Laatste update 15:01
591
9

Hoogleraar Integrale Stikstofstudies VU

Jan Willem Erisman is hoogleraar Integrale Stikstofstudies aan de VU Amsterdam en betrokken bij internationaal onderzoek en beleidsadvisering op het gebied van de stikstofproblematiek. Zijn onderzoek richt zich voornamelijk op het verduurzamen van de voedselproductie en energieverbruik om de groeiende wereldbevolking van voldoende voedsel te voorzien met een minimale milieubelasting. Hierbij onderzoekt hij de relatie tussen stikstof en klimaat, het gebruik van satellietdata om de bepaling van de stikstofblootstelling aan mens en natuur te verbeteren en naar de relatie tussen stikstof en voedselkwaliteit. Hij is tevens directeur van het Louis Bolk Instituut, een onafhankelijk internationaal kennisinstituut ter bevordering van écht duurzame landbouw, voeding en gezondheid, met de natuur als bron voor kennis. Door toepassing van het systeemdenken en een integrale aanpak benadert hij onderzoeksvragen niet geïsoleerd, maar altijd vanuit de hele context om zo tot succesvolle oplossingen te komen ter bevordering van de gezondheid van mens, dier en plant.

Bied boeren wet- en regelgeving voor de lange termijn

Weer nieuwe wetgeving, terwijl de inkt van de fosfaatwet nog niet eens droog is

Een opmerkelijk bericht van het Openbaar Ministerie dat recent in de openbaarheid kwam: “Mestfraude alleen succesvol aan te pakken als de veestapel wordt verkleind”. Even daarvoor kwam het nieuws dat de PAS, de Programmatische Aanpak Stikstof, waarschijnlijk drastisch aangepast moet worden vanwege een recente uitspraak van het Europese Hof. Dan het bericht van minister Schouten, die een nieuw mestbeleid heeft aangekondigd, omdat de huidige gedetailleerde mestregelgeving te ingewikkeld is, onpraktisch is in de boerenpraktijk en tot hoge administratieve, uitvoerings- en handhavingslasten leidt.

Weer nieuwe wetgeving dus, terwijl de inkt van de fosfaatwet nog niet eens droog is. Geen wonder dat psychische problemen bij boeren sterk toenemen: zij worden steeds onzekerder over hun toekomst nu er zoveel onduidelijkheid bestaat over welke regels of wetten gaan komen, worden teruggetrokken of herzien.

Woud
Agrarische ondernemers hebben met een groeiend woud van snel veranderende wet- en regelgeving te maken. En waarom zijn die regels eigenlijk nodig? Dat zijn indirecte correcties op de marktwerking van ons voedselsysteem. Het verdienmodel van de bedrijven in de agro-food business is sterk afhankelijk van het op grote schaal agrarisch ondernemen. Als de boer meer produceert, verdienen de voer- en zaadleveranciers, machinebouwers, middelenverkopers, adviseurs, banken, handelsbedrijven, etc. meer. Er is deze bedrijven dus alles aangelegen dat de boer intensiveert.

Daarnaast is de concurrentie tussen supermarkten moordend waardoor de prijs voor de boer onder druk komt en blijft de grondprijs maar stijgen. Het gevolg hiervan is dat steeds hogere producties nodig zijn voor een normaal inkomen. Iedere boer maakt zijn eigen afweging en draagt landelijk beperkt bij aan milieuverontreiniging. Het collectief boeren daarentegen belast het grond- en oppervlaktewater teveel, (over)bemest de natuur, doet de biodiversiteit sterk afnemen en helpt het klimaat veranderen. Wetten en regels vanuit de overheid dienen deze nadelige effecten te beteugelen. Eigenlijk zijn dit dus indirecte correcties op de hele agro-food keten, maar in feite komen ze vooral op het bordje van de boer terecht.

Om de klimaatdoelstellingen voor 2030 te halen, wordt er aan de klimaattafels gewerkt aan maatregelen, en binnen het Deltaplan biodiversiteit wordt hard gewerkt aan afspraken voor behoud van biodiversiteit in agrarisch gebied. Beide paden dienen uiteenlopende doelstellingen en zullen weer leiden tot nieuwe wetgeving, die zeer waarschijnlijk tot additionele kosten en investeringen leidt voor boeren. Eerlijk gezegd zou ik zelf ook aarzelend en onzeker worden bij zoveel onduidelijkheid en dreigende kosten.

Mijn pleidooi is dan ook dat boeren – die tenslotte voor ons dagelijks voedsel zorgen- heldere, begrijpelijke en logische wetgeving verdienen, waarvan duidelijk is binnen welke integrale kaders zij op de lange termijn kunnen werken. Die kaders zijn geënt op bepalingen vanuit de Nitraatrichtlijn, Kader Richtlijn Water, de Habitatrichtijn, het klimaatakkoord van Parijs en de biodiversiteitsstrategie.

Al deze richtlijnen gaan namelijk over het behoud of bereiken van kwaliteit van onze publieke waarden: lucht, bodem, water, landschap, natuur. Daaraan kun je ook dierenwelzijn en gezond voedsel toevoegen. Vanuit deze publieke waarden formuleren we doelen, regionaal gedifferentieerd waarbinnen de landbouwactiviteiten kunnen plaats vinden. Overschrijd je de normen? Dan zijn er forse sancties, maar zolang je er binnen blijft kun je onbelemmerd iedere markt op, zelfs de wereldmarkt.

Leefomgeving
Wanneer we in staat zijn vanuit deze eensluidende visie op leefbaarheid de wet- en regelgeving te ontwikkelen, dan hebben boeren voor de lange termijn duidelijkheid en kansen om met respect voor natuur en maatschappij op een houdbare manier te produceren. En daar varen wij als maatschappij wel bij: een gezonde leefomgeving met landschappelijke kwaliteit en biodiversiteit, goed voor onze huidige en toekomstige generaties.

Cc-foto: Frans Schouwenburg

Geef een reactie

Laatste reacties (9)