915
21

Fractievoorzitter GroenLinks 1e Kamer

Tof Thissen is directeur van KING. Daarvoor was hij voorzitter van Divosa, de vereniging van managers op het terrein van werk, inkomen en sociale vraagstukken. Hij is in Roermond wethouder geweest voor Groen Links met onder meer onderwijs in zijn pakket. Momenteel is hij voorzitter van de Groen Links-fractie in de senaat.

Bezuinigen op de slagkracht van de overheid vergroot het maatschappelijk onbehagen

De overheid wil 6 miljard euro bezuinigen door te snijden in eigen vlees

Bovendien krijgen de 418 gemeenten veel meer taken en verantwoordelijkheden overgedragen van Provincie en Rijk, delen van de AWBZ, de Jeugdzorg, de WAJONG, met minder budget. De grote vraag zal zijn wat dit gaat betekenen voor de (gemeentelijke) professionals in de uitvoering en voor de kwaliteit van de dienstverlening aan burgers en bedrijven.

Van groot belang in dit kader is wat de gemeenten gaan doen met het bestuursakkoord en hoe dit zal gaan uitwerken in de lokale praktijk. Met een beroep op zelfredzaamheid gaan in Arnhem de prullenbakken weg en moet het UWV haar ondersteuning aan werklozen en werkgevers terugschroeven van ruim honderd naar dertig plekken. Maar beknibbelen op de slagkracht van uitvoerders van publieke dienstverlening maakt de kloof tussen burger en overheid alleen maar groter.

‘Ik realiseer me elke dag dat ook ik aan de andere kant van de tafel kan zitten en vraag me dan oprecht af of ik door mijzelf geholpen wil worden.’ Dat zeggen de publieke dienstverleners die zijn geïnterviewd voor mijn boek En plein public, dat premier Mark Rutte op 1 juni in ontvangst nam. Ziekte, werkloosheid, opvoedings- en gedragsproblemen, een faillissement of een vastgelopen carrière kan iedereen overkomen, beseffen deze leerkrachten, wijkagenten, schuldhulpverleners, thuisbegeleiders, werkcoaches, leerplichtambtenaren. Zelfredzaam is vrijwel niemand altijd en in alle situaties, dat ervaren de dienstverleners dag in dag uit. Ook zien ze dat de vragen van burgers en de benodigde oplossingen altijd diverser zijn dan waar wetten, regels en beleid in voorzien.

Instanties, wetten en regels zijn voor hen hulpmiddelen, geen uitgangspunt. Iedere dag proberen zij het systeem van de overheid – door landelijke en lokale politiek vormgegeven – te verbinden met de leefwereld van mensen. Idealiter sluit het overheidssysteem aan bij wat mensen nodig hebben. Maar regelmatig schuurt het of sluit het niet aan. Regelmatig lijken wetten en regels een voor de hand liggende oplossing in de weg te staan, laat een oplossing lang op zich wachten of zijn de administratieve lasten zo hoog dat er te weinig tijd overblijft voor het directe menselijke contact.

Omdat de politiek zelden te rade gaat bij professionals in de uitvoering, ondergaan systemen, wetten en regels hun vuurdoop pas op de werkplek van de professional. Is het werkbaar en haalbaar, sluit het aan bij wat mensen nodig hebben en dus bij de praktijk van alledag, bij wat mensen elke dag meemaken? Lang niet altijd, zo blijkt. De praktijk is vrijwel altijd complexer, weerbarstiger en roept andere verwachtingen op dan waarmee op de tekentafel van de beleidsmakers en politiek rekening is gehouden. Kennis over die weerbarstige praktijk is bij professionals in de publieke sector volop aanwezig, maar wordt bij het maken van nieuw beleid nauwelijks benut, zo blijkt. Het gevolg is dat regels, wetten of organisatiecultuur te weinig ruimte bieden om verschil te maken, zeggen de professionals in dit boek. Een standaardaanpak of -antwoord past niet iedereen en gaat voorbij aan de oplossingen die mensen zelf zien. Het frustreert zowel burgers als professionals die voor hun gevoel niet kunnen doen wat nodig is.

Pamperen de overheidsprofessionals in ‘En plein public’ burgers dan tot zij erbij neervallen? Nee. Zij stellen grenzen als moet, en bovenal: zij kijken naar de mens als totaal. Zij loodsen hen door de regels en instanties, bieden geen standaardproductjes of instrumenten, maar wijzen de weg en leren ze om het zelf te doen. Dat is hard nodig, want omdat problemen  zelden alleen komen, zijn er al snel vijftien hulp- en dienstverleners bij betrokken. Past een probleem bij niemand meer in het aanbod, dan wordt de burger al snel van het kastje naar de muur geslingerd. Het vergt sterke professionals om over de grenzen van hun eigen, vaak sterk opgeknipte werkveld te blijven kijken.

In de uitvoering, dat blijkt immers, kunnen beleidsmakers en politici waardevolle informatie vinden, maar de realiteit is dat de professionele en publieke uitvoerders met hun kennis en ervaring maar zelden betrokken worden in de voorfase van nieuwe wetten of systemen of bij bezuinigingen. Te vaak hebben burgers daardoor het gevoel dat hun vraag, hun droom, hun zorg niet past bij wat er in het overheidssysteem geregeld is. Ik noem dat het proces van technocratisering of anonimisering van de relatie tussen overheid en burger. Ook de professionele uitvoerders ervaren die schuring tussen overheidssysteem en de leefwereld van mensen. Desondanks blijven ze met de ruimte die ze hebben de vragen van mensen als uitgangspunt van hun handelen nemen en benutten ze de mogelijkheden die wet- en regelgeving bieden. Niet andersom. Maar lastig is het wel.

Toen vmbo-docent Rudi Hoffman ontdekte dat zijn leerlingen na de invoering van het vmbo nauwelijks meer op verschillende niveaus lessen konden volgen en examen doen, bood hij zijn ontslag aan. Hij wilde zijn onderwijs kunnen aanpassen aan de leerlingen, niet de leerlingen aan het onderwijssysteem. Het gaf zoveel commotie dat het alsnog mogelijk werd. Maar op veel scholen was de nieuwe werkwijze inmiddels ingevoerd. Hoffman geeft gelukkig nog steeds les, in Lelystad.

Door de forse overheidsbezuinigingen wordt het risico vergroot dat de preventie- en  interventiekracht sterk vermindert. Publieke dienstverleners zullen daardoor (nog) minder aanwezig zijn in de leefwereld van mensen. Extra lastig, omdat in weerwil van wat we misschien denken, de samenleving minder zelfredzaam is geworden. Frank de Klein, die in Utrecht werkt met zogenoemde zorgwekkende zorgmijders: ‘Niemand weet meer wat te doen als de buurman raar doet.’ Sandra van Dijk, leerkracht op een IJsselsteinse basisschool: ‘Als een kind achteruit is gegaan met lezen, verwachten ouders dat de school het oplost. Of ze vragen om een test. Iedere dag thuis lezen met het kind of een spelletje doen past niet meer in de drukke levens.

Bezuinigen op de interventiekracht van uitvoerders van publieke dienstverlening betekent dat je waardevolle schakels weghaalt. Burgers zullen in toenemende mate ontevreden zijn over de overheidsdienstverlening. Het maatschappelijk onbehagen zal toenemen, populistische stromingen zullen sterker worden. En ook waardevolle professionals zullen teleurgesteld raken en afhaken. De overheid kan zoveel beter. De bevlogen publieke uitvoerders in En plein public getuigen ervan. Om dat te borgen zou het wijs zijn kennis en ervaring van  publieke uitvoerders veel meer te betrekken bij het ontwerpen van nieuwe wetten en beleid en hun daadkracht en ‘eropaf-mentaliteit’ te ontzien bij de aanstaande bezuinigingen: voor een betere en humanere relatie tussen overheid en burgers.

Tof Thissen schreef dit stuk samen met Liny Bruijnzeel, schrijver en onderzoeker. Samen zijn ze auteur van het boek En plein public. Routeplanner voor mensenwerkers

Geef een reactie

Laatste reacties (21)