36.176
99

Schrijver

Anke Laterveer (1980) is schrijver en fervent Twitteraar.

Bewijslast

'Ik zal die ene moedige zijn die aangifte doet. Ik zal de cirkel stoppen. Hier en nu'

Ik moet mijn bed weer terugveroveren. Daar waar hij lag alsof het van hem was. Mijn lakens gooi ik weg. Vernedering was je er zelfs op 90 graden niet uit.

Ik zet de deuren naar het balkon open. Weg met zijn geur. Weg met de rook van de sigaret die hij hondsbrutaal middenin mijn woonkamer rookte.

Ik luister muziek. Heel hard. Zijn woorden vervang ik door woorden van muzikanten. Mooie dingen, lieve dingen.

Ik vertel over wat ik meemaakte. Aan wie het maar wil horen. Schaamte is de grootste straf en ik ben niet diegene die straf verdient hier. Ik zeg keer op keer dat het niet mijn eigen schuld is. Tegen mezelf, tegen mijn moeder, tegen een vriendin, tegen wildvreemden. Het is niet mijn schuld.

Ik ben sterk. Dat zegt iedereen steeds: “Wat ben je sterk, wat doe je dit goed.” En ik blijf sterk.

Ik wil aangifte doen. Iemand heeft iets gedaan wat niet kan, niet mag. Dat is heel erg, maar gelukkig ook strafbaar. Ik zal die ene moedige zijn die aangifte doet. Ik zal de cirkel stoppen. Hier en nu. Na mij maakt hij geen slachtoffers meer, maar krijgt hij hulp.

Ik zit op een bankje in het politiebureau. Het staat in een trappenhuis. Ik sta op, ga weer zitten, sta weer op. Over de binnenplaats zie ik een man aankomen. Een mooie man. Baardje, tatoeages. Ik ga weer zitten. Wachten duurt lang als het op de oplossing is.

Ik zit weer op een bankje, nu in een verhoorkamer. Er zijn twee mensen. De man met het baardje en een vrouw. Zij wat ouder dan hij. Hij vertelt dat hij aantekeningen maakt en dat het gesprek opgenomen wordt op camera. “Hij loopt al.” “Oke.”

Ik vertel. Van de date. Van hoe hij vanaf het eerste contact al steeds mijn grenzen aan het verleggen was. Van hoe ik had gezegd dat ik natuurlijk niet thuis af wilde spreken, wist hij wel hoe gevaarlijk dat was? Van hoe hij dat negeerde en verder praatte. Van hoe hij uiteindelijk bozig zei dat hij niet snapte waarom we niet bij mij af konden spreken. Hij was toch in de buurt en wat kon er nou gebeuren? Vertrouwde ik hem soms niet? Nee. Ik vertrouwde hem niet en vond dat kinderachtig van mezelf.

Ik vertel over hoe hij langskwam, hoe we ruzie kregen en ik hem steeds zei weg te gaan. Over hoe hij toch niet ging. Over hoe hij aan mijn kleren trok, aan me zat, me zoende en zei dat ik gewoon even mee moest werken. Dan was het zo voorbij. Ik zeg niets over hoe vaak ik die zin al gehoord heb.

Ik vertel over hoe ik boos werd, maar rustig bleef. Over hoe ik steeds mijn kleren weer aandeed en hoe ik hem bleef zeggen dat ik het niet wilde. Dat hij van me af moest blijven. Over hoe hij uiteindelijk in slaap viel. En over hoe ik in paniek contact had gezocht met vrienden. Over hoe zij mij gezegd hadden hem meteen mijn huis uit te zetten. 


Ik vertel over hoe ik hem wakker maakte en zei dat hij moest gaan. Over hoe hij moest lachen. Over hoe hij zei dat IK dan maar weg moest gaan. Over hoe ik in de keuken huilend 112 belde dat hij niet weg wilde. Over dat zij zouden komen. Over hoe hij dat hoorde, een sigaret rookte in mijn woonkamer, naakt. En over hoe hij zich aankleedde en uiteindelijk toch vertrok.

Ik vertel over hoe ik in paniek achterbleef. Mijn slaapkamer niet meer in durfde. Hoe ik huilend heb gewacht tot de politie kwam. Uren later. Hoe ik vragen beantwoordde over wat ik aan had en hoeveel ik gedronken had en of ik echt wel duidelijk nee gezegd had.

Ik val stil. De mevrouw neemt het woord. Ze vertelt over dat alle mannen zo zijn. Over dat je als vrouw kunt verwachten dat een man seks met je wil als je hem in je huis laat. Over dat dat op zich niet strafbaar is. Over dat de werkelijkheid soms anders is dan je zou willen. Zij zou bijvoorbeeld best graag de achterdeur van haar huis open willen laten, maar ja, dan wordt er wel ingebroken. Ik vraag me af of ik mijn achterdeur open gelaten heb door hem binnen te laten. En of inbraak dan opeens niet strafbaar is.

Ik kijk naar de man. Hij vertelt dat dit klinkt als iemand die het vaker gedaan heeft. En vaker zal doen. Een gewetenloze vrouwenhater. Maar ja, geen bewijs. En over dat hij in Amsterdam woont en zijn fiets daar op twee sloten moet zetten, anders wordt hij gestolen en dan hoeft hij daar ook echt geen aangifte van te doen.

Ik vraag hem of hij bedoelt dat ik geen aangifte moet doen. Of hij vindt dat het mijn eigen schuld is. “Wij praten liever niet over schuld. Maar weet dat dit nooit een zaak zal worden. We gaan hem niet eens uitnodigen op het bureau. Het wordt alleen voor jou heel zwaar. En daar zal het bij blijven.”

Ik voel mijn wereldbeeld kantelen. Dus het mag? Je mag als man gewoon vrouwen verkrachten en aanranden, zo lang je maar zorgt dat er geen bewijs is? “Nee, dat mag natuurlijk niet. Maar we kunnen er ook niets tegen doen.”

Ik mag aangifte doen van huisvredebreuk. Dat wel. Daar is bewijs van. Het staat op het bandje van 112. Ik mag niet zien wat daar dan precies op staat. “Je was er zelf bij, dat weet je vast wel dan.” Nee. Ik was in paniek. Ik weet het niet meer precies.

Ik krijg een telefoontje. Maanden later. Ook de aangifte van huisvredebreuk gaan ze niet behandelen. “Hij is tenslotte zelf weggegaan.” Dat dat was nadat hij geprobeerd had me te verkrachten en alleen omdat de politie onderweg was, doet er niet toe.

Ik hang op. Ik weet niet meer wat te doen nu. Behalve schrijven. Ik schrijf. En schrijf. En schrijf.

Geef een reactie

Laatste reacties (99)