1.122
6

Directeur Stichting Vluchteling

Tineke Ceelen is sinds 2003 directeur van de Stichting Vluchteling. Ze werd opgeleid als cultureel antropoloog en heeft voor verschillende hulporganisaties gewerkt, zowel in de noodhulp, als in de ontwikkelingssamenwerking. Van 1993 tot 1997 was ze hoofd van de afdeling uitzendingen van Memisa. Daarna werkte ze tot in 2000 als programma coördinator voor het Rode Kruis in Tibet en van 2000 tot 2002 voor SNV in Kameroen. In 2009 schreef ze het boek ‘Hier en daar een crisis’ over haar ervaringen.

Aantallenhokuspokus

“Hoeveel vrouwen zijn er nu echt verkracht in Congo?,” vroeg Thea Hilhorst, hoogleraar humanitaire hulp zich onlangs af op Joop.nl.

Hoeveel Pakistani zijn daadwerkelijk getroffen door de overstromingen in hun land, hoeveel werden dakloos, hoeveel kwamen zonder inkomen te zitten, hoeveel ontberen schoon drinkwater en hoeveel slachtoffers hebben honger? Hoeveel Oezbeken vluchtten deze zomer voor het geweld in de Kirgizische stad Osh, kwamen weer terug en verkeren in een situatie van diepe nood? De aantallen vluchtelingen en ontheemden ten gevolge van het sektarische geweld in Irak zijn altijd schimmig gebleven. Miljoenen, da’s wel aannemelijk, maar hoeveel precies kan niemand met ook maar enige vorm van zekerheid zeggen, niemand hield betrouwbare statistieken bij.

Cijfers zijn boterzacht in grote humanitaire crises. Altijd en per definitie. De chaos, het geweld, de risico’s en het gevaar staan niet toe dat tellingen op ordelijke wijze, met naar westerse maatstaven acceptabele methodes plaatsvinden. Er zijn geen betrouwbare controles, nee zelfs geen cijfers die als uitgangspunt kunnen dienen zoals bijvoorbeeld het aantal inwoners van dorp x in Somalië voordat de pleuris losbarstte en een deel, of alle bewoners halsoverkop elders een veilig heenkomen zochten.

Daarbovenop, of daaraan voorafgaand, komen de belangen van slachtoffers, autoriteiten, hulporganisaties en hun donoren of andere groeperingen die gebaat zijn bij hogere of juist lagere aantallen hongerenden, gevluchtten, verkrachtten of daklozen. Tenslotte zijn ook factoren zoals religie, etniciteit en cultuur van invloed. In het geval van verkrachting in Congo: een vrouw of meisje moet erop rekenen dat ze verstoten zal worden door familie en gemeenschap als bekend wordt dat ze onteerd is. Alléén als de fysieke of psychische gevolgen van de verkrachting ernstiger zijn dan dit dreigende sociale isolement zal het slachtoffer geneigd zijn openlijk uit te komen voor hetgeen haar overkwam.

Dit laatste is precies waar Thea Hilhorst over sprak: vrouwen en meisjes die door verkrachtingen in Congo incontinent geraakt zijn, kunnen rekenen op hulp. Zij worden liefdevol ontvangen door westerse hulporganisaties, krijgen hersteloperaties aangeboden en worden begeleid naar een nieuw bestaan.
In Congo zijn ook veel vrouwen incontinent geraakt door complicaties tijdens een bevalling. Deze vrouwen, die door het verlies aan urine en/of ontlasting eveneens in een sociaal isolement terecht gekomen zijn, zijn veel minder ‘populair’ bij de donoren en hulporganisaties. Vindt u het dan gek dat die vrouwen en meisjes een draai geven aan de oorzaak van hun lijden? En dat vaak ook de hulporganisaties die hen helpen, geen moeite doen de daadwerkelijke oorzaak van hun incontinentie te achterhalen?

Hulpontvangers hebben in de loop der jaren heel goed begrepen hoe onze goedgeefsheid werkt. Als wij het belangrijk vinden dat ontwikkelingsprocessen lokale eigenaren hebben, dan krijgen die processen lokale eigenaren. Als wij ‘gender’ een relevant element vinden in een ontwikkelings- of humanitair project, dan moet je ’s zien hoe rap er aandacht is voor gender in aanvragen voor financiering uit India, Colombia of Kameroen.

Wij vinden het ‘sexy’ om vrouwen en meisjes in Congo te helpen die, vaak meerdere keren, op zeer jonge leeftijd verkracht werden. Voor een vrouw, in het zelfde land, die te kampen heeft met nagenoeg dezelfde lichamelijke klachten maar dan niet door een verkrachting maar door medische verwaarlozing, is het veel moeilijker hulp te vinden. Wat zou u doen? Natuurlijk zullen de wanhopige vrouwen die geen andere keuze hebben dan isolement, dan de oorzaak van hun incontinentie richten naar de grootste kans op hulp.
Dat is niet de perversiteit van de hulp zoekende, een straatarme vrouw in het oosten van Congo, maar die van de gevers die niet bereid zijn geld te geven voor een medemens in onhippe nood.

Hoeveel vrouwen werden verkracht in Congo? Ik weet het niet. Veel en veel te veel, dat is een ding wat zeker is. En al die vrouwen en meisjes, één voor één, hebben recht op hulp.

Lees hier het stuk van Thea Hilhorst.

Geef een reactie

Laatste reacties (6)