439
2

Initiatiefnemer [campus]OrléoN

Floor Basten (1970) groeide op in Venlo en verhuisde in 1988 naar Nijmegen. Daar studeerde zij in 1994 af in Franse Taal- en Letterkunde en in Sociale Wetenschappen. In 1996 startte ze als buitenpromovendus met een promotieonderzoek dat zij in 2000 met succes verdedigde. Daarna deed ze als postdoc in het kader van een internationaal EU gefinancierd project onderzoek naar actief burgerschap. In 2003 richtte Floor haar onderzoeksbureau OrléoN op (organisaties leren onderzoeken). Van 2006 tot 2008 was Floor programmaleider "Beelden in vele culturen" bij het Huis voor de Democratie. In 2008 nam ze het initiatief tot de oprichting van [campus]OrléoN, een netwerk dat staat voor onderzoek in de samenleving. Inmiddels heb zich zo'n 550 mensen bij dit netwerk aangesloten. Terugkerende thema’s in Floors werk zijn kennisdemocratie en open samenleving.

Als onderzoeker heb je in deze tijd een belangrijke rol

Voorbeelden zijn er legio: de bankencrisis, de asbestwijk, de luieraffaire, de rellen in Londen nu een jaar geleden

Onderzoeken is leuk. Ik heb zelfs wel eens workshops gegeven met deze titel. Om de een of andere reden heb ik vaak het gevoel dat “onderzoek” nog verkocht moet worden, dat het nog enige wervingskracht behoeft. Dat komt doordat ik zelf nogal eens vooroordelen tegenkom. “Oh, dus je werkt op een universiteit?” (Nee.) “Nou, dan zul je wel steeds in de boeken zitten!” (Niet altijd.) “Maar je ziet er heel anders uit!!” (Ehm… Dank je?) En soms: “Wat onderzoek je dan?” (De samenleving.) “Is dat niet moeilijk zo met die vragenlijsten?” (Dat doe ik zo min mogelijk.) “Hoe doe je het dan?” (Nou, zoals je zelf nu doet: interesse tonen en doorvragen).

Pas dan ontstaat de opening om onderzoek van een andere kant te belichten. Te laten zien hoe de samenleving zich laat lezen als een verhaal en hoe in dat verhaal verschillende stemmen verschillende plots vertellen. Dan wordt het spannend, want wie hoor je en wie laat zich niet zien? Een paar jaar geleden verscheen het proefschrift De jacht op de laatste respondent van Ineke Stoop. De strekking van haar verhaal laat zich gemakkelijk raden. We kiezen zelf wel of en hoe we onze stem laten horen.

Onderzoek naar de massa
In 1986 verscheen In de schaduw van de zwijgende meerderheid van Baudrillard. Daarin stelde hij dat de sociologie een zwijgende massa heeft gecreëerd die als een zwart gat enkel absorbeert. Er circuleren geen betekenissen in dit energieloze vacuüm en er komt niets van betekenis uit. De massa spreekt niet, maar wordt gepeild. De uitkomst daarvan verandert haar wezen niet, maakt haar alleen groter. Een boude analyse misschien, maar wel om over na te denken. Een peiling is een karikatuur van onderzoek. Je stelt er alleen aantallen mee vast. Maar onderzoek gaat over uitzoeken hoe het zit, niet alleen over hoe de verhoudingen liggen. Als je louter dat laatste meet en dan ook nog alleen bij zelfgeselecteerde respondenten, dan geef je dus een karikatuur van de samenleving terug.

Ook om over na te denken: sociologie is verbonden aan beleid en wil daar relevante input voor geven. Maar een massa die zich in sociologische zin niet laat representeren, laat zich ook politiek niet representeren. En voor doelgroepen – in feite op vooraf bedachte kenmerken geselecteerde delen van de massa – die zich niet laten kennen, is het lastig beleid maken. ‘Massa’ en ‘doelgroep’ zijn constructen van onderzoek en beleid. Wie in die wereld blijft, maakt de samenleving tot object en stelt zichzelf erbuiten.

Voorbij de massa
Geen wonder dat onderzoek voor veel mensen op afstand staat. Het voegt zo weinig toe aan de dingen die er voor hen toe doen. Sociologisch onderzoek vertrekt vanuit categorieën die voor de meesten van ons allang niet meer relevant zijn of waar beleid niet veel aan kan veranderen. Wie echter niet onderzoek naar, maar in de samenleving doet, ontdekt een heleboel energie.

De samenleving is geen inerte massa of verzameling beleidbehoevende doelgroepen, maar een bedrijvige samenloop van omstandigheden en gebeurtenissen waar mensen soms wel en soms niet bij betrokken zijn. Gebeurtenissen creëren publieken. John Dewey definieerde een publiek als een groep mensen die getroffen is door de gevolgen van de transacties van anderen waarop bestaand beleid nog niet adequaat kan reageren. Het publiek kijkt niet toe, maar bereidt nieuwe beslissingen voor. Voorbeelden zijn er legio: de bankencrisis, de asbestwijk, de luieraffaire, de rellen in Londen nu een jaar geleden. Dat we niet allemaal op dezelfde manier en in dezelfde mate betrokken zijn bij dit soort gebeurtenissen, spreekt voor zich.

Een publiek is dan ook homogeen in het object van de betrokkenheid, maar heterogeen in  het vormgeven van die betrokkenheid. Door in kaart te brengen hoe een publiek betekenis geeft aan wat er gebeurd is en een beslissing voorbereidt, kun je als onderzoeker een verbindende rol spelen. Help je daarnaast ook nog eens het publiek zelf onderzoek te doen, dan voeg je waarde toe. En ben je als onderzoeker zelf deel van een onderzoekend publiek, dan ben je nog van betekenis ook.
De afgelopen twee jaar is op [campus]OrléoN het onderzoeksprogramma “De samenleving publiek maken” uitgevoerd. Doel was zichtbaar maken hoe publieken onderzoeken en wat de waarde van hun onderzoek is. Op 3 september presenteren we de resultaten. U bent van harte welkom om hierover met ons in gesprek te gaan.

Geef een reactie

Laatste reacties (2)