Laatste update 12:16
129

Stijgende armoede treft allochtone kinderen het hardst

De armoede in Nederland is in 2014 opnieuw gestegen, maar dan vooral onder kinderen. Dat blijkt uit een nieuwe rapportage van het CBS. Het aantal minderjarige kinderen dat leefde met wat het CBS ‘risico op armoede’ noemt steeg de afgelopen jaren van 314.000 kinderen in 2010, naar 421.000 in 2014. De armoedecijfers zijn daarmee terug op het niveau van 2004, tussen 2005 en 2010 was sprake van een daling. 131.000 kinderen leven al vier jaar of langer in relatieve armoede, 16.000 meer dan in 2013.

12,5 procent onder lage inkomensgrens
Het CBS spreekt van ‘laag inkomen’ of ‘kans op armoede’ bij inkomens die zo laag zijn dat zaken als nieuwe kleren, vakantie, sport en muziekles er vaak bij inschieten. De lage inkomsgrens is afhankelijk van de gezinssamenstelling: voor een stel met twee kinderen lag de lage-inkomensgrens in 2014 op 1920 euro netto per maand. Huishoudens met kans op armoede zaten daar in 2014 gemiddeld 12,5 procent onder.

Bijna de helft van deze kinderen groeit op in een bijstandsgezin, maar een derde maakt deel uit van huishoudens waarvan betaald werk de belangrijkste inkomensbron vormt. Dat kinderen in eenoudergezinnen het meest risico lopen op langdurige armoede blijkt ook uit de leeftijden, de oververtegenwoordiging manifesteert zich het sterkst in de leeftijdsgroep van 5 tot 10 jaar. Naarmate de kinderen ouder worden neemt het risico steeds verder af. Doordat ouders van schoolgaande kinderen makkelijker kunnen gaan werken stijgt het huishoudensinkomen.

grafiek1 op de 3 kinderen
Kinderen in ‘allochtone’ gezinnen worden het hardst getroffen door de stijgende armoede. 1 op de 3 kinderen met een niet-westerse achtergrond leeft in gezinnen met een laag inkomen. Het risico op armoede is 4 keer zo hoog als bij kinderen van autochtone Nederlanders. Als het gaat om langdurig laag inkomen is het risico voor niet-westerse huishoudens bijna 6 keer zo groot als bij huishoudens van autochtone Nederlanders. Ook nam hun aandeel in verhouding tussen 2013 en 2014 sterker toe. De economische crisis wordt door deze gezinnen extra hard gevoeld.

Het aandeel minderjarige kinderen van niet-westerse herkomst dat in een huishouden met een laag inkomen opgroeide, daalde tussen 2000 en 2010 per saldo met bijna 15 procentpunt, maar nam als gevolg van de crisis tussen 2010 en 2014 weer met 7 procentpunt toe. De cijfers van het totaal van niet-westerse huishoudens versterken dat beeld. De bijna 10 procentpunt herstel van voor 2010, werden in de vier jaar daarna vrijwel volledig teniet gedaan. Volgens het CBS is de dynamiek van werk naar uitkering en omgekeerd bij niet-westerse allochtonen groter dan bij autochtonen, vooral onder jongeren. Waar het percentage met een laag inkomen in economisch mindere tijden (2005, 2009 en 2011–2014) sterker toeneemt dan gemiddeld, neemt het in economisch gunstigere tijden (2006–2007) juist harder af.

Armoede werkt generaties lang door
Desondanks werkt armoede ook in Nederland vaak nog generaties lang door. Kinderen uit gezinnen die moeilijk rond kunnen komen hebben een hogere kans om later zelf ook onder de armoedegrens te eindigen. 20 procent van de kinderen die rond 1990 opgroeiden in een gezin dat langdurig van een laag inkomen moest rondkomen, liep bijna 25 jaar later als volwassene ook risico op armoede. Twee en een half keer vaker als kinderen van ouders met een hoger inkomen. Het CBS voorspelt voor 2015 en 2016 een lichte daling wat betreft het risico op armoede, maar verdere groei van de groep met een langdurig laag inkomen.

Steeds meer kinderen groeien op in armoede

Wie in armoede belandt, blijft daar meestal

Geef een reactie

Laatste reacties (129)