Laatste update 09:46
119

Steeds meer mensen arm ondanks werk

Het aantal werkende armen in Nederland groeit sinds 1990 maar nam vooral sinds de eeuwwisseling fors toe met maar liefst zestig procent. In 2014 waren er ongeveer 320.000 werkende armen, oftewel 4,6% van alle werkenden. Van hen werkten er 175.000 in loondienst, en 145.000 als zelfstandige. Arm zijn betekent dat je te weinig geld hebt om zelfs een karig bestaan te leiden. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) dat het onderzoek naar de arme werkende verrichte hanteert als norm voor armoede het ‘niet-veel-maar-toereikend-criterium’. Dat wil zeggen dat met het verdiende inkomen de minimale kosten van wonen, voeding, kleding en verzekeringen betaald kunnen worden, plus nog een klein bedrag voor sociale activiteiten. Dat komt voor een alleenstaande neer op 1063 euro per maand. Wie daar onder zakt is arm. Scholieren en studenten met een bijbaan zijn in het onderzoek buiten beschouwing gelaten.

In de periode 2001-2014 is de teruglopende koopkracht van werknemers door de achterblijvende loonontwikkeling vermoedelijk de belangrijkste reden dat het aandeel werkende armen toenam van 3,1% naar 4,6%. Ook de dalende winsten van zelfstandigen en toenemende werkloosheid in huishoudens speelden na de eeuwwisseling waarschijnlijk een rol. De groei van het aandeel zzp’ers verklaart een kleiner deel van de toename, schrijft het SCP.Werknemers zijn vooral arm door weinig gewerkte uren, zelfstandigen door een laag uurinkomen.

Het SCP constateert dat de overheid, de lokale gemeente, weinig aandacht heeft voor de groep. Zij richten zich vooral op mensen met een uitkering en vinden het moeilijk werkende armen te bereiken, zeker als zij geen kinderen op school hebben zitten of nooit een bezoek aan de huisarts brengen. Met name zelfstandigen zijn daarnaast vaak minder geneigd om hulp te vragen, is de ervaring.

Gemeenten schenken in hun beleid relatief weinig specifieke aandacht aan werkende armen. Ze geven zelf vaak aan dat ze deze groep moeilijk kunnen bereiken en veronderstellen regelmatig dat dit afdoende gebeurt via de inkomens- en werkvoorzieningen die voor iedereen beschikbaar zijn. Als er specifiek beleid wordt gevoerd, betreft het vaak mensen die werken naast een bijstandsuitkering. Arme werkenden zonder bijstandsverleden hebben de gemeenten echter niet goed op de radar. Dat gaat met name om groepen die gemeenten niet via andere kanalen (scholen, huisarts) bereiken, zoals huishoudens zonder kinderen; en om groepen die vaak minder geneigd zijn hulp te vragen, zoals zelfstandigen. Er is weinig zicht op de effectiviteit van het gemeentelijk armoedebeleid voor werkende armen: dit wordt niet systematisch bijgehouden.

Nederland telt meer werkende armen (5,3 procent) dan Denemarken (3,5) en België (4,3) maar weer veel minder dan Duitsland en het Verenigd Koninkrijk waar met respectievelijk 9,4 en 12,4 procent het aandeel veel hoger is.

Naarmate de bevolking in een land sterker hecht aan uiteenlopende aspecten van werk (de beloning, arbeidszekerheid, tijd voor andere zaken, ontwikkelmogelijkheden) is de armoede onder werkenden hoger. Dat laatste geldt ook als de visie op de maatschappelijke rollen van mannen en vrouwen in een land meer traditioneel is, en het arbeidsethos hoger (hetgeen kan inhouden dat men eerder werk aanvaardt dat weinig opbrengt). Het valt op dat Nederlanders veel aspecten van werk belangrijker vinden dan de Denen, Duitsers en Belgen. Dit betreft niet alleen de beloning, maar ook zaken als geschikte werkuren, ruime vakanties, gezinsvriendelijkheid van het werk en de geboden ontwikkelingsmogelijkheden. Bovendien heeft de Nederlandse bevolking verhoudingsgewijs traditionele opvattingen over de maatschappelijke rollen van mannen en vrouwen, en naar internationale maatstaven een zeer laag arbeidsethos. Tezamen genomen is dit een vrij uniek cultureel patroon, dat goed past bij de feitelijke verdeling van arbeids- en zorgtaken in Nederland.

“Werkende armen in een tijd van economisch hoogtij, dat is dus wat je krijgt als je ondernemers elkaar naar beneden laat concurreren op loon, flexwerk maar laat doorwoekeren en geen fatsoenlijk loonbod doet aan de cao-tafel.” Dat is de eerste reactie van CNV-voorzitter Maurice Limmen op het SCP-rapport over het toenemende aantal werkende armen in Nederland. “Het is dan ook nú het moment om daar wat aan te doen: het kabinet moet optreden tegen de uitbuiting van ondernemers in schijnconstructies, maatregelen nemen om de doorgeschoten flex terug te brengen en de werkgevers moeten eindelijk eens over de brug met een fatsoenlijk loonbod aan de cao-tafel. Maak flexwerk duurder dan vast. Zo kunnen werkgevers zelfstandigen en mensen in loondienst niet meer tegen elkaar uitspelen. Repareer het dak als de zon schijnt! Zodat werk straks weer voor iedereen een fatsoenlijke boterham oplevert, zoals het hoort.”

Lees het hele rapport ‘Als werk weinig opbrengt; Werkende armen in vijf Europese landen en twintig Nederlandse gemeenten’ hier.

cc-foto: Franklin Heijnen

Geef een reactie

Laatste reacties (119)