454
3

Journalist

Brenda Stoter is geboren en getogen in Rotterdam. Sinds 2010 is ze als freelancer werkzaam in de journalistiek en schrijft ze voornamelijk voor het AD, stichtingen en bedrijven. Eerder schreef ze artikelen voor de Elsevier, Roest, HP/De Tijd, stichting Music Matters en werkte ze mee aan het Hoofdboek. Ze is gespecialiseerd in de multiculturele samenleving, jongerencultuur, Rotterdam, Egypte en Rwanda.

Bellen met Damascus

De straten van de Syrische stad Damascus zijn verlaten, her en der klinken schoten, zo nu en dan gaat er een bom af

De 22-jarige Rawan staat op het dakterras van haar woning en rookt een sigaretje. Kalm blaast ze de rook in kringetjes uit. Haar ogen glijden over Damascus, de Syrische stad waar ze geboren en getogen is. Het uitzicht lijkt hetzelfde, maar is het niet. De straten zijn akelig leeg, her en der klinken schoten en af en toe gaat er een bom af.

Opeens hoort ze een harde knal op een paar meter afstand. High van de adrenaline rent Rawan naar binnen en smijt de deur achter zich dicht. Binnen is het stil. Ze is alleen thuis.

Een paar weken geleden was alles anders. Ze merkte weinig van de oorlog en kon nog rustig over straat. Mensen gingen naar hun werk, verkopers verkochten sigaretten en taxi’s zoefden voorbij. Het dagelijkse leven in Damascus. Nu staat de stad in brand en lijkt het in niets meer op de plek die het ooit was. “De eerste keer dat ik een bom van dichtbij zag ontploffen, scheet ik haast in mijn broek. Nu, na al die ellende, ben ik er gewend aan geraakt,” zegt de Syrische.

In een mum van tijd is Rawan een slanke den geworden. De overtollige kilo’s verdwijnen. Door de oorlog zijn veel voedingsmiddelen schaars. Met heimwee denkt ze terug aan haar vakantie in Koerdistan, in Irak, een paar weken geleden. Iedere dag at ze meerdere stukken kebab. “Die kilo’s zijn er nu wel af. Man, ik zou een moord doen voor een stukkie ‘Holy Kebab’. Zelfs de melk hier is op.”

Iedere dag belt ze uren met vrienden en familieleden. De gesprekken vinden veelal in de nacht plaats, wanneer de eenzaamheid toeslaat. Aan de andere kant van de lijn steekt ze de ene na de andere sigaret op. Drie pakjes per dag. Kettingroken tot haar keel in brand staat, net als Damascus. Een dure verslaving. Waar ze eerst 1,30 dollar voor een pakje Marlboro neerlegde, is de prijs inmiddels opgelopen tot 5 dollar. “Eten doe ik bij vrienden en geld voor mijn sigaretten leen ik.” Stoppen met roken komt niet in haar op, niet in deze stressvolle tijd.

Iedere dag vertrekt Rawan rond 10 uur ’s ochtends naar Barzeh, een wijk in Damascus. In het veilige gedeelte is een school omgebouwd tot vluchtelingenkamp. In de school verzamelen arme mensen, wezen en gezinnen zich. Allemaal proberen ze het geweld te ontvluchten. In het kamp krijgen ze eten, medicatie en worden ze vermaakt. De Syrische, die voorheen werkloos was, blijft er vaak slapen. “Ik richt me op de kinderen daar. Gek, want voorheen moest ik niets van kleintjes hebben. Nu lach ik zelfs naar onbekende jochies op straat.”

Die lach is onderdeel van haar theatershow. Ze vindt dat ze deze moet opvoeren voor de mensen in het kamp. “Laatst kwam er een arme familie met vijftien kinderen binnen. Eén van die kinderen, een jongetje, was gewond en bloedde. Toen ik de moeder wees op zijn wonden zei ze: Ach, ik heb er toch genoeg. Emotioneel in de war. Dat is wat oorlog met je doet.”

Zelf kan ze ook wel een steuntje in de rug gebruiken. De ouders van Rawan vertrokken een paar weken geleden naar Jordanië om een familielid te bezoeken. Toen na de aanslagen op belangrijke Syrische regeringsleiders de situatie uit de hand liep, konden ze niet meer terug. Sindsdien is Rawan alleen thuis. “Mijn moeder belt iedere dag hysterisch huilend op. Ze wil dat ik zo snel mogelijk het land uitga, maar dat is onmogelijk. De grenzen zitten dicht.” Haar moeder, die een Jordanees paspoort heeft, komt daarom binnenkort weer naar Syrië. Rawan denkt dat dit de enige mogelijkheid is.

De oorlog verandert je persoonlijkheid, zegt Rawan met een schorre stem. De eerste keer dat ze bommen zag ontploffen en schoten hoorde, was ze daarna extreem bang. Nu is dat minder. Soms probeert ze op haar dakterras te ontdekken waar het geluid vandaan komt. De rush die ze door haar lijf voelt als de knallen dichterbij komen, valt niet te omschrijven. Een combinatie van doodsangst en opwinding. “Ik weet dat het raar klinkt, maar na een aanslag ben ik rustig. Het is weer even voorbij, denk ik dan. Het zijn uitersten die ik nog nooit eerder gevoeld heb.”

Op weg naar haar vrijwilligersbaantje loopt ze door de lege straten van Damascus. Altijd is ze op haar hoede. Omdat het onduidelijk is wie er verantwoordelijk is voor het geweld, is ieder persoon mogelijk gevaarlijk. Toch legt ze iedere dag dezelfde weg af, al is het alleen maar om iemand te kunnen helpen. “Nooit eerder heb ik me zo nuttig gevoeld. Wat moet ik anders? Thuis zitten en huilen? Daar heeft niemand wat aan.”

Na twee uur kletsen verdwijnt de bittere oorlog langzaam uit het gesprek. God, wat zou ze graag een glas whiskey willen. Haar stem klinkt dieper en de zinnen trager. Rawan praat over de toekomst. Een nieuw leven in Amerika lijkt haar wel wat. Een goede baan, af en toe stappen en sigaretjes roken. “Kom je dan naar me toe?” vraagt ze. “Ik durf te wedden dat we een supertijd gaan hebben. Net als in Koerdistan, in Irak.”

Ik beloof dat ik dat zal doen en wens haar een veilige nacht. Rawan moet lachen om zoveel bezorgdheid en noemt me plagend haar ‘second mom’. “Als we elkaar ooit weer zien, moeten we kebab eten. De Koerdische ‘Holy Keba’,” besluit mijn Syrische vriendin. “Ik heb ruimte vrijgemaakt voor extra kilo’s.”

“Inshallah,” zeg ik en leg de telefoon naast me neer.

De sfeerimpressies in het stuk zijn niet tot stand gekomen door aanwezigheid in Syrië. Rawan heeft de situatie voor mij beschreven. Dit verhaal is een vervolg op Holy Kebab

Dit artikel verscheen eerder op de weblog van Brenda Stoter

Volg Brenda Stoter ook op Twitter

Geef een reactie

Laatste reacties (3)