3.895
250

Oud-minister, hoogleraar

Jan Pronk was onder meer minister van Ontwikkelingssamenwerking en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Thans is hij hoogleraar aan het Institute of Social Studies in Den Haag.

Afscheid van de PvdA

Wie bijna een halve eeuw lid is geweest, vertrekt niet op losse gronden

Wie bijna een halve eeuw lid is van de Partij van de Arbeid neemt niet luchthartig afscheid. Ik heb er geruime tijd over gedacht en lang geaarzeld, maar ik heb besloten mijn lidmaatschap van de partij op te zeggen. Ik ben en blijf sociaaldemocraat. Juist daarom voel ik mij niet langer huis in de PvdA. De partij heeft zich steeds verder van de beginselen van de sociaal democratie verwijderd.

Ik had vorig jaar aanzienlijke bedenkingen tegen het regeerakkoord dat werd gesloten tussen de PvdA en de VVD. Die bedenkingen vloeiden niet voort uit een aversie tegen een paarse coalitie. Integendeel, ik heb zelf met volle overtuiging deel uitgemaakt van twee paarse kabinetten. Maar het huidige regeringsakkoord ademt een andere geest. Het is niet tot stand gekomen via gedegen onderhandelingen over alle paragrafen, leidend tot akkoord dat het gemeenschappelijk eigendom is van beide partijen, maar via een uitruil van onderwerpen, voor ‘elck wat wils’. Dat moge gezien worden als een eigentijdse vorm van politiek management, maar het hield voor de PvdA in dat onderwerpen die tijdens de verkiezingscampagne als essentieel waren gepresenteerd in een oogwenk werden weggegeven. De gevolgen voor zwakkere en kwetsbare groepen, voor wie een sociaaldemocratische beweging zich bij uitstek hoort in te zetten, zijn groot.

Het akkoord is gepresenteerd als de enige mogelijkheid die zich voordeed, zowel in politiek opzicht als beleidsmatig: “We kunnen het niet mooier maken dan het is. We moeten door de zure appel heen bijten. Daarmee wordt de basis gelegd voor economisch herstel dat aan iedereen ten goede zal komen”. Ik heb daar nooit in geloofd. Politiek deden zich meer mogelijkheden voor. Ze zijn niet onderzocht. Beleidsmatig waren en zijn er alternatieven. Ze komen niet aan bod. De onderhandelaars over het regeringsakkoord waren overmoedig en kortzichtig. De uitvoering van dat akkoord ademt een geest van zelfgenoegzaamheid en hoogmoed.

Die kritiek is op zich geen reden om afscheid te nemen van de PvdA. Fouten kunnen hersteld worden, als resultaat van hernieuwd inzicht en politieke strijd. Maar het gaat niet alleen om fouten. De basiswaarden van de sociaaldemocratie zijn in het geding. De kern daarvan wordt gevormd door het beginsel van solidariteit. Dat beginsel is terzijde geschoven.

Ontwikkelingssamenwerking
Meer nog dan op het terrein van de sociaaleconomische politiek in eigen land, blijkt dat uit de houding ten aanzien van de ontwikkelingssamenwerking en het vreemdelingenbeleid. De PvdA was de partij die de internationale norm voor welvaartsoverdrachten aan arme landen en kwetsbare bevolkingsgroepen heeft weten te verankeren in het beleid. Dat gebeurde in 1975, door het kabinet Den Uyl. Daarna ging de politieke discussie in ons land alleen over de vraag hoeveel meer dan de minimum norm van 0,7% van ons nationaal inkomen ter beschikking zou worden gesteld. Iedere regering, ongeacht haar politieke samenstelling, heeft de vloer van 0,7% gehandhaafd. De wereld veranderde en armoede en ongelijkheid kregen een ander gezicht, maar de behoefte aan internationale herverdeling van welvaart nam eerder toe dan af. De besteding van de inkomensoverdracht veranderde, maar de eenmaal afgesproken norm niet. Daarom was het zo belangrijk dat het beginsel van internationale solidariteit overeind bleef staan. Ook al hield het geen volkenrechtelijke verplichting in, het was vastgelegd in tal van internationale afspraken en overeenkomsten, en telkens herbevestigd, tot op het hoogste politieke niveau. Het was een morele en politieke verplichting.

Dat juist de PvdA ervoor verantwoordelijk is dat ons land de norm van 0,7% eenzijdig opgeeft, is beschamend. Hiermee is de bodem onder de internationale solidariteit weggeslagen. Ik voorzie dat dit onherstelbaar zal blijken. Dit is geen foutief beleid, maar een verloochening van een kernbeginsel.

Daar komt bij dat het Nederlandse ontwikkelingsbeleid van nu af aan in hoofdzaak wordt gericht op samenwerking met landen en bevolkingsgroepen die reeds een redelijk bestaanspeil hebben bereikt. Samenwerking op basis van solidariteit zou zich vooral moeten richten op de armste, zwakste en meest kwetsbare landen en groepen. Het huidige beleid neemt steeds meer afstand van publieke kanalen en mandaten, en ook van niet-commerciële civiele instellingen, behorend tot het maatschappelijk middenveld. Er wordt groot gewicht gehecht aan samenwerking met het bedrijfsleven, en dus via marktrelaties. Dat wordt beargumenteerd door er op te wijzen dat de wereld nu eenmaal veranderd is, en dat het beleid daarbij aansluiting moet zoeken. Terecht, maar sociaaldemocraten dienen die verandering te duiden aan de hand van een sociaaldemocratische maatschappijvisie. De veranderingen op het wereldtoneel hebben de kapitalistische krachten versterkt. Door de globalisering is de ongelijkheid vergroot, zowel tussen enerzijds het traditionele Noorden van de wereld (het Westen, Centraal en Oost Europa), China, de overige emerging economies en de midden inkomenslanden, en anderzijds de in dat proces achterblijvende en stagnerende economieën, falende staten en inherent arme landen. De economische belangen van Nederland zijn uiteraard vooral gebaat bij een intensivering van de relaties met landen die tot de eerste categorie behoren, en dan vooral met bevolkingsgroepen die in die landen zoveel koopkracht hebben verworven, dat zij interessante marktpartners zijn geworden. Met hen kan een samenwerking worden opgezet op voet van uitruil van belangen, via marktrelaties en commerciële kanalen. Ontwikkelingssamenwerking dient echter, naar goed sociaaldemocratisch inzicht, vooral plaats te vinden op basis van solidariteit, en dan met name met landen en bevolkingsgroepen die in het proces van kapitalistische en geopolitieke globalisering buiten de boot vallen of zelfs systematisch worden weggedrukt. Dat is iets anders dan samenwerking op basis van een uitruil van economisch profijt.

Sociaaldemocratisch ontwikkelingsbeleid dient uit te gaan van een klasse analyse. Wie zegt de wereld te verstaan en van mening is dat die wereld vraagt om een ander beleid, zal moeten erkennen dat de ongelijkheid zich niet meer aftekent langs de grenslijn van destijds, tussen Noord en Zuid, maar loopt door alle landen heen, langs een grens die hogere en middenklassen onderscheidt van een wereld onderklasse. Beleid dat mikt op intensivering van relaties tussen rijkere landen met economische macht, het internationale bedrijfsleven en een wereldwijde middenklasse, die bestaat uit mensen, in welk land dan ook, die beschikken over voldoende koopkracht en markttoegang om zich verzekerd te weten van een behoorlijk bestaan, vergroot de ongelijkheid. Zulk beleid resulteert in nog meer verdringing van mensen die behoren tot de wereldwijde onderklasse, de ‘beneden-wereld’.

In tal van landen wordt thans geopteerd voor een ontwikkelingsbeleid gekenmerkt door minder internationale bijstand, minder publieke actie, minder sociale gerichtheid, meer middenklasse, meer bedrijfsleven, meer commercie, meer markt, meer eigen belang. Helaas geldt dat ook voor ons land. Ook deze ommekeer naar commercialisering van de samenwerking, bovenop het eenzijdig loslaten van een internationale minimumnorm voor de internationale solidariteit, wordt gemaakt onder leiding van de PvdA. Een sociaaldemocratisch ontwikkelingsbeleid zou haaks moeten staan op de conventional wisdom en zich moeten onderscheiden door een andere moraliteit: grotere bereidheid afstand te doen van eigen welvaart ten behoeve van een meer gelijke verdeling daarvan wereldwijd, solidariteit met de onderklasse, waar dan ook, en de bereidheid een en ander te verankeren door verplichtingen aan te gaan, zich daaraan te houden en door langere termijn publieke en sociale overwegingen te stellen boven profijt op korte termijn.

Het vreemdelingenbeleid
Een dergelijk afscheid van sociaaldemocratische beginselen doet zich ook voor in het vreemdelingenbeleid. Dat is in ons land gedurende de laatste tien jaar steeds harder en inhumaner geworden. Het recente regeerakkoord zet die lijn voort. Het desbetreffende hoofdstuk rept niet over solidariteit met mensen die vluchten voor onderdrukking, discriminatie, geweld en een onleefbare situatie in hun thuisland. Het gaat vooral over eisen stellen, doorwerking van eenmaal opgelegde inreisverboden, ontzegging van verblijfsvergunning, bemoeilijking van rechtsgang, uitsluiting en uitzetting van vreemdelingen. Juist de PvdA had zich bij het sluiten van een regeerakkoord – dat nota bene de omineuze titel draagt Bruggen slaan – moeten inzetten voor humaniteit en recht, een menswaardig bestaan en toegang tot basisvoorzieningen voor mensen die tot de wereldwijde onderklasse zijn gaan behoren. In plaats van meer solidariteit ademt het akkoord een geest van discriminatie.

Het sluitstuk daarvan wordt gevormd door de beslissing om illegaal verblijf in ons land te beschouwen als crimineel gedrag en als zodanig strafbaar te stellen. Dit is een brug te ver. Weliswaar geldt deze strafbaarstelling reeds in een aantal andere Europese landen, vooral die landen waar sociaaldemocraten niet in de regering zitten, maar een dergelijk precedent is voor de PvdA nooit een argument geweest bij het formuleren van eigen nationaal beleid. Ook het argument dat de strafbaarstelling van illegaal verblijf in de praktijk een weinig effectief instrument zal blijken te zijn, dus minder kwalijk en eigenlijk wel acceptabel, is een drogreden. De beperkte effectiviteit raakt alleen een afgeleide beleidsdoelstelling – uitzetting – , niet de hoofddoeleinden van een rechtvaardig vreemdelingenbeleid: bescherming en rechtsverschaffing.

Criminalisering van illegaal verblijf is een oude wens van partijen aan de rechterzijde van het politieke spectrum in ons land. Vanuit de PvdA is daartegen gedurende de afgelopen jaren stelling genomen. Dat juist PvdA leidslieden zich er toe hebben verplicht deze wens toch in de wet vast te leggen, is onverteerbaar. Ook dit is een verloochening van beginselen van de sociaaldemocratie.

Strafbaarstelling van illegaal verblijf legitimeert achteraf de verharding die door andere partijen in praktijk is gebracht, een praktijk waartegen de PvdA stelselmatig bezwaar had gemaakt. Die bezwaren zijn met een enkele pennenstreek ongedaan gemaakt en blijken een loos gebaar te zijn geweest: de opstelling van een oppositiepartij, die omdraait als een blad aan de boom, wanneer regeermacht lonkt. De strafbaarstelling legt een hypotheek op mensen: wie eenmaal een strafblad heeft, heeft minder kansen, ook wanneer dat strafblad is ontstaan buiten schuld. Bovendien vormt een eenmaal wettelijk vastgelegde strafbaarstelling een opstapje voor verdere ontmenselijking van beleid, door een regering waar de PvdA geen deel uitmaakt. Zulk een regering komt er vroeger of later.

Strafbaarstelling van illegaal verblijf discrimineert, ontmantelt beschermingsmechanismen en resulteert in schending van mensenrechten. Doordat hun verblijf op zichzelf, dus louter door ergens te zijn, bestempeld wordt als crimineel, ook al kunnen mensen er niets aan doen dat zij hier zijn –  bijvoorbeeld omdat het land van herkomst hen niet wenst toe te laten, ook wanneer zij dat willen – worden mensen bang voor Nederlanders. Feitelijke constateringen – documentlozen – werden bureaucratische omschrijvingen: uitgeprocedeerden. Daarna werden de betrokkenen bestempeld als een aparte mensensoort: illegalen. Thans zijn zij gedoemd tot een bestaan als criminelen. Dat is het tegenovergestelde van bruggen slaan. Het maakt een reeds bestaande kloof onoverbrugbaar.

Ter verdediging is aangevoerd dat het akkoord per saldo een verbetering zou inhouden van de positie van migranten, vreemdelingen en asielzoekers. Dat is inderdaad het geval bij het zogeheten kinderpardon. Dat verdient lof. Maar het is onoprecht dit te beschouwen als een resultaat van onderhandelingen, waarin nu eenmaal altijd gegeven en genomen wordt. Als sociaaldemocraten onderhandelen, ruilen zij niet het welzijn van de ene zwakke groep uit tegen dat van een andere zwakke groep. Sociaaldemocraten onderhandelen door iets af te doen aan de belangen van bevoorrechten ten gunste van een verbetering van de omstandigheden van mensen in achtergestelde posities. Een andere instelling doet aan sociaaldemocratische uitgangspunten tekort.

Zijn er naast het kinderpardon ander verbeteringen uit onderhandeld? Dat wordt wel beweerd, maar het is de opvatting van de onderhandelaars, niet van de betrokkenen zelf. Asielzoekers en vreemdelingen hebben de afgelopen maanden geprobeerd duidelijk te maken dat het akkoord voor hen per saldo een aanzienlijke verslechtering inhoudt. Dat is wat telt. Zeker sociaaldemocraten zouden zich in de beoordeling van een goede dan wel minder goede uitkomst van een onderhandeling moeten laten leiden door het oordeel van de mensen om wie het gaat, in plaats van het eigen oordeel te verabsoluteren. Er is hen niets gevraagd; er is ook niet geluisterd. Dat is een vorm van regentesk politiek bedrijven die sociaaldemocraten niet past.

PvdA politici hebben beloofd zich in te zetten voor verbeteringen, maar de praktijk laat alleen verharding zien. De praktijk wordt mooier voorgesteld dan zij is. Illegaal verblijf is wettelijk nog niet strafbaar, maar het lijkt alsof het kabinet daarop doelbewust vooruit loopt. Steeds meer mensen worden gevangen gezet, zonder iets te hebben misdaan. Plaatsing in isoleercellen neemt toe. Verzet wordt hardhandig afgestraft. Medische zorg wordt ontnomen. Hongerstaking wordt gebroken. Met alleenstaande minderjarige asielzoekers wordt gesold. Uitzettingen worden geïntensiveerd, snel en geniepig, zonder de mensen die zich het lot van de betrokkenen hebben aangetrokken op de hoogte te stellen, om nasporingen vergeefs te maken. Het is een rechtsstaat onwaardig.

Wat dat betreft is er niets verbeterd sinds mijn Ien Dales rede De harde cijfers en hun waarden. Wordt vervolgd, tien jaar geleden, over de praktijk van het vreemdelingenbeleid (1). Daarin ging het over beginselen van rechtsbescherming en non-discriminatie. Die beginselen gelden krachtens artikel 1 van de Grondwet voor iedereen op Nederlandse bodem, maar werden in de praktijk steeds vaker geschonden. Mijn kritiek viel bij het kabinet Balkenende niet in goede aarde. Het was een periode waarin CDA, VVD en LPF regeerden en de PvdA buiten spel stond. Schending van beginselen viel de PvdA niet aan te rekenen. Maar wanneer sociaaldemocraten vervolgens zelf verantwoordelijkheid gaan dragen, dienen zij van het begin af aan beginselen hoog te houden. Wie snel en slordig onderhandelt, om de kans op regeren niet aan zich voorbij te laten gaan, en wie denkt de praktijk wel naar de hand te kunnen zetten, vergist zich. Dat kan op ondergeschikte punten, maar niet wanneer beginselen zijn weggegeven. Daarom gaat het bij het internationale ontwikkelingsbeleid en het vreemdelingen beleid. Fouten kunnen worden gepardonneerd en hersteld. Verloochening is onvergeeflijk en onherstelbaar.

“We laten niemand los”
Er is wel betoogd dat het in de praktijk best meevalt, zowel op het terrein van de ontwikkelingssamenwerking als in het vreemdelingenbeleid. Inderdaad wordt getracht de pil te vergulden, maar wanneer beginselen eenmaal terzijde zijn geschoven, zijn er geen grenzen meer en helt het vlak. Men zou kunnen aanvoeren dat de PvdA reeds jaren geen beginselpartij meer wil zijn, omdat oude beginselen niet meer passen in de moderne tijd. Die partij heeft in de jaren negentig van de vorige eeuw haar ideologie toch afgezworen? Wie zich vooral door pragmatiek laat leiden beroept zich nogal eens op de Den Uyl rede van Wim Kok, uitgesproken in 1995 (2). De ideologische veren zijn toen toch afgeschud? Maar het ging bij dat afschudden uitdrukkelijk niet om beginselen en idealen. Integendeel, de rede droeg als titel: We laten niemand los, en die titel werd herhaald in de slotzin, de conclusie: “(In) een democratie die van iedereen en voor iedereen wil zijn, laten we niemand los. Zo eenvoudig is het dus”.

Omdat het in de praktijk minder eenvoudig was dan het leek, heb ik enkele jaren later in mijn eigen Den Uyl rede Open links (3) uiteengezet wat die uitspraak betekent voor de houding tegenover mensen die behoren tot de onderklasse over de grens, in het bijzonder in ontwikkelingslanden, zoals ik dat in de eerdergenoemde Ien Dales rede had gedaan voor vreemdelingen en asielzoekers. “We laten niemand los”, die uitspraak verplicht tot solidariteit, met iedereen, waar dan ook, niet alleen met wie wij in hetzelfde schuitje zitten, maar met alle slachtoffers van de globalisering, overal: in ons eigen land en daarbuiten. Internationale solidariteit is van het begin af aan een basisbeginsel geweest van de sociaaldemocratie, zonder grenzen en zonder beperkingen. Dat hoort het nog steeds te zijn.

Dat besef is niet richtinggevend geweest bij de politieke keuzes die de PvdA heeft gemaakt bij het sluiten van het jongste regeerakkoord op het terrein van de ontwikkelingssamenwerking en het vreemdelingenbeleid. Sommigen zullen dit als minder belangrijke hoofdstukken beschouwen, maar dat zijn zij niet. Het zijn kernthema’s van een sociaaldemocratisch program.

David Milliband heeft recentelijk de vraag opgeworpen waarom sociaaldemocratische partijen kiezers kwijtraken. De redenen die hij noemde zijn plausibel: door de economische en culturele ontwikkeling van een land krijgen burgers andere belangen en opvattingen, en dat kan leiden tot andere politieke keuzes. (4) Maar ik geloof dat een andere vraag evenzeer gerechtvaardigd is, niet: Why did we lose them?, maar: Why did they lose us? Het antwoord op die vraag heeft niet zozeer te maken met een veranderde houding van burgers, maar met verloochening van uitgangspunten door sociaaldemocratische partijen zelf. Dat is gaandeweg steeds meer het geval bij alle sociaaldemocratische partijen in West Europa, ook de PvdA (5). Het is geleidelijk gegaan, en het is met dit akkoord bevestigd.

Discussie zonder tegenspraak
Dat akkoord is alweer meer dan een half jaar oud. Ik had op dat moment kunnen beslissen mijn lidmaatschap op te zeggen, maar ik heb daarmee een poosje gewacht, in de hoop dat de keuzes die door de leiding van de partij waren gemaakt zouden worden gecorrigeerd door de fractie, het congres en de leden. Dat is niet het geval geweest. De fractie heeft zich gevoegd en het congres heeft ingestemd. Binnen de partij had de discussie over de ontwikkelingsparagrafen weinig om het lijf. Men legde zich gemakkelijk neer bij het argument dat dit nu eenmaal een onderhandelingsresultaat was. Het werd voorgesteld alsof het ‘pijn’ deed, maar het was zogenaamd onvermijdelijk en inherent aan het bedrijven van politiek. Maar dat is een slag in de lucht: de echte pijn van het verzaken van solidariteit wordt niet gevoeld door degenen die beslissingen nemen, maar door de mensen die de gevolgen moeten ondergaan.

Dat geldt ook het vreemdelingenbeleid. De discussie daarover laaide pas in tweede instantie op, maar is gesmoord. Het verzet dat oplaaide aan de basis van de partij is weggemasseerd met halve waarheden omtrent de draagwijdte van het in te voeren wetsartikel, loze beloften omtrent alsnog tot stand te brengen verbeteringen, waarschuwingen dat regeringsdeelname op het spel zou staan wanneer de PvdA op de eenmaal ingenomen positie zou terugkomen en een beroep op de moraliteit: ‘een eenmaal gegeven woord dient niet te worden gebroken’. Echter, iedereen kon met de klompen aanvoelen dat het voortbestaan van het kabinet niet op spel stond. Bovendien, het ging niet om een eenzijdige woordbreuk, maar om een verzoek aan de coalitiepartner van het gegeven woord te worden ontslaan. En ten slotte: er was een hogere moraliteit in het geding dan die van een gegeven woord in een onderhandeling met een gelijkwaardige partner: de plicht recht te doen aan rechtelozen.

Het wegmasseren gebeurde vaardig en de partijleiding is er om geprezen. Maar het was niet waardig. En de wijze waarop beide beginselen ten grave zijn gedragen staat model voor een debat dat die naam niet verdient. Ik kan niet anders dan constateren dat de mogelijkheden tot het voeren van een echt politiek debat binnen de partij over waarden, uitgangspunten, doeleinden, instrumenten, programma en strategie steeds verder zijn afgenomen. Ik weet dat veel leden zich ongemakkelijk voelen bij de ingeslagen koers, maar zij krijgen de ruimte niet. De cultuur binnen de PvdA is naar binnen gekeerd, tegenspraak wordt niet meer aangemoedigd, maar gefnuikt. Het debat is een vraag en antwoordritueel geworden. De uitkomst staat tevoren vast: applaus!

Afscheid
Dit is geen kort afscheidsbriefje. Wie bijna een halve eeuw lid is geweest, vertrekt niet op losse gronden. Zo’n periode noopt tot een onderbouwing van de beslissing om te vertrekken.

Ik heb in de afgelopen decennia veel aan de PvdA te danken gehad. Binnen en vanuit de partij heb ik veel mogen doen, vanaf de eerste periode toen ik voorzitter was van een kleine afdeling (Krimpen aan de Lek), daarna als lid van vele commissies, vicevoorzitter van de partij, lid van de Tweede Kamer, en als Minister in vier kabinetten. Ik ben daar dankbaar voor en heb getracht mij zo goed mogelijk in te zetten en iets terug te geven.

Als sociaaldemocraat werd ik niet alleen geïnspireerd door politieke denkers en doeners als Wiardi Beckman en Banning, die ik niet persoonlijk had gekend, maar werkende weg ook door dominee Buskes, Jan Tinbergen, Joop den Uyl, Harry de Lange en, niet in de laatste plaats, Jaap Lagerwaard, de onvermoeibare man die mij in Krimpen het plaatselijke voetenwerk leerde: langs de deuren gaan, actie op straat, ombudswerk ten behoeve van mensen die het moeilijk hadden, en discussiëren op het grondvlak van de partij over zowel lokale als nationale politiek, met als oogmerk om binnen districten, gewesten en vervolgens op landelijk niveau steun te verwerven voor politieke inzichten. Toen ik zelf de nationale politiek inging, bracht ik niet alleen de inzichten mee die ik als deskundige op mijn eigen terrein had verkregen, maar ook de politieke vorming en ervaring die ik had opgedaan aan de basis van de partij. Die heb ik ook in de jaren daarna zoveel mogelijk benut.

Sedert 1 januari 1965, de dag waarop ik mij aanmeldde als lid, is de partij veranderd. In die periode van bijna 49 jaar zouden zeven fasen van achtereenvolgens elk ongeveer zeven jaar kunnen worden onderscheiden: opschuiving naar (nieuw) links, democratisering, oppositie, heroriëntatie, paarse coalitievorming, verwarring, en – in de laatste zeven jaar – aanpassing aan rechts. Verandering is noodzakelijk, omdat de omgeving verandert, zowel in Nederland als in de wereld. Maar verandering van de partij hoort niet te worden nagestreefd uit angst de aansluiting te verliezen bij een maatschappelijk proces dat als een gegeven wordt ervaren, uit vrees de grip daarop kwijt te raken zodat slechts rest zich daaraan aan te passen, of, erger nog, uit zorg om het behoud van eigen machtsposities. Verandering van de partij dient gedragen te worden door de wens het maatschappelijk proces bij te sturen en de maatschappelijke instituties te hervormen, uitgaande van blijvende beginselen, staande in de traditie van de sociaaldemocratie, met het doel iedereen er bij te trekken en niemand – maar dan ook niemand – los te laten.

Dat doel is losgelaten. In plaats van traditie te koesteren, wordt afstand genomen. Beginselen worden verloochend. Daarom voel ik mij in de Partij van de Arbeid niet meer thuis en heb ik besloten dat huis te verlaten. Ik doe dat met heimwee, maar het is mijn politieke thuis niet meer. Ik ervaar de partij niet langer als sociaaldemocratisch. Ik ben niet voornemens activistisch te gaan ageren tegen mijn oude partij en ik zal ook niet toetreden tot een andere politieke partij. Ik blijf sociaaldemocraat. Ik heb daar ooit voor gekozen en kom daar niet op terug. Waarom ik die keuze heb gedaan heb ik kort geleden nog eens uiteengezet in een betoog over de blijvende waarden van de sociaaldemocratie (6). Mocht er ooit een vereniging van sociaaldemocraten worden opgericht, niet als een alternatief, niet om politieke macht na te streven, maar om het debat te voeren over de betekenis van het gedachtengoed van de sociaaldemocratie in het bestek van de huidige tijd, dan meld ik mij als eerste aan.

(1) “De harde cijfers en hun waarden. Wordt vervolgd”, in: Jan Pronk, Willens en wetens. Gedachten over globalisering en politiek, pp. 250-269, Amsterdam: Bert Bakker (2005)
(2) Wim Kok, “ We laten niemand los”, in: In het spoor van den Uyl. Den Uyl lezingen 1988-2008, pp. 187-216, Amsterdam: Stichting ‘Dr. J.M. den Uyl-lezing’ (2009)
(3) “Open links”, Ibidem, pp. 485-540. Zie ook: Jan Pronk, Het pantser afleggen. Ideeën voor een open politiek, pp. 41-91, Amsterdam: Bert Bakker (2008)
(4) David Milliband, “Why is the European Left Losing Elections?, Speech London School of Economic and Political science, 8 maart 2011. New Statesman, 8 maart 2011
(5) Jan Pronk, “Lost in Expectations. Social Democracy Today”, Speech Flinders University, Adelaide, Australië, 17 februari 2012.
(6) Idem

Geef een reactie

Laatste reacties (250)