473
5

Hoogleraar Openbare Financiƫn

Professor Harrie Verbon is econoom en momenteel werkzaam als hoogleraar Openbare Financiƫn en Sociale Zekerheid aan de Universiteit van Tilburg. Zijn onderzoek behelst onder meer de volgende terreinen: de macroeconomische effecten van vergrijzing, migratie, herverdeling en economische groei, overdrachten tussen generaties (inclusief pensioenen) en verhandelbare emissierechten. Professor Verbon is daarnaast lid van het bestuur van het Rathenau Instituut. Hij was eind jaren '90 lid van de programmacommissie van het CDA, maar heeft inmiddels het lidmaatschap van die partij opgezegd.

Asociale symboolpolitiek rond AOW-leeftijd

Invoering AOW vooral om armoede onder ouderen te bestrijden

Met de plannen van het kabinet om de AOW-leeftijd te verhogen wordt een nieuwe aanval ingezet op de positie van de allerarmsten.

Ten tijde van de discussie over de invoering van de AOW in de jaren ’50 waren relatief veel bejaarden niet in staat in hun eigen onderhoud te voorzien. Daarom moest er voor hen wel een inkomensvoorziening als de AOW komen. Omdat deze verzekering vooral gemotiveerd werd door armoede onder een beperkte groep bejaarden, had de AOW ook inkomensafhankelijk gemaakt kunnen worden. Daar werd in de jaren vijftig niet toe besloten. Ook personen met hogere inkomens of vermogens zouden op 65-jarige leeftijd een volledige AOW moeten krijgen, omdat anders deze groep misschien geen solidariteit zouden kunnen opbrengen met de minderbedeelden.

Als alle bejaarden een volledige AOW krijgen, zijn de kosten van de AOW natuurlijk wel veel hoger dan wanneer alleen een beperkte groep AOW zou krijgen. Er dreigt dan voortdurend het gevaar dat men de uitgaven aan de AOW een te grote last gaat vinden en dat de uitkeringen daarom niet aan de welvaartsontwikkeling worden aangepast. Dat is precies wat met de AOW is gebeurd. De AOW-uitkering is niet meegegroeid met de welvaartsgroei van werkenden. Desondanks leeft een groot aantal ouderen niet in armoede, omdat het overgrote deel van de ouderen over een aanvullend pensioen beschikt. Voor de ouderen die alleen van de AOW moeten rondkomen zijn er voorzieningen in de inkomstenbelasting gemaakt die armoede moeten beperken.

Maar nu met de plannen van het kabinet met de AOW-leeftijd wordt een nieuwe aanval op de positie van de allerarmsten ingezet. Zij mogen in de toekomst wel met 65 jaar met de AOW, maar moeten dan wel 42 jaar onafgebroken gewerkt hebben. Bovendien krijgen ze dan een lagere uitkering. Juist bij deze groep van armen is er veel uitval uit de arbeidsmarkt. Deze mensen zijn relatief vaak werkloos en arbeidsongeschikt. Zij zullen dus heel veel moeite hebben “onafgebroken” aan het werk te blijven, zoals het kabinet wil. Als mensen uit deze groep werken, hebben zij ook vaak een “zwaar beroep”. Het is moeilijk om dat te bewijzen want niemand (ook Donner niet) weet wat een zwaar beroep is, maar we mogen toch wel aannemen dat deze mensen geen gerieflijke kantoorbaan zullen hebben. Maar, volgens het kabinet, mogen ze die lichtere baan na 30 jaar bij dezelfde werkgever wel claimen. Natuurlijke is dit een niet uitvoerbare bepaling. Kleine werkgevers hebben niet een scala aan “lichte” en “zware” functies in de aanbieding. Dat zal de PvdA die dit bedacht heeft toch ook wel weten.

Deze bepaling van zwaar werk is, overigens, zelfs als die uitvoerbaar zou zijn, makkelijk te omzeilen door een werkgever. Hij ontslaat gewoon iemand die bijna uit zijn zware functie gehaald moet worden. De kans op werkloosheid van mensen “aan de onderkant” van de arbeidsmarkt wordt er zo dus juist door vergroot en de kans dat deze mensen zich kwalificeren voor een AOW met 65 jaar daarmee minder.

Daarmee wordt de verhoging van de AOW-leeftijd nog minder effectief dan die zonder meer al is. Een belangrijk doel ervan is verhoging van de arbeidsparticipatie van de ouderen. Veel ouderen willen momenteel al langer werken dan voorheen, onder meer door het wegvallen van ‘vertrekpremies’ als vut en prepensioen. Het is echter ook duidelijk dat bij de pensioneringsbeslissing van oudere werknemers de werkgevers een cruciale rol spelen en werkgevers vinden ouderen duur en niet productief. Als werkgevers hun oudere werknemers nog twee jaar langer in dienst moeten houden door de hogere AOW-leeftijd, worden oudere werknemers nog minder aantrekkelijk om in dienst te nemen of te houden.

De “zwaar-werkbepaling” voegt daar dan nog een extra reden voor de werkgevers aan toe om ouderen minder lang in dienst te houden. Deze bepaling is dus vooral symboolpolitiek, bedoeld om een sociaal sausje over de voorgestelde verhoging van de AOW-leeftijd te gooien, maar die de positie van mensen voor wie de AOW uiteindelijk vooral bedoeld is verzwakt.

Geef een reactie

Laatste reacties (5)