23

Nederland verdient een hoger politiek peil

Thorbeckelezing van Maurice de Hond: Peilingen en de stand van de democratie

In Thorbeckelezing 2013 wordt stilgestaan bij de invloed van de ‘peilingendemocratie’. Maurice de Hond, de meest bekende peiler van Nederland, geeft zijn visie op het fenomeen peilingen. Hieronder een samenvatting van de voordracht en een link naar de volledige lezing.

Lees hier de volledige lezing. Lees verder voor de samenvatting
Democratie anno 2013

Er zijn maar weinig landen die wij democratisch noemen waar de invloed van de burger op het beleid zo klein is als in ons land. Dat geldt op alle niveaus: landelijk en lokaal. Er is bijvoorbeeld vrijwel geen Westerse democratie te vinden waar burgers niet naar de stembus gaan als de termijn van de zittende burgemeester erop zit.

Ook op nationaal niveau hebben we weinig invloed op de politiek. (..) tijdens regeerperiodes zijn er geen referenda waarmee de burgers richting kunnen geven aan vragen op controversiële kwesties. Maar ook als het tijd is om een nieuwe regering te vormen hebben we weinig in te brengen. 

De snel veranderende wereld
Zeker na de invoering van het algemeen kiesrecht kan je stellen dat het bestel uit 1848 goed werkte tot aan de jaren zestig van de vorige eeuw. (..) Bij de verkiezing van 1959 verschoven in totaal zestien zetels van partij. Vijfendertig jaar later waren dat er al 62; de verzuilde samenleving lag inmiddels ver achter ons. In 2002 verschoven er maar liefst 82 zetels.

Mijn ouders, geboren rond 1915, groeiden op in de tijd van de verzuiling. Mijn moeder had nauwelijks meer dan de lagere school; dat gold voor het overgrote deel van haar generatie. (..) Hoger onderwijs was voor één procent van de bevolking weggelegd geweest. Niet meer dan drie procent had een opleidingsniveau dat vergelijkbaar is met het huidige VWO.

Hoe anders is dat nu. Een kwart van de bevolking heeft een HBO- of universitair diploma. Minder dan tien procent heeft alleen maar lagere school. (..) Net zo ingrijpend is de nieuwsvoorziening in de afgelopen vijftig jaar veranderd. (..) 

De combinatie van een hoger opleidingsniveau en een veel opener medialandschap met een politiek bestel dat stamt uit 1848 doet het Binnenhof in al zijn voegen kraken: 5 Tweede Kamerverkiezingen in 10 jaar.

Peilingen in de 21e eeuw
(..) Vanaf 2002 volg ik opinies via internet, in samenwerking met No Ties uit Monnickendam. (..) Per week peilen we – naast de wekelijkse peiling van politieke voorkeur – gemiddeld drie keer de mening over een actueel onderwerp. En ik ben echt niet de enige.

Door dit alles is de mening van de Nederlanders over belangrijke onderwerpen in samenhang met hun politieke voorkeur vrijwel direct bekend. Die informatie gaat een rol spelen in de media, bij de politici, wat ook weer invloed kan hebben op de mening van burgers. Een volstrekt nieuwe situatie in vergelijking met vroeger.

De ontstane situatie schuurt pijnlijk met het bestel, dat pretendeert gebaseerd te zijn op de wil van het volk, maar die pretentie al lang niet meer kan waarmaken.

Al voordat de regering besluiten neemt en de Tweede Kamer kan afwegen of men er mee instemt, is immers al duidelijk of er in de samenleving draagvlak onder de burgers is.

Het aantal peilingen van de politieke voorkeur en over actuele onderwerpen is de afgelopen 10 jaar sterk toegenomen. Daardoor ingegeven is het woord ‘peilingendemocratie’ opgedoken. (Maar..) Het probleem waarmee ons stelsel kampt, is niet het regelmatig publiceren van peilingen waaruit blijkt wat burgers vinden, en waaruit met enige regelmaat blijkt dat voorstellen die een Kamermeerderheid hebben geen meerderheid aan voorstanders onder de bevolking ontmoeten.

Nee, het probleem van ons bestel is dat het geënt is op een wereld die we al ver achter ons hebben gelaten. Dat voorstellen enkel gelegitimeerd hoeven te worden door een meerderheid in het parlement en van de fictie wordt uitgegaan dat dit dus gesteund wordt door de meerderheid van de bevolking.   

Peilingen kunnen de discrepantie tussen de wens van de kiezers en de feitelijke besluitvorming direct zichtbaar maken, en daardoor inderdaad ook bijdragen aan onvrede over de werking van de politiek.

Maar wat moet daar de conclusie uit zijn? Dat we peilingen in verkiezingstijd beperken? (..) Of moet de conclusie zijn dat ons stelsel amper nog de naam democratisch mag hebben en dringend moeten aanpassen aan de wereld van de eenentwintigste eeuw? Dat we juist gebruik moeten maken van het sterk gestegen opleidingsniveau van de bevolking, en de vele mogelijkheden die nieuwe media ons bieden ten aanzien van zowel het meten als genereren van het draagvlak onder de bevolking?

Naar een nieuw stelsel
Het voorbeeld van Thorbecke uit 1845 volgend heb ik een paar jaar geleden een politiek stelsel geschetst dat wel aan de eisen van deze tijd zou kunnen voldoen.

• Natuurlijk moeten we als allereerste de Eerste Kamer afschaffen, en zo alsnog recht doen aan de door iedereen zo hoog geprezen Thorbecke, die dit al in 1848 voorstelde.

• Elke vier jaar worden tegelijkertijd de premier en het parlement gekozen. De premier zonodig in twee ronden, zoals in Frankrijk bij de presidentsverkiezingen.

• De premier kan zijn of haar eigen regering samenstellen, die niet door de Kamer hoeft te worden geaccordeerd. De premier krijgt van de kiezer het mandaat om te regeren en de Kamer om te controleren.

• Wordt een voorstel van de regering niet aangenomen door de Kamer, dan kan de regering via een (tegenwoordig snel en gemakkelijk on line te organiseren) referendum vaststellen of het regeringsvoorstel wel of niet op steun van de bevolking kan rekenen. Als de bevolking het voorstel steunt, gaat het alsnog door. Het probleem om de juiste formulering van de vraag te vinden, doet zich niet voor; het gaat er immers om dat de burger zich voor of tegen het regeringsvoorstel uitspreekt zoals dat aan de Kamer is aangeboden.

Hierdoor zullen zowel Kamer als regering meer geïnteresseerd raken in het organiseren van  draagvlak onder de bevolking en zich minder concentreren op draagvlak op het Binnenhof. En als dat draagvlag onder de bevolking er is zal de kans kleiner zijn dat de Kamer het regeringsvoorstel verwerpt.

• Dit systeem wordt gecompleteerd door een correctief referendum, dat kan worden aangeroepen als de Kamer een regeringsvoorstel wel aanneemt. Binnen een periode van vier weken kunnen kiezers om een correctief referendum vragen. Doet meer dan vijf procent van de kiezers dat, dan wordt zo’n referendum georganiseerd, Alleen tegenstanders hoeven op te komen; zijn dat er meer dan 50% van de opgekomen kiezers tijdens de Kamerverkiezingen, dan wordt het voorstel alsnog verworpen. (Op basis van de laatste verkiezingen zouden dat circa vijf miljoen mensen moeten zijn.)

De Thorbeckelezing wordt georganiseerd door de Vereniging Thorbeck in samenwerking met Campus Den Haag van Universiteit Leiden en de Galan-groep.

Geef een reactie

Laatste reacties (23)