901
44

Bedrijfseconoom

Jermain Carter studeerde bedrijfseconomie en fiscale economie en is tegenwoordig tax manager bij een Nederlandse multinational. Hiernaast is hij sociaal-liberaal in hart en nieren en noemt hij zichzelf graag parttime amateur filosoof, omdat hij in zijn vrije tijd - op soms haast obsessieve wijze- de samenleving probeert te doorgronden.

Als zelfs in Duitsland een anti-europartij opkomt..

De opkomst van de Duitse anti-euro partij Alternative für Deutschland toont maar weer eens dat alleen politieke outsiders een ander geluid laten horen

Nu de spanningen en emoties rondom het koningslied en de troonswisseling het lijf van menig Nederlander langzaamaan verlaten, kunnen we misschien nog even snel – nu we nog in de met-z’n-allen-modus zitten – stil staan bij een andere gebeurtenis van de afgelopen weken. De oprichting van Alternative für Deutschland (AfD), de Duitse ‘anti-euro’ partij die in Nederland tot nu toe opvallend weinig stof heeft doen opwaaien.

Zeer opvallend eigenlijk, omdat de Nederlandse regering in eurokwesties graag optrekt met onze oosterburen en een verandering in de positie van Duitsland hoogstwaarschijnlijk directe gevolgen heeft voor de positionering van Nederland in het eurodebat. Het is dus klip en klaar dat wij ons nog steeds veel meer focussen op alles wat er binnen onze landsgrenzen gebeurt, ten opzichte van de rest van de EU, maar dit terzijde.

Of AfD uiteindelijk slechts een populistische, anti-euro eendagsvlieg is, zal nog moeten blijken, maar is op het moment niet eens zo interessant. Wat wel interessant is, is dat wederom opvattingen uit de samenleving alleen tot uiting kunnen worden gebracht door een outsider. Hierbij is het trouwens de moeite waard om aandacht te schenken aan de framing die op nu wordt toegepast. Waar The Guardian kopt: ‘leading German economist calls for dissolution of eurozone to save EU’, verwijst Bild structureel naar Afd met de koosnaam ‘Euro-Hasser’.

Democratisch tekort
Hoe dan ook, de oprichting van AfD in Duitsland en de verwachte steun onder de Duitse bevolking (tussen de 5 en 25 procent) laat in ieder geval weer glashelder zien dat de particratieën in Europa en dus ook in Nederland grote tekortkomingen kennen. De belangrijkste tekortkoming (zeg maar gerust een gapend gat) is het gebrek aan democratische invloed op beleid, waardoor een gebrek aan draagvlak geen directe problemen oplevert voor bestuurders.

Omdat de macht dus feitelijk niet bij het volk ligt, spreek ik bewust niet meer van democratieën. Los van de aangedragen oplossingen, kun je het in die zin eens zijn met Maurice de Hond, die in zijn Thorbeckelezing stelde dat een controleknop voor het volk ontbreekt. Zie ook de waarde van ruim ondersteunde moties bij het afgelopen PvdA-congres. Dirk-Jan van Baar mag dan in de Volkskrant stellen dat ‘het niet zo [is] dat bestuurders meer legitimiteit hebben omdat ze democratisch zijn gekozen’, voor het gros van de Nederlanders geldt nog steeds dat een volksvertegenwoordiger zelfs enkel en alleen zijn legitimiteit ontleent aan het feit dat hij democratisch is gekozen en de zienswijzen van zijn achterban vertegenwoordigt. Binnen een democratie zou het uitgangspunt nog steeds moeten zijn dat de bevolking uiteindelijk beslist over de vormgeving van zijn eigen samenleving. Dit betekent dat beslissingen door de bevolking moeten worden gedragen en hoe zuur dit voor sommigen ook klinkt, een bevolking zelfs het recht heeft om volstrekt irrationele, geldverslindende of domweg stupide beslissingen te nemen. Wanneer de stem van (een gedeelte van) de bevolking niet wordt vertolkt in het politieke debat en hierdoor effectief zijn (mede-)beslissingsbevoegdheid wordt ontnomen, dan functioneert een democratie de facto niet meer en kunnen we beter spreken van ‘schijndemocratie’.

Bestaansrecht
Het meest uitgesproken standpunt dat AfD naar voren brengt, is zoals bekend het gebrek aan bestaansrecht van de euro. Een debat dat tot nu toe niet serieus wordt gevoerd binnen de Duitse politiek. Ook in Nederland lijkt er geen inhoudelijk politiek debat over het bestaansrecht en het draagvlak voor de euro mogelijk, terwijl er zeer goede argumenten voor en tegen bestaan. Zonder hier op dit moment een waardeoordeel over uit te spreken, kunnen we er gemakkelijk enkele verzinnen.

Groeien
Eén van de basisgedachten voor de eurozone is altijd geweest dat de verschillende nationale economieën naar elkaar toe zouden groeien. Het is duidelijk dat dit de afgelopen tien jaar maar beperkt is gebeurd. Zonder dit gelijke speelveld is er geen enkele reden om een ander uitgangspunt van de EU, namelijk het opheffen van belemmeringen voor marktwerking op de interne markt, niet tot uiting te brengen door prijzen te flexibiliseren door middel van wisselkoersen. De geforceerde, zeer moeizame en ongelijk verdeelde ‘interne devaluatie’ die men nastreeft in ‘probleemlanden’ (met andere woorden: het verlagen van lonen), is niets meer of minder dan op gekunstelde wijze proberen te bewerkstelligen wat door middel van flexibele wisselkoersen gemakkelijker en eerlijker tot stand kan worden gebracht.

Een ander argument zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat een daadwerkelijk soevereine staat moet kunnen beschikken over verschillende instrumenten om zijn samenleving vorm en richting te geven. Fiscaal beleid en monetair beleid vormen twee zijden van één medaille en zijn instrumenten om waarde uitgedrukt in een eigen munteenheid te herverdelen in het heden (fiscaal beleid) en tussen het heden en de toekomst (monetair beleid). Fiscaal en monetair beleid kunnen daarbij niet los staan van het specifieke collectieve en sociale beleid dat binnen een staat wordt gevoerd. Principieel en praktisch dient een soevereine staat hierom zoveel mogelijk baas in eigen huis te zijn.

Of breder gedefinieerd: geldpolitiek en monetaire politiek zijn per definitie politiek. In geval van democratische rechtstaten dient bindende politiek slechts te worden bedreven op niveaus waar adequate democratische invloed en controle kan worden uitgeoefend. Op dit moment is dit binnen de EU het niveau van nationale overheden.

Solidariteit
En tenslotte misschien wel de meest steekhoudende argumentatie. In debatten rondom de euro wordt vaak gedaan alsof de overweging slechts een zuiver financieel-economische is. Het ondersteunen van de euro of het pleiten voor de afschaffing hiervan is echter een politiek-ideologische. Eén van de kernvragen is natuurlijk of een bevolking als de Nederlandse of de Duitse überhaupt wel onderdeel wil uitmaken van een construct waarin zij voor het monetaire beleid, maar waarschijnlijk in de toekomst ook voor een gedeelte van het fiscale beleid, afhankelijk is van de grillen van anderen. Onder deze andere vallen niet alleen de ons nu redelijk bekende eurogenoten, maar in de toekomst (wellicht) ook Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Tsjechië, Roemenië en Bulgarije. Een vraag die hierop voortborduurt, is de vraag of de bevolking daadwerkelijk bereid is om even solidair te zijn met mede-Europeanen als met de eigen landgenoten. Solidariteit die wordt opgedrongen is gedoemd te mislukken. We moeten niet vergeten dat wij naast het spreekwoord ‘wie A zegt moet ook B zeggen’, ook ‘beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald’ kennen.

Welke argumentatie dan ook de meest doorslaggevende is, de Nederlandse en Duitse bevolking hebben in ieder geval recht op inhoudelijk politieke debatten, waarbij zij zelf voor de meest steekhoudende argumentatie kiezen. Alleen outsiders, zoals bijvoorbeeld AfD in Duitsland, lijken namens de bevolking de handschoen op te willen pakken en de strijd aan te gaan.

Jermain Carter is lid van LibDem en schrijft op persoonlijke titel.
Dit artikel verscheen ook op Sargasso

Geef een reactie

Laatste reacties (44)