18.896
49

Schrijfster

Ann De Craemer is schrijfster. Ze trok door Iran tijdens de beruchte presidentsverkiezingen van 2009 en schreef daarover in 'Duizend-en-één dromen' (2010), dat werd genomineerd voor de VPRO Bob den Uylprijs. Ze gaf de katholieke kerk een snoeiharde veeg uit de pan in 'Vurige tong' (De Bezige Bij, 2011), en liet een andere kant van de wielrennerij zien door het leven van een gewone koersliefhebber te vertellen in 'De seingever' (De Bezige Bij, 2012). Momenteel werkt ze aan een nieuwe roman, die komende zomer bij De Bezige Bij verschijnt.

Aandachtshoer: Heleen van Royen

Directeur Letterkundig Museum spuwt op het graf van Nescio

Wanneer het regent in Roosendaal, zegt men in Vlaanderen wel eens metaforisch, dan druppelt het al snel in Antwerpen. Zijnde: wat in Nederland gebeurt – taalkundige ontwikkelingen zijn daar een goed voorbeeld van – is vaak een voorbode van een evolutie die zich daarna ook in de zuidelijke Nederlanden zal voltrekken.


Als dat maar niet geldt voor de tamponselfie van Heleen van Royen, dacht ik toen ik deze week het fragment uit De Wereld Draait Door zag waarin de schrijfster sprak over haar selfie-expositie in het Letterkundig Museum in Den Haag.

Het woord ‘selfie-expositie’ staat vooralsnog niet in de Dikke Van Dale, maar dat geldt, sinds deze week ons woordenboek werd geüpdatet, wel voor de term ‘aandachtshoer’. Misschien moet Van Dale, gesteld dat het woord ooit definitief in het woordenboek wordt opgenomen, er gewoon ‘Heleen van Royen’ naast plaatsen. Iedereen zal meteen begrijpen wat met ‘aandachtshoer’ wordt bedoeld. 

De stemming van een string
Zelf probeerde Heleen tijdens De Wereld Draait Door een kunstzinnig antwoord te formuleren op de vraag waarom ze er ooit mee was begonnen zichzelf om de zoveel dagen te fotograferen. Ze kwam op het idee in Parijs, waar ze de Venus van Milo zag. ‘Die vond ik zo mooi. Die verandert nooit, ik wel.’ Ah, Heleen heeft er warempel over nagedacht! Ze is een vrouw in de overgang en wil met haar selfies haar veranderende lichaam laten zien. Haar overgang moet ook de aanwezigheid van de inmiddels beruchte tamponfoto in tentoonstelling en bijbehorend boek verklaren: “Het is iedere keer weer feest als je bloed ziet”, aldus La Van Royen. Bovendien vindt ze dat de selfies die je doorgaans op onze sociale media ziet alleen maar vrolijk zijn, terwijl zij zichzelf ook in slechtere tijden heeft willen fotograferen. Nochtans laat de expositie vooral billen, borsten, strings en jarretellen van Van Royen zien, en daaruit kan je volgens mij weinig afleiden over de stemming van de schrijfster.  

De totale nivellering

Maar goed, over tot de orde van de dag, en tot de vraag die sinds de tamponuitzending door mijn hoofd spookt: waarom in godsnaam is het Letterkundig Museum bereid een expositie te wijden aan tweehonderd selfies van een schrijfster die ik er nooit heb van verdacht tot de letterkunde te kunnen worden gerekend, en die, op haar best, chicklit van een bedenkelijk niveau produceert? Dat Heleen van Royen ook haar ziel zou verkopen om aandacht te krijgen, dat wisten we al – maar het Letterkundig Museum? Directeur Aad Meinderts verantwoordt de expositie door te zeggen dat ze ‘een inkijkje in een schrijversleven’ biedt, maar wat in godsnaam hebben foto’s van Heleen-in-bad en Heleen-in-bed met haar schrijversleven te maken – behalve dan dat, jaja, ook schrijvers slapen en af en toe een bad nemen? Mensen die waarlijk geïnteresseerd zijn in letterkunde, lopen sowieso al met een boog om Heleen van Royen heen, en zullen niet staan popelen om deze expo te bezoeken. Maar daar is het Meinderts ook niet om te doen: met de expo wil hij de voyeuristische massa naar zijn museum lokken. 

En ja, daar word ik als schrijver kwaad om, omdat Meinderts de literatuur in één hok stopt met wat ik alleen maar goedkope aandachtshoererij kan noemen. “Het maakt niet uit wat je vindt”, zegt Meinderts. “Als je maar niet denkt dat ons museum uitsluitend een historisch-literair geweten mag zijn.” Wel, beste Aad, dat vind ik dus wél. Moet alles in onze maatschappij, en dus ook de literatuur, zo nodig worden genivelleerd en naar beneden gehaald? Mogen we van een Letterkundig Museum ook nog verwachten dat het niet plat op de buik gaat voor commercie, of is dat te veel gevraagd?

Spuwen op het graf van Nescio
Gisteren haalde in Groot-Brittannië de literatuur ook het nieuws. Niet met tampon en kut van een vrouw wier talent voor zelfpromotie vele malen groter is dan voor de schrijverij, maar met de nationale bibliotheek, die 1.200 persoonlijke documenten van literaire grootheden online zette. Het gaat om digitale versies van handgeschreven manuscripten, dagboeken en brieven van schrijvers uit de romantiek en de victoriaanse tijd, onder wie Charles Dickens en Jane Austen.

Misschien kan dat Aad Meinderts op een idee brengen, maar zoveel aandacht als met Van Royen krijg je daar natuurlijk niet mee. Wat ik Meinderts nog het meest verwijt, is dat hij de expo verantwoordt en Van Royen verdedigt door te zeggen dat ‘Nescio in zijn tijd ook niet werd begrepen’.

Dat Nescio, een van de grootste Nederlandstalige schrijvers en stilisten ooit, in één adem wordt genoemd met Van Royen, is reden genoeg waarom de auteur van Titaantjes zich in zijn graf mag omdraaien, en waarom ik me van Meinderts afvraag of hij het nog wel verdient de bewaker van ons literaire erfgoed te zijn. 

De Seingever cover


Het laatste boek van Ann is De Seingever (2012)


Vind Ann leuk op Facebook

Geef een reactie

Laatste reacties (49)