4.742
19

Student Geneeskunde

Anderhalve meter teleurstelling

Dat wetenschappers de media opzoeken met aantoonbare onwaarheden is onthutsend. Werkelijk teleurstellend is het totale gebrek aan repliek uit de eigen gelederen.

cc-foto: klimkin

Hoewel de wetenschap, als proces en fenomeen, er elke keer weer wonderwel in slaagt om uiteindelijk de waarheid boven tafel te krijgen, weet iedereen die het proefschrift van Baudet heeft gelezen ook dat deze kwaliteiten niet bij elke wetenschapper tot uiting komen. Konden we bij de vorige zoönose, de Q-koortsepidemie, op de tegenwerking van hoogleraren diergeneeskunde rekenen, zo blijkt helaas ook nu weer dat wetenschappers zonder enige tegenspraak onwaarheden kunnen verkondigen.

Neem Ewald Engelen die in de Groene Amsterdammer (nr 19, 6 mei en nr 23, 3 juni) van leer trekt tegen respectievelijk “kletsers” en het “gehersenspoelde Nederland”. In zijn tendentieuze betoog beweert hij onder meer dat COVID-19 minder slachtoffers eist dan er verkeersdoden vallen. Hoe hij hier de waarheid verdraait, en hoe eenvoudig dit aan te tonen is, is schokkend: met behulp van cijfers van het CBS en RIVM kan iedereen narekenen dat COVID-19 op de piek van de uitbraak meer dan honderd keer zoveel overlijdens veroorzaakte als er in eenzelfde periode aan verkeersslachtoffers zouden zijn geweest. Dit mét onze collectieve inspanningen om aan iedereen de beste zorg te kunnen leveren.

En dan Rudi Westendorp die in artsenblad Medisch Contact (4 juni) stelt dat de lockdown zo snel mogelijk opgeheven dient te worden omdat COVID-19 alleen ouderen met een ongezonde leefstijl zou raken. Waarin hij navrant voorbij gaat aan hoe Brabantse ziekenhuizen eind maart compleet overspoeld werden; hoe er op sommige plekken nog maar twee afdelingen waren: ‘COVID-19-verdacht’ en ‘COVID-19-bevestigd’. Is zijn voorstellingsvermogen werkelijk zo beperkt dat hij zich niet kan inbeelden hoe de situatie uit de hand had kunnen lopen? Of gelooft hij daar niet in en eist hij een praktijkvoorbeeld, als ware hij een flat-earther die de vorm van onze planeet ter discussie stelt?

Of AnneLoes van Staa die op nursing.nl (5 juni) schrijft dat we onnodig bang zouden zijn gemaakt voor COVID-19 en de maatregelen onze fundamentele mensenrechten zouden aantasten. Daarbij zou je er haast overheen lezen dat ze in haar onsamenhangend betoog óók oproept tot het beschermen van ouderen. Ze laat daarbij ongezegd hoe het volstrekt onhaalbaar is gebleken om ouderen te beschermen tegen een besmettelijke infectieziekte die zich vrijelijk onder jongere gezonde mensen verspreidt. Sussend sluit ze af met hoe volgens haar “minder dan 3%” aan deze ziekte komt te overlijden, waarmee ze eigenlijk aangeeft driehonderdduizend doden in dit land acceptabel te vinden.

Wat bovengenoemde schrijvers naast hun academische rang gemeen hebben is mijn teleurstelling in het niveau van hun argumentatie. Het klópt gewoon aantoonbaar niet wat ze zeggen. Ze noemen heel selectief wat feitjes alsof dat hun verhaal onderbouwt, ze verdraaien op een eenvoudig te weerleggen manier de waarheid; ze presenteren zich als éminence grise die wel even komt zeggen hoe het werkelijk zit maar komen daarbij niet verder dan een warrige en op emoties gerichte boodschap die bij het kleinste zuchtje wind instort.

Dat zij, en met hen al die andere academici die de media opzoeken met aantoonbare onwaarheden, zich hiermee in het rijtje Frits Böttcher en Diederik Stapel lijken te willen scharen is onthutsend genoeg: hoewel je van mensen op een maatschappelijke positie als de hunne zou moeten kunnen verwachten dat ze een als-dan kunnen begrijpen en snappen hoe cijfers en kansberekeningen werken is het verschijnsel dat de betreurenswaardige elementen van een geheel boven komen drijven niet geheel onbekend. Nee, werkelijk teleurstellend is het totale gebrek aan repliek uit de eigen wetenschappelijke gelederen.

Dit maakt het moeilijk om niet terug te denken aan een van mijn laatste colleges, begin maart, toen ik nog welkom was op mijn faculteit. Het blok was notabene opkomende infectieziekten, en het college was zoönosen. Met pathos verhaalde de professor over hoe in het begin van de Q-koorts-uitbraak diverse hoogleraren diergeneeskunde enig verband met de geitenhouderij van de hand wezen; het zou aan de veldmuizen liggen, was hun stellige bewering. Door hun uitspraken werd een effectieve aanpak ondermijnd en hebben ze de beëindiging van de epidemie met jaren uitgesteld.

Enfin, de rest is geschiedenis: de geiten werden geruimd waardoor het toenmalige rampscenario van de Q-koortsepidemie direct ten einde kwam. Niemand verdenkt de veldmuizen nog. Wat restte, naast 95 doden en duizenden chronisch zieken, was de teleurstelling.

Geef een reactie

Laatste reacties (19)