466
14

Tweedekamerlid SP

Harry van Bommel (1962) is tweedekamerlid voor de SP. Sinds 1986 is hij lid van de partij. In 1990 werd hij voor de SP lid van de deelraad Amsterdam Oost en voorzitter van de afdeling Amsterdam Oost. In 1994 werd Van Bommel het eerste SP-gemeenteraadslid in Amsterdam. Sinds de entree van de SP in de Tweede Kamer is Van Bommel beleidsmedewerker Onderwijs en Defensie voor de nieuwe fractie. Hij werkte onder andere mee aan het spraakmakende rapport over (het gebrek aan) kansen voor jongeren "Alles Kids?".

Van Bommel studeerde politieke wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam (afgestudeerd in 1994) en doceerde hij enkele jaren Nederlands en Engels op een MBO-school.

Boetes EU bedreigen draagvlak voor Europa

Eurolanden die zich niet aan de begrotingsregels houden, worden in de toekomst vrijwel automatisch beboet

Minister De Jager van Financiën is blij met dit akkoord, omdat hij hoopt dat zo een nieuwe crisis als in Griekenland kan worden voorkomen. Aan dit akkoord kleven echter grote nadelen, die het draagvlak voor de EU ernstig kunnen ondermijnen.

Eurolanden die niet snel genoeg hun overheidsschuld reduceren tot 60 procent van het Bruto Binnenlands Product (het totaal van wat in een land per jaar geproduceerd wordt) kunnen straks fors worden beboet. Hetzelfde geldt voor landen die het financieringstekort niet beneden de 3 procent krijgen. Afspraak is afspraak, zou je kunnen zeggen en in die zin is de blijdschap van minister De Jager wel te begrijpen. Anderzijds zat Nederland in 2009 ruim boven de 60 procent overheidsschuld en hadden we een tekort van 3,9 procent. We lopen dus straks het risico van een forse boete, of we worden geconfronteerd met de noodzaak van draconische bezuinigingsmaatregelen. Dat zijn geen aanlokkelijke vooruitzichten. Nederland staat daarin overigens bepaald niet alleen. Van de zestien eurolanden hebben er elf een te grote staatsschuld en veertien landen overschrijden het toegestane tekort.

Naast een boete voor een te hoge overheidsschuld of financieringstekort kunnen landen ook worden bestraft als er sprake is van onevenwichtigheden in de economie. Hiermee komt een groot deel van het nationale economische beleid onder Brussels toezicht te staan. Niet alleen handelstekorten en wisselkoersen, maar ook huizenprijzen en de loonontwikkeling vallen namelijk binnen dat bereik. Economic governance (invloed) was het doel van de EU-president Van Rompuy, maar dit lijkt meer op economic government (bestuur).

Ik vat het overeengekomen akkoord in ieder geval op als een belangrijke stap op weg naar zo’n Europese economische regering. De economische crisis wordt door voorstanders van een federaal Europa handig gebruikt om een grote sprong voorwaarts te maken.

Natuurlijk kunnen overheidsschulden niet eindeloos oplopen en zullen ze op den duur naar beneden moeten. Er kan echter een goede reden zijn om tijdelijk een hogere schuld aan te gaan. De vorige minister van Financiën Wouter Bos deed dat om de banken te redden. Het zou toch te zot zijn als die reddingsoperatie met een boete werd bestraft, zeker gezien de verwachting dat die operatie uiteindelijk geld oplevert. Ook een tijdelijk hoger financieringstekort kan aanvaardbaar zijn als zo het economisch herstel word aangejaagd door extra overheidsbestedingen. Het is bijzonder ongewenst dat het overeengekomen akkoord deze beleidsvrijheid voor eurolanden beperkt.

Dat de hoge schulden van sommige lidstaten nu problemen geven, heeft ook te maken met het gedrag van de financiële markten. Griekenland heeft kredietverstrekkers afgeschrikt door gesjoemel met cijfers en wordt dus terecht gewantrouwd. We moeten echter niet toestaan dat onder druk van speculanten overheden meer dan noodzakelijk én economisch verstandig gaan bezuinigen. Daarom moet de kwaliteit van de kredietbeoordelingbureaus beter worden bewaakt en is er een noodfonds als dam tegen speculanten. Wat nog mist, is de invoering van een belasting om puur speculatieve transacties minder rendabel te maken en enigszins te ontmoedigen.

De problemen in de eurozone worden in hoge mate veroorzaakt door het feit dat er een gemeenschappelijke munt is geïntroduceerd voor economisch zeer verschillende landen, zonder dat er ook sprake was van een politieke unie. Als bij het creëren van de muntunie meteen was verteld dat eurolanden stapsgewijs de bevoegdheid over hun nationale economieën zouden verliezen, dan zou er beduidend meer discussie zijn geweest over de muntunie. Sterker nog, dan was hij er waarschijnlijk niet eens gekomen.

Nu zitten we met die muntunie en nemen de voorstanders van vergaande Europese harmonisering ook Nederland financieel en economisch in de houdgreep. Meer dan ooit zullen we in de toekomst bij ingrijpende bezuinigingen, inperking van sociale verworvenheden, bevriezing van de lonen en verhoging van de lasten van burgers horen dat ‘het moet van Brussel.’ Strikt genomen is dat dan niet helemaal waar, want keuzes als verhoging van de winstbelasting en aftopping van de hypotheekrenteaftrek blijven mogelijk, maar daar wordt om politieke redenen niet voor gekozen.
Veel erger is dat onze regering zelf met deze belangrijkste stap in de Europese politiek instemt en ‘Brussel’ dus eigenlijk niets te verwijten valt. Zo ontstaat de eigenaardige situatie dat het juist de pleitbezorgers van deze Europese Unie zijn die het draagvlak onder burgers voor die EU ernstig ondermijnen.

Geef een reactie

Laatste reacties (14)