeacht het samenlevingsverband – door in ieder geval een grotere èn beter betalende deeltijdbaan, zelfstandige financiele en maatschappelijke keuzes kan maken.

Als de arbeidsparticipatie onder vrouwen zo dramatisch laag blijft als zij nu is, dan zal de toenemende hoeveelheid werk zich concentreren onder de partners die veelal al fulltime werken. Als daarbij slechts een minderheid van de vrouwen economisch zelfstandig blijft, zoals nu het geval is, zal door het gebruik van uitkeringen – bijvoorbeeld door een toenemend aantal echtscheidingen – de verzorgingsstaat onbetaalbaar worden. Dan is het ook realistisch om te veronderstellen dat armoede – meer nog dan het nu al is – een vrouwenprobleem wordt.

Er is dus een belangrijke economische reden dat de overheid vrouwenemancipatie opnieuw ter hand neemt en kritisch is op de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen die veel regelingen nog steeds produceren. Dit betekent dat paal en perk wordt gesteld aan ongelijke beloning van mannen en vrouwen, dat de aanrechtsubsidie verdwijnt die vooral vrouwen aanmoedigt om thuis te blijven en dat alleenstaande moeders wel degelijk een sollicitatieplicht krijgen: thuis mogen blijven met je kinderen en een bijstandsuitkering is namelijk geen luxe, het is armoede. Het betekent ook dat deeltijdarbeid beter betaald moet worden, dat de kinderopvang goed en betaalbaar is en dat er uitgebreide verlofregelingen zijn voor vrouwen èn voor mannen en dat deze ook toegankelijk zijn voor lage inkomens.

Maar, voor deze lezing belangrijker dan de economische effecten, is wat sociale en economische achterstand voor de betrokken vrouwen zelf betekent.

Vrijheid is ook in een rijk land als Nederland nog altijd ongelijk verdeeld. Bij een hoger inkomen, bij een betere opleiding is de vrijheid om je eigen leven naar believen in te richten, over het algemeen groter. Kansarme mannen zijn vaak onvrijer in de keuzes die zij kunnen maken dan kansrijke mannen. Veel autochtonen kennen door hun geboorteplek en hun startpositie in het leven een grotere keuzevrijheid dan allochtonen. Veel mannen zijn vrijer dan vrouwen en kansrijke vrouwen hebben veel meer keuzemogelijkheden dan kansarme vrouwen.

Behalve voor nieuw politiek emancipatie-elan, pleit ik ook voor hernieuwde, feministische solidariteit. De vrouwenemancipatie was niet afgerond toen voor kansrijke meisjes de universiteitsdeuren opengingen en zij hun plek op de arbeidsmarkt konden gaan vinden. Achter hen, en op grote afstand, zijn er veel kwetsbare meisjes en vrouwen, die door een gebrek aan opleiding, door oude rolpatronen en culturele en religieuze tradities, weinig perspectief hebben en soms noodgedwongen in financiële afhankelijkheid leven.

Toen ik opgroeide zei mijn moeder vaak tegen mij dat het een vergissing is om te denken dat emancipatie leuk of gemakkelijk is. Ik denk dat zij daarbij geïnspireerd was door de werken van Annie Romein-Verschoor. Inderdaad kan het voor veel, vooral bevoorrechte vrouwen gemakkelijk en een luxe zijn om er voor te kunnen kiezen om thuis te blijven bij hun kinderen. Ik bestrijd dat zij daar verstandig aan doen: om maatschappelijke redenen en met het oog op hun eigen toekomst.

Maar voor mij is het onverteerbaar dat we wegkijken bij de achterstand en achterstelling van vooral laagopgeleide en kansarme vrouwen onder verwijzing naar ‘de eigen verantwoordelijkheid’ en hun ‘keuzevrijheid’. Hun emancipatie, hun groei naar economische en sociale zelfstandigheid is niet gemakkelijk, het zelfs heel weerbarstig. Maar het is noodzakelijk en het vergt onze solidariteit.

cc-foto: Anne Helmond, Femke Halsema tijdens haar feest voor internetvrijheid op 27 februari

Geef een reactie

Laatste reacties (52)