2.393
24

Psycholoog, auteur, columnist

Roos Vonk is hoogleraar sociale psychologie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Ze is daar onder meer betrokken bij de master-opleiding Gedragsverandering.

Daarnaast heeft ze jarenlange ervaring als coach en trainer op het gebied van zelfkennis, authenticiteit, en zelfontwikkeling. Ze staat bekend om haar talent om wetenschappelijke inzichten op begrijpelijke en onderhoudende wijze te presenteren aan een breed publiek.

Vonk heeft een column in Psychologie Magazine en schreef eerder de bestsellers Ego’s en andere ongemakken, Menselijke gebreken voor gevorderden en Liefde, lust en ellende.

Altruïsme helpt

Er is onder wetenschappers juist discussie over altruïsme

Is het begrip altruïsme overbodig, zoals Tor Norretranders stelt? Alleen als je aanneemt dat écht altruïsme – onbaatzuchtigheid, anderen helpen zonder dat het je iets oplevert – niet bestaat. En daar is nu juist discussie over in de wetenschap. Die discussie staat weergegeven in het hoofdstuk Prosociaal en antisociaal gedrag uit het studieboek Sociale Psychologie van Roos Vonk. Hieronder een ingekorte versie.

Mensen kunnen allerlei egoïstische motieven om anderen te helpen:

omdat hulp vaak wederkerig is, en de ander jou dus later weer helpt

omdat anderen gunstig over je denken en je trots kunt zijn op jezelf als je een goede daad doet

omdat het een goed gevoel geeft: empathische vreugde en een ‘warm glow’

om je te bevrijden van de onaangename spanning bij het zien van andermans lijden

om schuldgevoel te vermijden

om later in de hemel komen of om hun karma te verbeteren en zo te voorkomen dat je reïncarneert tot een weinig benijdenswaardige levensvorm

Sommige onderzoekers en filosofen zijn ervan overtuigd dat echt altruïsme, dat wil zeggen, het helpen van anderen met als enige doel het bevorderen van het welzijn van de ander, niet bestaat. Zelfs de meest onbaatzuchtige heldendaden kunnen volgens hen verklaard worden door een vorm van eigenbelang. Mensen die bijvoorbeeld hun carrière opgeven om in een weeshuis in Afrika te gaan werken, verkrijgen hierdoor empathische vreugde en een gevoel van zingeving in hun leven.

Volgens De Waal (2008) wordt bij alle sociale dieren automatisch empathie geactiveerd wanneer ze een soortgenoot zien lijden. Dit vermogen is in de evolutie nuttig geweest, want het leidt tot het beschermen van de naasten en de eigen groep. Maar stellen dat altruïsme daarom niet bestaat, is hetzelfde als zeggen dat echte liefde (romantische liefde of moeder/vaderliefde) niet bestaat; ook dat heeft immers een evolutionaire functie.

Van streek
Volgens Batson (1991) wordt prosociaal, hulpvaardig gedrag soms enkel en alleen gemotiveerd door een verlangen om het welzijn van een ander te bevorderen. Empathie is een cruciale voorwaarde voor altruïsme, maar niet alle empathie leidt tot puur onbaatzuchtige hulp. Wanneer je een ander ziet lijden, roept dat gevoelens van onbehagen op (‘empathic distress’). Je kunt van die onprettige gevoelens af komen door hulp te bieden, bijvoorbeeld gauw geld overmaken voor hongerende kinderen op tv, maar je kunt ook snel wegzappen en je aandacht afleiden. Mensen kunnen soms juist, onder het mom van altruïsme en betrokkenheid, heel egocentrisch zijn. Ze zien iets ergs en roepen ‘Daar kan ik niet tegen!’ en sluiten zich ervoor af. Heel ‘empathisch’ ben je dan zo van streek dat je niets doet. Dat voelt wel heel betrokken, maar wat je doet is in feite niet zo sociaal, want je kiest voor je eigen gemoedsrust. 

Maar er zijn ook mensen die de vreselijkste ellende opzoeken omdat ze anderen willen helpen. De aandacht ligt dan niet bij hun eigen gevoel van onbehagen, maar juist bij de ander. Als je altruïstisch gemotiveerd bent, gaat het niet om je eigen gevoel maar dat van de ander. Je voelt bezorgdheid en medeleven (‘empathic concern’) en dan heb je maar één motief: je wilt dat de noodlijdenden zich beter gaan voelen. En er is maar één manier om dat te bereiken: de slachtoffers helpen.

Geen ontsnapping

Dit betekent dat echt altruïsme zich kan manifesteren in situaties waarin mensen de keus hebben om hulp te bieden óf om op een of andere manier te ontsnappen aan het leed, zodat zijn er geen getuige van hoeven zijn. In een serie experimenten creëerden Batson e.a. (1981) zo’n situatie. Hieruit bleek dat deelnemers met lage empathie minder bereid waren zichzelf op te offeren om een ander te helpen, wanneer ze wisten dat ze konden ontsnappen aan de situatie; was er geen ontsnappingsmogelijkheid, dan boden ze vaker hulp, maar in dit geval was hun enige alternatief dat ze het leed van de ander moesten aanzien. Hun hulp werd dus gemotiveerd door het verlangen om van hun ‘personal distress’ af te komen.

Voor deelnemers met hoge empathie maakte het echter niet uit of er wel of geen ontsnapping mogelijk was: zij boden hulp ook als ze wisten dat ze weg konden. Hun hulp dus gemotiveerd door betrokkenheid bij het slachtoffer, ‘empathic concern’. Immers, ook al heb je zelf een uitweg, is die ander daar niet mee geholpen.

Deze en diverse andere studies laten zien dat mensen echt hulp kunnen bieden uit altruïstische motieven. Zelfs al doen ze dat niet altijd – zoals degenen die hulp boden omdat geen ontsnapping mogelijk was – gaat het erom dat puur altruïsme wel kán voorkomen.

In een andere studie van Batson e.a. (1988) werd gekeken naar de rol van empathische vreugde. Het gevoel van trots dat jij in staat bent om iemand uit een benarde situatie te redden, kan onderdeel zijn van empathische vreugde, maar dat is een vorm van vreugde ter meerdere glorie van jezelf, en dus niet erg onbaatzuchtig. Wil je dat een ander wordt geholpen dankzij jouw persoonlijke inspanningen, of wil je gewoon dat de ander hoe dan ook wordt geholpen – ook als het niet dankzij jou is.

Het bleek dat deelnemers zich altijd beter voelden wanneer iemand in een benarde situatie werd gered, ongeacht of dit kwam door hun eigen inzet of door een toevallige omstandigheid. Ook deze resultaten wijzen erop dat altruïsme bestaat: men voelde zich beter domweg doordat de ander niet meer hoefde te lijden, ook zonder de voldoening dat men daar zelf aan had bijgedragen.

Doet het ertoe?
In veel situaties zullen zowel egoïstische als altruïstische motieven een rol spelen bij prosociaal gedrag. Ook is het mogelijk dat je soms iemand helpt om altruïstische en soms om egoïstische redenen. De wetenschappelijke discussie gaat om de vraag of zuiver altruïstische hulp kán bestaan. Maar voor praktische doeleinden is de vraag: doet het er eigenlijk toe? Als je conducteur bent bij de NS en je bent een paar seconden verwijderd van een flink pak slaag, maakt het dan iets uit of iemand je te hulp schiet omdat hij waardering wil oogsten met heldhaftig gedrag, omdat hij dat heeft geleerd op de cursus burgermoed, omdat hij stress ervaart bij het zien van jouw angstige gezicht, of puur vanuit de behoefte om jou uit een netelige situatie te redden? Voor iemand die hulp nodig heeft, is het van belang dat altruïstisch gedrag bestaat, ongeacht of het motief wel 100% altruïstisch is.

Zie ook: Weg met het begrip altruïsme

Het laatste boek van Roos Vonk is Je Bent Wat Je Doet

Volg Roos ook op Twitter, Facebook


Laatste publicatie van RoosVonk

  • De eerste indruk

    2017


Geef een reactie

Laatste reacties (24)