15.141
62

Researcher

Natasha Gerson schreef o.a. enkele romans, een non-fictieboek over de praktijk van milieu en gezondheid, en de speelfilm 'Calimucho'. Ze was columniste bij Vrij Nederland en het Nieuw Israëlitisch Weekblad, en schrijft af en toe een beschouwing of een recensie voor de Groene Amsterdammer. Haar voornaamste activiteit sinds 2008 is research in opdracht van media, bedrijven en particulieren. Sinds 2009 participeert ze in FLaC, een internationaal onderzoek naar de deportagielogistiek van zware dwangarbeidsokampen in de Tweede Wereldoorlog.

Conservatieve website Jalta bezoedelt Marokkaanse WOII-bevrijders

De 'slachtoffers van Freudenstadt' zijn nooit verzwegen en het echte verhaal zit heel anders

In april verschenen op de zelfverklaarde conservatieve opiniesite Jalta twee stukken van de hand van Bart Schut. Het eerste was een soort making-of met als titel ‘Hoe massaverkrachtingen door Marokkaanse troepen tijdens WOII de censuur niet overleefden’ en fungeerde als ronkende aankondiging van het tweede stuk: ‘Marocchinate’ in Duitsland – De vergeten vrouwen van Freudenstadt. De publicatie viel samen met het 70-jarig jubileum van de inname van het Zuid-Duitse stadje door geallieerde troepen. In de stukken worden massaverkrachtingen beschreven die nooit eerder aan het licht zouden zijn gebracht. De artikelen zetten de Marokkaanse soldaten die aan geallieerde zijde meevochten weg als oorlogsmisdadigers, als mensen die het amper waard zijn te herdenken. Daarmee wordt de reputatie van bevrijders die tegen de nazi’s vochten besmeurd. En het hele verhaal klopt niet.

In de stukken worden massaverkrachtingen beschreven die nooit eerder aan het licht zouden zijn gebracht. De artikelen zetten de Marokkaanse soldaten die aan geallieerde zijde meevochten weg als oorlogsmisdadigers, als mensen die het amper waard zijn te herdenken. Het verhaal is geschreven op basis van een eerder artikel van zijn hand uit 2006, dat indertijd geweigerd werd door het Marokkaanse blad Telquel. Volgens Schut was de afwijzing een gevolg van angst voor de staatscensuur. Bij oppervlakkige lezing is de conclusie over de Frans-koloniale, en Marokkaanse troepen die aan geallieerde zijde tegen de nazi’s vochten: ‘Wat een beesten’. Maar bij nadere beschouwing blijkt zijn ‘onderzoek’ helemaal geen onderzoek te zijn. De verhalen die hij aanhaalt zijn met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gewoon verzonnen en Schut verzint er nog een en ander omheen.

Cassettebandje
Bart Schut stelt in zijn eerste artikel dat hij in 2006 in Freudenstadt ‘diepgravend onderzoek’ heeft verricht ‘in het stadsarchief’. Dat hij met ‘slachtoffers en nabestaanden’ van de verkrachtingen sprak. Maar vreemd genoeg komen die verder niet in zijn verslag voor. In het tweede stuk blijken de slachtoffers vervangen door twee oudere Freudenstadter dames van een historisch clubje. Ze hebben zelf niets meegemaakt, maar dissen verhalen op die al heel lang verkondigd worden en die hij niet verder onderzoekt. De enige historicus die hij sprak is de inmiddels overleden stadschroniqueur Gerhard Hertel, auteur van een boek over het einde van de oorlog in het gebied.

Het verhaal van Schut rammelt niet alleen aan alle kanten, het leunt op extreemrechtse bronnen, ook al ontkent hij dit zelf met klem. Zo is er de cassetteband met de getuigenis van dr. Renate Lutz-Lebsanft, tussen 1943 en 1945 assistent-gynaeocologe in het plaatselijk ziekenhuis. Al vele jaren geldt zij als kroongetuige voor de bewering dat er minstens 600 vrouwen verkracht zijn nadat de geallieerden de nazi’s in het gebied hadden verslagen.

De journalist zegt de bewuste geluidsopname opgediept te hebben uit het stadsarchief van Freudenstadt. Het hoofd van het Freudenstadter archief ontkent eerst dat de opname bestaat maar na enig aandringen wordt duidelijk om welke cassetteband het moet gaan. Er klinkt wat ongemak door, de opname komt uit een nalatenschap en is eigenlijk niet openbaar. Schut heeft het bandje dan ook niet van hen, maar waarschijnlijk van een van de dames. Op verzoek wordt de gedigitaliseerde versie toegezonden en bij beluistering valt de gêne te begrijpen. Het interview stamt uit 1993 en gaat maar tendele over de verkrachtingen. In negentig minuten vertelt dr. Renate Lutz-Lebsanft nagenoeg haar hele levensverhaal en geeft haar meningen over heden en verleden krachtig weer.

Hitler als messias
De dan 76-jarige arts zit op haar praatstoel en ontsteekt in een monoloog van extremiteiten. Ze vertelt dat slechts zelden een vrouw haar echt vertelde verkracht te zijn, ze vermoedde het slechts op basis van hun houding en ging dan over tot de voorgeschreven preventieve spoelingen. Ze pleegde inderdaad abortussen, maar dat deed ze tijdens de oorlog ook en bleef dat nog jaren doen.

Ze draagt een, door Schut onvermelde, oorzaak aan voor het feit dat er nooit slachtoffers zijn gaan spreken over wat hen is aangedaan. Niet alleen zou er sprake zijn van schaamte maar ook werd er gezwegen omdat volgens haar de vrouwen gewoon simpele wezens waren. De herinneringen aan de groepsverkrachting zouden ondergesneeuwd zijn geraakt in de rest van de rottigheid in hun levens, zoals huiselijk geweld, meent ze.

Ze vertelt ook over Marokkanen en hun nageslacht: als baby’s zijn ze weliswaar betoverend mooi maar binnen de kortste keren manifesteren ze zich als een vloek, zegt ze. Het klinkt nogal racistisch en dat is het ook. Wat niet mag verbazen want de vrouw manifesteert zich ook in de jaren negentig nog als een overtuigd nazi. Ze doceert op het bandje over de opkomst van Adolf Hitler, die volgens haar een voorbestemde messias was voor het, na de Eerste Wereldoorlog geknechte en vernederde, hoogstaande Duitse volk. De jodenvervolging (‘Was gehts mich an!’) doet ze af door die te vergelijken met een aanrijding voor de deur: spijtig maar helaas. De oude vrouw blikt nostalgisch terug op de tijden waarin Stuttgart een ‘Richtig saubere’ stad was, ontdaan van hoelalahoela’s, zoeloekaffers, zigeuners en ander minderwaardig gespuis dat nu weer overal rondloopt.

En nog veel meer. Het gaat maar door en het gaat maar door. De opname wordt afgebroken als zij op tafel slaat en ze, terwijl de kopjes rammelen, oppernazi Göring citeert met handelen volgens Hitler’s Recht und Wille. De getuigenis is zo onvoorstelbaar dat het wel een parodie lijkt, maar het is echt een vrouw die bijna vijftig jaar na de oorlog nog niets geleerd heeft. Ze kwam ook voor in de bekende documentaire Befreier und Befreite van Helke Sander, die hoofdzakelijk ging over Russen en Berlijn, maar die Freudenstadt en de beweringen van dr. Lutz daarover aanvoerde als verbredende bijzaak. Overigens is dat juist het deel van de documentaire waar altijd al de meeste kritiek op was. Ook dit wordt door Schut verdraaid.

Geboortecijfers
De dokter had, zo blijkt nu ook uit deze unieke opname, ook een probleem met cijfers. Zoals gebruikelijk was in de glorietijd van de nazi’s, overdrijft ze die stelselmatig à la ‘Duizendjarig Reich’ en ‘Totaler Krieg’. Zo vertelt ze bijvoorbeeld dat haar kraamafdeling (die ze praktisch eigenhandig bestierd zou hebben) in oorlogstijd 220 constant bezette bedden telde. Ter vergelijking: het Berliner Charité, toen en nu nog het grootste ziekenhuis van Europa, had in diezelfde tijd 77 kraambedden.

Er werden volgens Lutz gemiddeld zes(!) kinderen per nacht geboren waardoor zij permanent dagen van 16-20 uur maakte – dat lag volgens haar aan al die evacuées en dat de hele streek het liefst in Freudenstadt kwam bevallen. Nu waren die evacuées er inderdaad, maar Freudenstadt was niet een van die aangewezen toevluchtsoorden voor zwangeren zoals bijvoorbeeld Lindenberg. De geboortecijfers ondersteunen haar beweringen dan ook niet: de mannen waren aan het front.

Wie de opname beluistert hoort direct dat deze vrouw geen betrouwbare bron is. Schut negeert dat niet alleen en onthoudt de lezer dus wezenlijke nieuwe informatie, maar hij gaat nog een stap verder. Hij verzwijgt haar nazi-opvattingen maar vermeldt wel uitspraken die de lezer een positief beeld van haar moeten geven. Bijvoorbeeld een aantal nuanceringen over Marokkanen, dat die het zelf ook moeilijk hadden en zo, maar die uitspraken zijn opvallend genoeg niet op de opname terug te horen. Hoe Schut eraan komt blijft een raadsel.

Daar blijft het niet bij. Schut beschrijft bijvoorbeeld ook de lotgevallen van de halfjoodse mevrouw A., die na ‘verkrachting door drie Marokkanen aan de Bodensee’ een abortus geweigerd zou zijn omdat ze zelf niet arisch was. Dat verhaal heeft hij volgens eigen zeggen ontleend uit een academisch essay van Kirsten Poutros uit 1995. Het artikel geeft hij de Nederlandse titel ‘Verkrachting en abortus – Massafenomenen aan het einde van de oorlog’ mee. Dat artikel bestaat niet, het is een verdichting van twee andere titels van Poutros. Een stuk heeft als titel ‘Das Abtreibingsphänomen im Sowjetisch Bezetzten Nachkriegsdeutchland’ (let op: dat gaat dus over het door de Russen bevrijdde deel van Duitsland). Haar scriptie, uit dezelfde tijd, Von den Massenvergewaltigungen zum Mutterschutzgesetz, is een werk dat vaak geciteerd wordt door onderzoekers als het gaat om de gedragingen van Russen in Oostduitsland. Beide werken zijn namelijk gebaseerd op haar onderzoek in district Charlottenburg, Berlijn. Daarna heeft ze geen verder onderzoek naar het fenomeen gedaan. We hebben Schut gevraagd uit welk artikel hij de informatie over Marokkaanse misdragingen heeft. Of te vertellen waar dan ook maar Poutros heeft geschreven over Marokkanen, de omgeving Bodensee of zelfs maar het Franse gezag na de capitulatie. Hier is hij niet op ingegaan, op geen enkele vraag van onze kant trouwens.

Nederland
“Er hebben geen Marokkaanse troepen deelgenomen aan de bevrijding van Nederland, wel hebben zij een niet onbelangrijke rol gespeeld bij het verslaan van de nazi’s in Europa. Naar schatting 77.000 van hen hebben onder Frans bevel tegen de Duitsers gevochten, waarbij er zo’n 8.000 zijn omgekomen. Het is een bijdrage die wij moeten herinneren en waarvoor wij hen die deze offers brachten, moeten eren”, schrijft Schut in het eerste stuk. Maar, zo oreert hij verder: “we leven niet meer in de jaren 50, de tijd van blinde heldenverering is voorbij. Je kunt alleen oprecht de rol van de Marokkaanse soldaat in de Tweede Wereldoorlog bewonderen wanneer je ook de schaduwkant van zijn optreden onder de loep neemt. 70 jaar na dato zwijgen wij niet langer over oorlogsmisdaden aan geallieerde zijde.”

Waar of wanneer dan ook is de ‘blinde heldenverering’ voor deze troepen vertoond? Of zelfs maar de meest basale erkenning dan wel enig eerbetoon? De veteranen moesten in werkelijkheid ook na de oorlog vechten, voor een mager pensioen van de Franse staat. Hun misdaden zijn niet verzwegen, eerder overdreven. Maar hun aandeel is er wel om weggepoetst. Om je iets te herinneren, of te herdenken, of te bekritiseren, moet je er natuurlijk in de eerst plaats van wéten. En de meeste Nederlanders weten nauwelijks dat dat Marokkanen en Algerijnen überhaupt meevochten tegen de nazi’s.

Er valt ontzettend veel over de Franse troepen in het Schwarzwald van die dagen te beschouwen en te (her)overwegen. Veel bewijs is er niet voor de massaverkrachtingen. Er zijn schattingen gedaan en die getallen zijn vanaf de eerste jaren na de oorlog eindeloos gerecycled. Maar langzamerhand is duidelijk geworden dat die cijfers niet betrouwbaar zijn, noch de bronnen ervan. De aprildagen van 1945 in Baden-Württemberg zijn de laatste tien jaar, meer dan ooit, intensief onderzocht door veel onderzoekers vanuit verschillende gezichtspunten. Veel werk is gedaan door moedige Duitse onderzoekers in weerwil van lokale weerstand daartegen. Want dit is wel een zeer interessante regio voor Tweede-Wereldonderzoekers, waar langzamerhand toch een inzichtelijk totaalplaatje van ontstaat. ‘Hitler’s Home Front’ is een gebied waar na de oorlog veel van de oude ambtelijke, geestelijke en medische structuur uit de nazi-tijd in stand bleef. Uit die hoek kwamen de cijfers ook. Daarmee is veel, maar bij lange na niet alles, gezegd over de context van het onderwerp, een context die Bart Schut voor het gemak in zijn geheel weglaat.

Angst
Opmerkelijk: door de jaren heen heeft zich nooit één slachtoffer bekendgemaakt, laat staan om erkenning gevraagd, van de zogenaamde ‘Marrochinate’ in het Zwarte Woud, zoals de groepsverkrachting wordt genoemd naar de Italiaanse gebeurtenis. Ondanks dat er naarstig naar hen gezocht is. Deze leemte wordt door aankaarters altijd verklaard als een gevolg van schaamte, versterkt door ‘rassenhygiënische’ noties en bezoedelingswaan. Zo werd van gebrek aan bewijs zélf het bewijs gemaakt.

Massale misdaden, waaronder verkrachting, door geallieerde Marokkaanse soldaten in Italië – overigens voor een groot deel andere manschappen dan in Duitsland – zijn wel bewezen. Die in Oost-Duitsland en Berlijn door Russische soldaten ook. Er zijn in die gevallen onverdachte getuigen, er zijn moedige, uitgesproken slachtoffers, er is documentatie, er is nasleep geweest. Massaverkrachtingen laten namelijk allerlei demografische en epidemiologische sporen na. In Zuid-Duitsland zijn die echter niet te vinden, althans geen sporen die te ontwarren uit zijn uit alle andere factoren die horen bij elke oorlogsafloop. Ja, er hebben verkrachtingen plaatsgevonden na de bevrijding. Een praktijk die, zoals men nu constateert, ‘zelfs’ onder de Amerikanen voorkwam. Er zijn dan ook 8 – en niet zoals Schut schrijft 18 – standrechtelijke executies geweest voor plundering en verkrachting, en 2 voor moord.

Er heerste in het bewuste gebied vooral ontzettend veel tevoren opgeklopte angst voor ‘de Marokkanen’ die later herinnerd werd. Dat is de conclusie van de weinigen die zich er echt in verdiept hebben, zoals het onderzoekersechtpaar Brändle. Zo zijn er de steeds terugkerende ‘voorbeelden’ van de vrouw die 128 keer verkracht werd en de vrouw die doodbloedde in haar kraambed na groepsverkrachting. Het zijn slachtoffers die steeds andere woonplaatsen hebben, die nooit namen hebben, die documentatieloos, lokatieloos, grafloos en nazaatloos blijven. Zo is er ook ‘het dorp’ waar ‘iedereen’ verkracht werd door dronken Marokkanen, waarvan de locatie in de verhalen blijft rondzweven ergens tussen Karlsruhe en Tübingen, als een fata morgana want het is nooit gevonden. Die verhalen komen nu weer tot leven op het web en er wordt over geruzied via Wikipedia en Axis.

Schut bagatelliseert het aandeel van de Marokkaanse soldaten in de strijd tegen de nazi’s. Hij heeft het terloops over de bevrijding van ‘een paar concentratiekampen’, om vervolgens te schrijven dat dit ‘aan hun misdaden niets afdoet’. Maar dat is wel een erg grote omissie.

Horror
De regio was bezaaid met kampen en kampjes 29 vernichtung-durch-arbeitkampen waar behalve joden ook veel, ook Nederlandse, maar vooral Franse verzetsstrijders onder het ‘Nacht und Nebel’ decreet waren gecrepeerd. Er waren nog talloze andere lokaties vol krijgsgevangenen en dwangarbeiders, vaak onder mensonterende omstandigheden gehouden, die als dependances van de hel tussen hun lieflijke dorpjes en soms midden in hun idyllische stadjes lagen. Menselijke brandstof voor de oorlogsindustrie en ter profijt van zo’n beetje de hele lokale economie, tot huishoudens en kleine bedrijven aan toe. Dat was namelijk de realiteit van Freudenstadt en omgeving in 1944 en 1945. De koloniale infanterie, bivakkerend in het buitengebied, liep er als eerste tegenop.

Horrortaferelen troffen de geallieerde bevrijders aan. Een eindeloze stroom vervuilde en verhongerde ontheemden. Haastig verhulde massagraven, barakken vol bijna-doden, de resten van uit elkaar gevallen dodenmarsen langs de wegen. In wat nog een volledige frontsituatie was – met domme acties van gehersenspoelde gezagstrouwen aan Hitler’s ‘nuloptie’ erbij – was dat nu hun volgende opgave. Zonder dat er nog enige hulpstructuur of zelfs afdoende eigen rantsoenen en medische equipage was. Monden te voeden, mensen te kleden. Mensen tevreden te stellen die eisten dat specifieke Duitsers werden gearresteerd of gewoon afgestraft.

Dat zet plunderingen waarbij Franse meerderen een oogje dichtknepen in een behoorlijk ander daglicht. Het is de andere kant van de medaille van wat Bart Schut samenvat als ‘een discliplinieprobleem’. Alleen als je alles negeert dat zich daar allemaal afspeelde, wat toch ook niet echt volgens de Geneefse conventie en het algemeen fatsoen was geweest, kun je pruilen met eenzijdige bronnen dat Freudenstadt ‘niet aangevallenen had mogen worden omdat het een Lazaretstad was’.

Er is allerlei wetenswaardigs over die dagen in de archieven te vinden. Wie een witte vlag uithing, overkwam sowieso niets. Maar daar was weer die hondstrouw van de hondstrouwen aan de Endsieg. Die van geen capitulatie wilden weten. Tant pis pour eux, dachten de Fransen dan. Vanaf juni 1945 werden partijleden – ook vrouwen – op verschillende plekken onder bewaking van Marokkanen gedwongen massagraven te ruimen en bewoners gedwongen deze te aanschouwen. Ook een bezoedelende ervaring waar liever niet over gesproken werd, die tot substituutherinneringen bij hen kan hebben geleid, of verwarring bij hun kinderen. Er was allerlei onrecht en geweld. Artsen, priesters, politiemannen en burgemeesters deden over van alles hun beklag bij het Frans gezag: dat kon dus wel. De verkrachtingscijfers stammen van dezelfde personen, maar meestal pas veel later en werden nooit gedocumenteerd.

Er is veel meer te vertellen over de koloniaal-Franse inzet bij de laatste fase van de geallieerde overwinning. Hoe weinig persoonlijk gewin, en hoeveel te verliezen, de soldaten hadden bij het plegen van oorlogsmisdaden, sinds het echec van Italie. Niet alleen omdat ze executie riskeerden, maar omdat van hele regimenten de soldij werd ingehouden tot hun terugkeer. Dat de bevrijding van Zuid-Duitsland voor een groot deel andere manschappen betrof dan de troepen die zich in Italië schuldig hadden gemaakt aan verkrachtingen. Dat ze wel eerst heel Frankrijk hadden doorgevochten.

Voeg daarbij dat sinds Italië de propagandamachine van de Völkische Beobachter en Goebbels’ radiospeeches niet had stilgestaan. De Duitse bevolking was doodsbang gemaakt voor de oprukkende Marokkaanse soldaten. En dat al langer dan de Tweede Wereldoorlog zelfs: al in de jaren twintig was er een enorme weerzin tegen stationering van koloniale ‘Versailles’ troepen en deden complottheoriën over moedwillige rasvervuiling de ronde. Hitler recyclede ze dankbaar in ‘Mein Kampf’. De Frauenschaft had ‘noodprotocollen’ geoefend. In het Oostenrijkse Tirol en Voralberg, door dezelfde Marokkanen bevrijd, is nooit sprake is geweest van verkrachtingen.

Schut exploiteert op schaamteloze wijze een al twijfelachtige historie om Marokkanen te demoniseren en misbruikt daar zelf de Freudenstadter vrouwen voor. Dat doet hij, net als altijd gedaan is, door middel van herhalingen, verdraaiingen en verzinsels.

Dat is geen journalistiek, dat is propaganda.

Met dank aan Jamal Beija

Lees ook de reactie van Barts Schut: Misdrijven ontkennen omdat het over Marokkanen gaat

Geef een reactie

Laatste reacties (62)