692
11

Medewerker rijksoverheid

Geboren en getogen in een troosteloze gemeente in de Oostelijke Mijnstreek. Na, of door, twee jaar fabrieksarbeid overtuigd van de meerwaarde van een universitaire opleiding, Nederlands recht gestudeerd. Via de route Middelburg, Rotterdam en Utrecht weer afgedaald naar, en thans wonend in, Den Bosch. Daar verdient hij ook zijn boterham, in dienst van de Rijksoverheid. In zijn vrije tijd wordt hij steeds meer bezocht door de behoefte zijn gedachten via het toetsenbord te verwoorden.

Allochtonen, autochtonen en zeepbellen

Zouden ze dat nou weten in Amsterdam; dat échte zeepbellen kunnen verbinden?

Net even op de fiets, naar de zondagsupermarkt. Flesje wijn halen, u kent dat wel.

Licht windje in de rug en een vriendelijk zonnetje dat iets van voorjaar belooft. Ook het achterstandswijkje dat ik doorkruis maakt een goedgemutste indruk. De droge stoepjes, muren en daken zien er toch iets vrolijker uit. Zelfs het zwerfvuil lijkt iets van opgeruimdheid uit te stralen. De oude, op zijn minst derdehands, auto’s doen een poging om het zonlicht net zo hard te weerspiegelen als de enkele verdacht nieuwe Mercedes die ertussen staat te vloeken en er toch weer bij hoort. 

Kortom prettig. Niets dat verraadt dat het wijkje in afwachting is van zijn laatste lente; op weg naar de zomer en de al jaren aangekondigde sloophamer.

Een klein veldje biedt het podium voor een nieuwe trampoline die drie kinderen ritmisch bekend maakt met zwaarte- en veerkracht. De sportschoolvader die het toestel heeft opgesteld zit er rustig op een bankje tegenover, misschien ook in de hoop dat de huid rond zijn tattoos al iets aan kleur zal winnen. 
Iets verderop, een flauw bochtje om, staat een man op de stoep voor een open voordeur. Hij is fors, getint, oogt donker. U kent dat wel. Allochtoon, het woord valt in stilte, in gedachten. In Amsterdam zou ik nu wellicht iets van schaamte moeten voelen.
Voor de man staan twee meisjes met hun armpjes te zwaaien. Ze zijn klein, getint en bewegen lichtvoetig. Als ik dichterbij kom, zie ik de busjes met zeepsop in hun linkerhand. Met hun rechter dompelen ze het plastic staafje met aan het uiteinde een ring in het busje, om daarna al zwaaiend bellen te maken. Grote, kleine, allemaal even betoverend voor die twee. Hun vader kijkt tevreden toe.
Ik passeer met een glimlach, opgeroepen door een verre herinnering. De knarsende ketting doet de man opkijken. Hij beantwoordt de glimlach, een gedeeld gevoel lijkt mij. Hoe hij mij noemt en ik hem, ach. 
Terwijl ik verder fiets, vraag ik het me toch af.
Of ze dat nu zouden weten in Amsterdam; dat échte zeepbellen kunnen verbinden?

Geef een reactie

Laatste reacties (11)