5.931
81

eindredacteur Joop

Francisco van Jole is journalist en eindredacteur van Joop.
Verder is hij politiek commentator bij De Nieuws BV en presentator van Draad, een politieke talkshow in Arminius te Rotterdam.

Alles waar ‘euro’ voor staat flopt

Zelfs de euroshopper van Albert Heijn heeft het niet gered

Column uitgesproken op een verkiezingsbijeenkomst van de PvdA in Rotterdam voor de Europese verkiezingen.

We zijn hier in de stad van de Europoort en de Euromast. Dus veel Europeser kun je het niet hebben. Maar dat laat ook meteen het probleem zien: het zijn beide producten van de jaren vijftig. De Europoort is inmiddels verdrongen door de Maasvlakte en de Euromast staat als icoon van Rotterdam in de schaduw van de Erasmusbrug. Rotterdam is daarin niet uniek. Alles wat ‘euro’ heet is de afgelopen tien, twintig jaar als zand door onze vingers geglipt. Eurodisney ging bijna failliet en moest van naam veranderen. De Eurotunnel idem dito, die wordt steeds meer Kanaaltunnel genoemd. De Eurofighter is voornamelijk afbesteld. Zelfs de euroshopper van Albert Heijn heeft het niet gered.

Hoe kon het zover komen?

Laat me dit voorbeeld noemen: in de Eerste Kamer werd gedebatteerd over een verdrag voor verdere Europese samenwerking. Een senator van de PvdA vond het een zwak punt dat nergens gesproken werd over een monetaire of fiscale politiek. De VVD daarentegen stelde dat het allemaal veel te snel ging. Het verdrag waar over gestemd moet worden was volgens de liberale senator een ‘couveusekindje’. De minister van Buitenlandse Zaken keerde zich tegen die beeldspraak. Hij wilde zich niet verdiepen in een biologische beschouwing maar was ervan overtuigd dat deze zuigeling zeer levensvatbaar was. “Wel is er veel zorg en toewijding nodig voor zijn opvoeding om er een sterk en volgroeid wezen van te maken.”

Uit welk jaar stamt die discussie?
Dat was in december 1957 bij de goedkeuring van het verdrag waarmee de EEG werd opgericht. Het is een mythe dat er altijd enthousiast werd gedacht over Europa en dat de burger zich nu tegen Europa keert. Zo was zelfs de benaming Europoort voor het havengebied omstreden, lees je in oude krantenberichten.

De vraag is dan ook niet waarom Europa nu impopulair is, maar waarom het nooit populair is geworden, behalve dan misschien gedurende een korte tijd in de tweede helft van de jaren negentig, maar toen was eigenlijk alles populair.

Het couveusekindje is inmiddels 56 jaar oud. Is de Europese Unie een sterk en volgroeid wezen, zoals minister Luns destijds voorspelde? Misschien, maar dan wel een wezen dat nog steeds bij z’n moeder thuis woont. Goed beschouwd is het helemaal geen wezen. Na een halve eeuw gemeenschap is er geen gemeenschappelijke taal, niet een volk, of een cultuur. Zeg Europa en we weten wat het is, maar we kunnen ons er helemaal niks bij voorstellen.

En dat is wat er aan de hand is: we leven in een beeldcultuur en niemand heeft een beeld van de Europese Unie. De tegenstanders hebben het weliswaar graag over Brussel maar dan bedoelen ze nooit de stad. Ze zullen het Atomium niet gebruiken, noch de Grote Markt. En van de gebouwen van de EU in Brussel weet niemand hoe ze eruitzien. En ik kan u verzekeren: dat is maar goed ook. Het zijn gebouwen ontworpen door architecten die niet eens in de Wikipedia voorkomen.

Den Haag heeft het Catshuis, Londen Downing Street, de Verenigde Staten het Witte Huis, Moskou het Kremlin en Brussel helemaal niks. Het bekendste gebouw van Brussel bevindt zich in Straatsburg en heeft als belangrijkste kenmerk dat het bijna altijd leeg staat.

Binnen in dat gebouw is het nog veel erger. Heeft u zich wel eens afgevraagd waarom je nooit debatten uit het Europees Parlement op tv ziet? Natuurlijk omdat wat er besproken wordt ongeveer net zo opwindend is als de gemiddelde ondernemingsraadsvergadering. Maar daar komt bij dat de leden niet naar elkaar luisteren maar naar tolken. Dat haal het laatste restje dynamiek uit iedere confrontatie. Nog erger is dat het beeld volledig grijs is. Grijze bekleding, grijze mannen in grijze pakken. Het aanzicht dat de vergaderzaal van het Europees Parlement biedt is zo erg grijs dat ik toen ik voor het eerst een debat bekeek dacht dat er iets met m’n beeldscherm mis was. Dan weet u meteen waarom iedereen iedereen wegzapt als Europa in beeld komt. Gewoon om te checken of de tv misschien stuk is.

We leven in een tijd van de beeldcultuur maar bij het Europees Parlement denken ze aan de wetten van de tv te kunnen ontsnappen. Het resultaat is dat speeches van retorische meesters als Daniel Cohn Bendit of Guy Verhofstadt dodelijk saai worden. Zelfs Wilders zou daar geen verandering in kunnen brengen.

Dat niemand een beeld van de Europese Unie heeft, heeft ook tot gevolg dat niemand er iets van weet. Vraag eens op een verjaardag of iemand het verschil wil uitleggen tussen de Raad van Europa en de Europese Raad. Of welke drie verschillende kiessystemen er worden gebruikt om het Europees Parlement te kiezen. Of wie in het parlement de oppositieleider is. Niemand die het weet.

Er bestaan ook geen markante uitspraken over Europa. Over iets dat ons bindt. Het dichtst in de buurt komt nog ‘Ich bin ein Berliner’ van een Amerikaanse president, in het Duits. Stel dat hij had willen zeggen ‘Ik ben een Europeaan’, want daar kwam zijn uitspraak uiteindelijk op neer, in welke taal had hij dan moeten zeggen?

Dat taalprobleem gaat Europa steeds verder opbreken in cultureel opzicht. Natuurlijk er ontstaat langzaam een Euroenglish waarin we all go our gang, maar zo ver is het nog niet. De tv wordt ondertussen overgenomen door Amerikaanse bedrijven als Netflix die weinig ophebben met Europese films of series. Als die buitenlandse films al aan zouden slaan. Nederlanders weigeren naar die niet-Engelstalige films of series te kijken. Vlaamse films bijvoorbeeld worden in Nederland bijna niet meer uitgebracht. Behalve als Amerikanen er een remake van maken.

Hoe komt dat allemaal? Waarom hebben we zo weinig met Europa? Omdat we nooit keuzes durven maken. Niet voor een Europese taal, niet voor een Europese president, niet voor een Europees leger.

Het enige dat overblijft is het Eurovisie songfestival. Dat in ieder geval in aanmerking komt voor het festival met de grappigste naam: Eurovisie. Die heeft namelijk niemand.

Het is vast geen toeval dat juist in het eerste decennium de onvrede over over Europa toenam, omdat er toen bij het vertrouwde liedjesfestival zoveel rare dingen gebeurden. In 2004 moest de halve finale ingevoerd worden omdat er teveel landen meededen waarvan de inwoners ook nog eens allemaal mochten stemmen. En het enthousiasme over de nieuwe democratie was zo groot, dat Oost-Europese landen de top 10 overnamen. We noemden dat hier in de volksmond fraude en dat bepaalde ons beeld van het toekomstig Europa.

Maar tegelijkertijd is het songfestival een baken van hoop voor iedereen die gelooft in een verenigd Europa. Want ondanks de vele deelnemers, de steeds ingewikkelder regels, de merkwaardige puntentelling en de muziek die ieder gevoel voor smaak tart, is en blijft het songfestival ongekend populair. Misschien moeten we er ook eens een echt Europese Unie versie van maken. Met betere muziek en alleen maar Engelstalige liedjes en zo een keuze duidelijk maken voor de toekomst. Zodat bijvoorbeeld de Common Linnets wel een serieuze kans maken om te winnen. Een voordeel heb je al: je hoeft het geen Eurosongfestival te noemen.

Francisco van Jole, Dag van Europa, 9 mei 2014

Geef een reactie

Laatste reacties (81)