Laatste update 20:58
4.282
84

Enrike van Wingerden is politicoloog en etnograaf. Myrthe Born is politicoloog en geschiedkundige.

Enrike van Wingerden (1993) is politicoloog en etnograaf. Ze is als promovendus en universitair docent Internationale Betrekkingen verbonden aan de London School of Economics en studeerde hiervoor aan de Universiteit van Oxford. Enrike ontwikkelt een ecologische benadering voor het begrijpen van problemen in de wereldpolitiek. Deze benadering is gericht op de complexe en ongelijke relaties tussen mensen, samenlevingen en ecosystemen. Enrike gelooft in het belang van samenwerking tussen wetenschappers, kunstenaars en activisten en zet zich in voor klimaatrechtvaardigheid en anti-racisme.

Myrthe Born (1993) is politicoloog en geschiedkundige, afgestudeerd in bestuurskunde en Holocaust- en Genocidestudies aan de Universiteit van Amsterdam. Myrthe is geïnteresseerd in de sociaal-maatschappelijke, economische en politieke processen die ten grondslag liggen aan (systemen van) ongelijkheid, uitsluiting, racisme en geweld. Myrthe is beleidsadviseur bij een gemeente en zet zich in voor toegankelijkheids- en inclusiebeleid.

Bij Dodenherdenking en Bevrijdingsdag gaan we het ongemak uit de weg

Toegeven dat racisme een ingebed en banaal onderdeel is van de Nederlandse samenleving blijft controversieel.

De Dodenherdenking en Bevrijdingsdag zijn representatief voor het historisch besef van Nederland, maar niet zoals we denken. De gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog worden geïnterpreteerd op een manier die bovenal het ongemak uit de weg gaat. Als Nederlanders scharen we ons aan de kant van onze oorlogshelden en beamen we eenduidig “dat nooit meer”. Dit leidt tot een schijnveiligheid: het idee dat het ‘kwaad’ ver van ons af staat. Dit geldt helaas ook voor sommige pogingen om hedendaagse discriminatie te erkennen als deel van de herdenking, die een nieuwe schijnveiligheid in de hand werken: zolang we ons blijven afzetten van andermans racisme, hoeven we het gevaar niet te zoeken in onszelf.

Banaliteit versus uitzondering
Wanneer Hannah Arendt in 1963 – in haar verslaglegging van de rechtszaak tegen nazi-kopstuk Adolf Eichmann – opmerkt dat het menselijk kwaad eigenlijk heel ‘banaal’ is, blijkt dat het startpunt van een decennialange discussie in de Holocauststudies. ‘Joodse Führer’ en ‘zelfhatende jodin’ zijn termen die Arendt naar haar hoofd geslingerd krijgt. Arendt opende hiermee een controversieel debat dat fundamenteel zou veranderen hoe historici aankijken tegen het ontstaan van genocidale massamoord en daderschap. De psyche van genocidale moordenaars werd ineens dicht bij huis gehaald. Het was niet langer een unieke uitwas van de 20e eeuw, maar het was doordrongen in alles wat menselijk was. En het lag dus nog steeds op de loer.

Waar we ons veelal bewust zijn van het feit dat genocidale gruweldaden niet beperkt zijn gebleven tot het fascisme van de 20e eeuw, wordt het nazisme nog steeds onvoldoende in een langer historisch kader geplaatst. Deze periode wordt gepositioneerd als buitengewoon, en voortkomend uit een extreem gedachtegoed dat we te allen tijde moeten laten rusten. In werkelijkheid verrees het nazisme uit een broedvijver van 19e en 20e-eeuwse ideeën over rassenongelijkheid en eugenetica met een nog langere geschiedenis. Dit verklaart eveneens de populariteit van het nazisme in het Europa van de 20e eeuw: antisemitisme was in de meeste samenlevingen behoorlijk normaal, en als het al geen extreme haat was jegens de joodse medeburger, was het op zijn minst een licht wantrouwen en vermijding.

Blinde vlekken
Onze neiging om selectief te kijken naar ons verleden en daarmee gevoelens van ongemak – en misschien zelfs schaamte – te omzeilen, wordt nog duidelijker als het om zwarte bladzijden uit onze geschiedenis gaat. Zo wordt tijdens de Nationale Dodenherdenking steevast aandacht besteed aan Nederlandse soldaten die hebben gevochten in toenmalig Nederlands-Indië. Ook tijdens de herdenking van 2020 mocht een voormalig soldaat van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) digitaal een krans neerleggen. Dat de leden van de KNIL tijdens de politionele acties oorlogsmisdaden hebben gepleegd wordt voor het gemak weggewuifd. Ook voor het geweld waarop de historische ontwikkeling van Nederland als een welvarende staat gebaseerd is sluiten we graag onze ogen. Amsterdam, de stad waar de Dodenherdenking traditiegetrouw plaatsvindt, is gebouwd en groot gemaakt op het immense lijden van de voormalige koloniale onderdanen. Maar toegeven dat racisme een ingebed en banaal onderdeel is van de Nederlandse samenleving blijft controversieel, ook al worden zwarte voetballers uitgejouwd met racistische leuzen en apengeluiden.

Schijnveiligheid
Zelfs als wel wordt gepoogd te erkennen dat deze geschiedenis resulteert in de hedendaagse discriminatie, wordt de noodzakelijke zelfreflectie vermeden. “Als ze het over Marokkanen hebben, dan hebben ze het ook over mij,” aldus Arnon Grunberg in zijn 4 mei-lezing van 2020. Dit suggereert een erkenning van de soort gesprekken die moeten plaatsvinden in Nederland de komende decennia, maar biedt toch een gemakkelijk gevoel van schijnveiligheid. “Ze” hebben het over Marokkanen, maar “wij” toch zeker niet? De weldenkende burger hoeft haar nachtrust niet te laten verstoren, wetende dat haar passieve medemenselijkheid zal zorgen dat ze comfortabel geschaard kan worden aan de goede kant. De kant van de helden.

De gemakzucht waarmee we deze gesprekken in Nederland vermijden, staat structurele verandering in de weg. Als wij ons veilig wanen achter een muur van heldhaftige semantiek, zijn we niet in staat de banaliteit van ons hedendaagse racisme te herkennen, en zullen verdere vormen van extremisme en uitsluiting ontstaan. Daarom pleiten wij voor een nieuw historisch besef: de echte helden van 4 en 5 mei zijn zij die het ongemak durven aan te gaan.

Geef een reactie

Laatste reacties (84)