47

Twee derde van leraren ziet moslimdiscriminatie op voortgezet onderwijs

Moslimdiscriminatie komt met 61 procent vaker voor dan antisemitisme (36%) of
discriminatie van christenen (30%), maar minder vaak dan discriminatie van
homoseksuelen (77%)

Bijna twee op de drie docenten (61 procent) in het voortgezet onderwijs is getuige van incidenten die zij in verband brengen met moslimdiscriminatie op school. Zij zien dat er veel grievende opmerkingen over de islam en moslims in het algemeen gemaakt worden, maar moslims worden tijdens scheldpartijen ook persoonlijk aangevallen op hun geloof.

De woorden ‘Turk’, ‘Marokkaan’ en ‘moslim’ worden hierbij als scheldwoorden gebruikt.

Dit blijkt uit een onderzoek in opdracht van de Anne Frank Stichting en FORUM en is een vervolg op het onderzoek in 2013 naar antisemitisme in het voortgezet onderwijs. Er deden 498 docenten mee.

Voorvallen vinden vaak plaats op het praktijkonderwijs, waar 78 procent van de docenten moslimdiscriminatie waarneemt, of op het VMBO kaderberoepsgerichte leerweg (70 procent) en minder vaak op de HAVO (55 procent) of het VWO (51 procent). Docenten die les geven op scholen in een ‘weinig stedelijk gebied’ zijn vaker (73 procent) getuige van voorvallen, dan docenten in een zeer sterk stedelijk gebied (45 procent).

Daders zijn over het algemeen autochtone jongens, slachtoffers zijn meestal jongens van Marokkaanse of Turkse komaf. In respectievelijk 36 procent en 30 procent van de gevallen zijn daders en slachtoffers gemengde groepen van jongens en meisjes.

Docenten grijpen in, maar melden niet
Van de docenten zegt 94 procent in te grijpen als zich een geval van discriminatie tegen moslims voordoet. Ze spreken de dader aan, maar lichten minder vaak derden in. Volgens de onderzoekers zou dit verband kunnen hebben met het feit dat docenten de ernst van de gevallen niet hoog in schatten. Op een schaal van 1 tot 10 geven zij gemiddeld een 4,4 om de ernst van een voorval aan te duiden.

Daders zijn soms slachtoffer en andersom
Opmerkelijk aan de antwoorden van docenten, is dat zij soms zeggen dat islamitische leerlingen (20 procent) of leerlingen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond (beide 18 procent) als dader betrokken zijn bij een voorval van moslimdiscriminatie. Tegelijk is volgens docenten bijna een derde van de slachtoffers van moslimdiscriminatie autochtoon (27 procent). Ook christelijke (16 procent), joodse (6 procent) en hindoestaanse (2 procent) leerlingen worden gezien als slachtoffer van voorvallen over of tegen moslims. Dat klinkt vreemd, maar zou erop kunnen duiden dat grievende uitspraken over de islam en moslim worden gebruikt in ‘gewone’ ruzies, discussies of scheldpartijen, aldus de onderzoekers die zich hierbij baseren op toelichtingen van docenten.

Aanleiding voor een incident is veelal (media)aandacht voor overlast en crimineel gedrag van moslims. Ook aandacht voor terrorisme of terroristische organisaties in binnen- en buitenland wordt door docenten als mogelijke aanleiding van de incidenten gezien.

Lees ook de opinie van Ahmed Marcouch: ‘Wie zwijgt, stemt toe’

Cc-foto: bies

Geef een reactie

Laatste reacties (47)