4.123
15

Correspondent Latijns-Amerika

Marjon van Royen (1957) begint haar journalistieke carrière in Italië.
"Ik ging naar Rome, werkte in een Pizzeria en begon daar mijn eerste stukjes te schrijven."
Eerst werkt ze voor de Groene Amsterdammer, later kwam er de radio bij.
Na de zoveelste maffiamoord en regeringswisselingen is ze toe aan wat anders. In 1993 verscheen Italië op maandag over haar ervaringen als correspondent.
Ze werd verslaggeefster voor het NRC Handelsblad en reist op en neer tussen Nederland en Bosnië om de oorlog in de jaren negentig te verslaan.
Daarna werd ze correspondent voor NRC in Latijns-Amerika.
"Het was de mooiste kans die ik van mijn leven heb gekregen. Moet je voorstellen: een heel continent vol Latino's."
De eerste twee jaar woont ze in Mexico-stad, sinds 1999 in Rio de Janeiro.
"Ik hou van dit continent. Van de gesloten Mexicanen tot de uitbundige Brazilianen. Ik hou van de gekte, het gesjoemel. De manier waarop pijn en levensvreugde hier uiteindelijk toch altijd samen op lijken te gaan. Eigenlijk wil ik hier nooit meer weg."
"Latijns-Amerika is het mooiste continent ter wereld, met de vrolijkste en moedigste mensen die je kunt bedenken. Maar ook nog vol ongelijkheid. Elke dag kijk ik met bewondering naar de mensen, en prijs ik de hemel dat ik het geluk heb hier te wonen!"
Nederland vindt ze een mooi land. 'Een prachtige, supergeorganiseerde bibliotheek.' Sinds januari 2003 werkt ze voor de NOS, de Vlaamse VRT en recent ook voor Paradise FM Curaçao.
Voor Marjon zijn radio en schrijven even grote passies. "Het zijn elkaars tegenpolen, en ze vullen elkaar aan. Schrijven is bezinken, terwijl radio de explosie is waarin je met één grote knal het verhaal laat horen. Latijns-Amerika is een geluidsparadijs. Er is altijd iets te horen. Ik woon in de droom van elke radiomaker."
In 2004 verscheen De nacht van de schreeuw over de bijzondere vriendschap met de kokkin Sandra Romero in het mysterieuze en zwijgzame Mexico.
In 2005 won Marjon de Radio 1 Publieksprijs met haar reportage "Sloppenwijk Brazilië", een filmisch en haast documentair verslag van de drugsoorlog in de sloppenwijken van Rio de Janeiro.
Sinds 2005 is er voor de NOS ook televisie bijgekomen. "Ik vond het eerst gedoe, met al die kabels en snoeren. Maar nu weet ik dat veel beelden onmogelijk zijn na te vertellen."
In 2009 won Marjon de 'Prix de Roef' - een interne prijs van de NOS - voor de beste buitenland radio reportage van 2008, en in 2012 voor het beste bureau-onderwerp radio 2011.
Op 1 januari 2013, na dertien jaar correspondentschap, vertrok zij bij de NOS vanwege het roulatiesysteem dat het NOS Nieuws invoerde. Voortaan mogen correspondenten nog maar drie of vijf jaar op een plek zitten. Daarna moeten de correspondenten naar een andere standplaats of terug naar Hilversum om een "frisse blik" te behouden.
In een interview in de Volkskrant zegt van Royen: "In Berlijn moet je anders opereren dan in Rio; het is een volstrekt andere cultuur. Het is veelzeggend dat de leiding van de NOS denkt dat het correspondentschap een trucje is dat je overal kunt toepassen."
"Het is een visie op buitenlandjournalistiek die eigen is aan deze tijd. De eerste vraag is altijd: wat is de Nederlandse invalshoek? We zijn zo met onszelf bezig. In de tijd dat ik correspondent ben, heb ik het zien veranderen. Toen ik dertig jaar geleden begon als schrijvend journalist in Italië, werd elk stuk uit mijn handen getrokken. Nederland was een klein land dat veel van de wereld moest weten, dachten we. Nu vinden wij onszelf groot en willen we de wereld met de Nederlandse maat nemen."
(Foto: Anja van Wijgerden)

Brazilië en instorten

Hoe de boel kan instorten als niemand verantwoordelijkheid neemt

Het was ongeveer één uur in Rio. Het tijdstip waarop in São Paulo het dak van het nieuwe WK stadion instortte. Ik was in de supermarkt. Boodschappen doen. Een onderneming waar je nooit korter dan een uur over doet. Tussen winkelkar en kassa verheffen zich tal van obstakels. Eeuwig stapelende bediendes. Met karren die permanent het gangpad blokkeren. Want ach, winkels zijn hier niet voor de klant. De wil tot verkopen wordt zwaar overdreven.


“Mag ik u iets vragen? Sorry. Zou ik u misschien… Het spijt me.” Schuchter probeer ik ertussen te komen. Het winkelmeisje steekt haar hand op ten teken dat ik stoor. Ze is nog niet uitgepraat met haar collega over hun nieuw gelakt nagel designs. “Het spijt me, maar ik kan de pasta niet vinden”, probeer ik opnieuw als het gesprek eindelijk is afgelopen. “Ah. Die is op”, zegt het winkelmeisje, en draait zich weer naar haar collega. “We verkopen dat merk niet meer”, voegt die eraan toe.
“Dankjewel.”
“De nada”, glimlachen de meisjes. “Graag gedaan.”

Heilige lunch
Door naar de groente. Een jonge man stort met een klap een plastic ton met tomaten in de uitstalbak. De helft ervan rolt over de vloer. In de bak zelf is de tomatensaus gelijk klaar. Ik kijk hoe de jongen met zijn lege ton wegslentert. Zijn ogen staan op: ‘missie volbracht’.  Na drie rondjes over de groente afdeling geef ik het op. Geen zakjes meer. En geen mens om ze aan te vragen.

Natuurlijk! Lunchtijd. Het heilige middageten. “Het spijt me. Die is met almoço.” Hoewel het volgens de CAO’s maar één uurtje duurt, is de almoço ‘de’ reden waarom je tussen 12 en 4 nooit iemand te spreken krijgt. Of het nu gaat om een verfwinkel, je bank, of het ziekenhuis zelf.

Dus, op naar het bier. Via de pasta. Hé, nu is hij er wel. Haha, geen wonder dat ik hem niet vinden kon. Die nagelmeiden stonden er precies vóór!
“Kan ik hier misschien door alstublieft?” Vriendelijk. Altijd vriendelijk. Zoals iedereen in Brazilië de vriendelijkheid zelf is. Behalve, soms, als er gewerkt moet worden. De droevigste liedjes gaan over werk hier, zoals Trabalhar. (video)

Spattende flessen
Twee laadkarren, overdwars in het pad van de drinkafdeling. En twee mannen bezig met het stapelen van pallets met flessen. De een bouwt een toren van fris, de ander een toren van flessen spuitwater. Ik wacht tot de laatste klaar is. Terwijl hij zijn kar weer een stukje verder duwt, zie ik dat zijn spuitwatertoren wankelt. Boven mijn macht probeer ik de bovenste pallet met mijn handen tegen te houden. Te laat! Bruisend spatten de flessen op de vloer te pletter. Ik kijk naar de mannen. Ze stapelen gewoon verder. Nu begint verdorie die hele spuitwatertoren schuiven. “Hé. Help even”, roep ik naar hen. “De boel dondert in elkaar.”

Ik probeer de toren te stutten, maar in mijn eentje hou ik dat niet. Eindelijk draait de man die de toren gebouwd heeft zich om. “Por favor, alstublieft?”, smeek ik. Hij kijkt even, haalt zijn schouders op en gaat weer verder met stapelen: “Dat is niet mijn verantwoording”, zegt hij.
“En u dan”, roep ik tegen de ander. “Kunt u niet even helpen?”
Een rustige glimlach: “Het is ook niet mijn verantwoording”, zegt hij stapelend.

“Dus het maakt niet uit dat de boel instort?”
In paniek probeer ik de boel te verstevigen met frisdrank en cola in de flanken. Ik loop snel een ander gangpad in op zoek naar hulp. Daar zie ik een winkelmevrouw met een naambordje op haar bloes gespeld. Zij moet een hoge zijn. “Daar staat een stapel mineraalwater op instorten”, wijs ik. “Kunt u wat doen?”

De winkelmevrouw schudt haar hoofd. “Nee, helaas. Daarvoor moet u bij de manager zijn. En die is almoçar.”  Ik verlies mijn geduld. “Dus het maakt niet uit dat de boel instort”, roep ik door de winkel. “Als je zelf maar niet verantwoordelijk bent. Wat een land. Rampen die gebeuren, omdat niemand verantwoordelijkheid…”  Beng, kletter, psjoe. Op dat moment stort de spuitwatertoren in.

Gered door het middageten
“U bent wel een strijder hè”, zegt een oudere vrouw achter me als ik later bij de kassa beschaamd sta af te rekenen. Ik heb net het bericht gezien van het stadion in São Paulo. Twee doden.
Later lees ik verklaring van één van de bouwvakkers: “Ik was net onder die hijskraan doorgelopen om te gaan lunchen. Als er op dat moment geen almoço was, waren er veel meer doden gevallen.”

Hoogvliegende projecten
Natuurlijk had niemand in Brazilië verwacht dat de stadions op tijd klaar zouden zijn. Of dat ze goed bereikbaar zijn. Of dat er genoeg hotels en goede vliegvelden zouden zijn. Het laatste nieuws over het schilferig verlaten vliegveld van Rio is dat het 6 maanden ná het WK van volgende zomer verbouwd zal zijn.

Nee. Waar het om gaat is het idéé. Het gevoel dat het WK en de Olympische Spelen iets groots zijn. Dat ze Brazilië optillen en van het land een hoogvlieger maken. Dat is op zichzelf al meer dan genoeg.
Ik weet niet waarom ik opeens terug denk aan de laatste Braziliaanse raketlancering.
Ja, ook Brazilië zou aan ruimtevaart doen. Het was augustus 2003. Die ochtend werden de laatste proeven gedaan. Opeens gaat één van de startmotoren uit zichzelf aan. Ratelend en proestend staat de raket in zijn lanceerbasis in het noorden van Brazilië. Dan ontploft hij. Honderden kilometers in de omgeving vallen er stukjes raket neer. Eenentwintig doden. Het hele ruimtevaartcentrum verwoest. Einde ruimtevaartdroom Brazilië. Omdat het lunchtijd was, almoço, en er niemand in het controletoren zat.

Volg Marjon van Royen ook op Twitter

Geef een reactie

Laatste reacties (15)