4.949
78

Socioloog UvA

Laurens Buijs is socioloog en als promovendus werkzaam op de Universiteit van Amsterdam. Eerder gaf hij onder andere les bij de opleiding Politicologie en deed hij voor de gemeente onderzoek naar de motieven van daders van antihomoseksueel geweld. Hij is voorzitter van UvA Pride, het homonetwerk van de UvA. Momenteel doet hij bij het Amsterdams Instituut voor Arbeidsstudies (AIAS) onderzoek naar de invloed van vergrijzing en migratie op solidariteit in gemengde wijken.

De afbraak van homocultureel Amsterdam

In mijn ogen is heteronormativiteit, en niet de multiculturele samenleving, de belangrijkste oorzaak van de aftakelende homoscene.

“Where is the Exit Café?”, vragen twee toeristen me met een Lonely Planet van Amsterdam in de hand, opengeslagen op de sectie “Gay & Lesbian”. Het een vrijdagavond in mei, de Reguliersdwarsstraat is uitgestorven, de meeste café’s zijn dicht. “You didn’t pick the right time to visit Amsterdam I’m afraid”, antwoord ik maar.

De Amsterdamse homoscene zit in een crisis. In hoog tempo valt de homohoreca om: April, Exit Café, Exit Club, SOHO, Sappho, ’t Leeuwtje, Palma’s Hoekje, de Cockring: allemaal kroegen die de afgelopen tijd hun deuren (al dan niet tijdelijk en om uiteenlopende redenen) hebben moeten sluiten.

Tegelijkertijd staat het geweld tegen homo’s in de hoofdstad prominenter dan ooit op de agenda. Met de regelmaat van de klok berichten de media over homo’s, lesbiennes, transseksuelen en travestieten die klappen krijgen in de openbare ruimte, soms in het hart van de homoscene, soms met serieus letsel tot gevolg.

De homogemeenschap is gefrustreerd. Dat bleek ook zondag 13 juni jongstleden, toen zo’n duizend mensen zich verzamelden op het homomonument bij de Westerkerk. Geen actie van het COC, zo benadrukten de organisatoren in alle haast, maar een authentieke, spontaan opgekomen, ‘grassroots’ beweging van LGBTQ’s (lesbiennes, gays, biseksuelen, transgenders en queers). Directe aanleiding: drie geweldsincidenten binnen een maand.

De homohoofdstad van de wereld, dat is Amsterdam allang niet meer. De huidige homoscene is een pijnlijk slap aftreksel van de florerende, wereldberoemde en taboedoorbrekende scene van de jaren ’80 en ’90. Met een lange rij aan goedlopende kroegen en discotheken werd de Reguliersdwarsstraat het zelfverzekerde epicentrum van de homogemeenschap. Van daaruit ontstonden nog stoutmoediger initiatieven: in 1987 opende de RoXY haar deuren aan de Singel, en twee jaar later volgde de iT aan de Amstelstraat.

Met de komst van deze twee discotheken drukte de homogemeenschap een belangrijk stempel op het Amsterdamse nachtleven. Ze waren al snel ‘the place to be’ voor homo én hetero, een ongekende stap naar maatschappelijke acceptatie van een tot dan toe gemarginaliseerde minderheid. Opeens werden extravagantie, travestie en seksuele diversiteit omarmd door het mainstream uitgaanspubliek. Tijdens de Gay Games in 1998 benadrukte de stad krachtig dat deze diversiteit ook in het straatbeeld de nieuwe realiteit was: een week lang verkeerde alles en iedereen in Amsterdam in een roze euforie.

In nog geen decennium afglijden van ‘homohoofdstad’ naar ‘homofoobstad’, hoe is dat te verklaren? Het antwoord wordt vaak gezocht bij de multiculturele samenleving. Pim Fortuyn geloofde dat homoseksualiteit door de veronderstelde ‘islamisering’ van Nederland onder druk is komen te staan. Deze stem wordt vandaag de dag nog krachtiger verwoord door Geert Wilders, die de geringe acceptatie van homoseksualiteit door allochtone jeugd ziet als een bewijs voor het feit dat de Nederlandse tolerantie en islam onverenigbaar zijn. De oplossing is volgens hem: grenzen dicht, islam stevig inperken en harder straffen.

Onderzoek wijst echter uit dat het probleem veel complexer is. Inderdaad blijken allochtonen significant negatievere houdingen te hebben tegenover homoseksualiteit dan autochtonen, maar tegelijkertijd is nog steeds een meerderheid van de allochtonen voorstander van het homohuwelijk en zijn zij nergens in Europa zo homovriendelijk als in Nederland. Uit het onderzoek naar antihomogeweld dat ik samen met collega-sociologen Gert Hekma en Jan Willem Duyvendak deed blijkt bovendien dat Marokkaanse jongens weliswaar oververtegenwoordigd zijn als dader, maar dat autochtone jongens niet ondervertegenwoordigd zijn.

Dit laatste gegeven is in strijd met hardnekkige veronderstellingen onder de bevolking: als het inderdaad zo is dat de homo-emancipatie onder autochtonen is voltooid en er slechts problemen zijn onder etnische minderheden, hoe is het aandeel autochtone jongeren in de dadergroep dan te verklaren? Voor het antwoord moet gegrepen worden naar een centraal concept uit de genderwetenschap: heteronormativiteit.

Heteronormativiteit is een term die wordt gebruikt om een dominant maatschappelijk denkraam aan te duiden, namelijk dat van heteroseksualiteit als de normale seksuele oriëntatie. Dat homoseksualiteit wordt gezien als een afwijking van deze norm blijkt al uit het feit dat niet hetero’s maar homo’s worden geacht ‘uit de kast’ te komen: zij dienen hun omgeving ervan op de hoogte te stellen dat zij op het gebied van liefde en seksualiteit andere keuzes zullen maken dan je zou verwachten op basis van hun geslacht.

Heteronormativiteit gaat niet alleen gepaard met maatschappelijke verwachtingen op het gebied van seksuele oriëntatie, maar ook op het gebied van gedrag. Voor mannen en vrouwen gelden aparte culturele gedragsregels waarin niet teveel gevarieerd mag worden. Kinderen wordt al op jonge leeftijd geleerd wat ‘typisch mannelijk’ en ‘typisch vrouwelijk’ is. Dit binaire systeem leidt tot intolerantie naar tussenvormen: mannen die aan ballet doen of vrouwen die op voetbal zitten; velen vinden al snel dat daar iets geks mee is.

In Nederland is de tolerantie voor andere seksuele oriëntaties de afgelopen decennia duidelijk gegroeid, maar op het gebied van gedrag en identiteit zijn wij nog altijd zeer heteronormatief. Onderzoeken van het SCP wijzen uit dat Nederlanders homoseksuelen ‘okay’ vinden, als ze maar normaal doen: extravagantie en nichterigheid wordt door de meerderheid gezien als storend en niet authentiek. Zelfs de daders van antihomogeweld die ik interviewde benadrukten vaak dat zij helemaal niets tegen homo’s hebben. Zij kwamen daarentegen in opstand tegen extravagantie en nichterigheid, en voelen zich daarin gesteund door heteronormatieve denkbeelden die ook onder de autochtone bevolking dominant zijn. “Ze  waren een beetje verwijfd. Dat mag van mij, maar ga dan niet naar een omgeving waar van je verwacht wordt dat je een echte man moet zijn”, legde een autochtone dader uit die enkele mannen in een sportschool bespuugde en bedreigde.

Onlangs werkte ik mee aan een onderzoek waarin 23 autochtone jongens vanaf hun coming out twee jaar werden gevolgd. Als geen ander voelen zij de heteronormatieve druk om ‘gewoon te doen’: “Als je tv kijkt, daar komen toch voor mijn gevoel, zeg maar de übernichten, om het maar even zo te zeggen. […] En dan had ik voor mezelf zo van: zo wil ik niet zijn, zeg maar. Zo met een handtasje. Voor mezelf had ik dan zo iets van: het kan niet en het mag niet.” Kennelijk is de heteronormatieve druk zo groot dat zij weinig anders kunnen dan eraan gehoorzamen.

De homojongens van nu zijn niet bezig met het ontkennen van hun seksuele voorkeur, maar ondernemen allerlei krampachtige pogingen om ‘typisch homogedrag’ te ontlopen. Zij vinden dat het interessante deel van hun persoonlijkheid pas begint waar hun homoseksualiteit ophoudt, en geven aan “als mens, en niet als homo” gezien te willen worden.

Alles wijst erop dat heteronorrmativiteit nog altijd aan kracht wint in Nederland, en in toenemende mate ook door homo’s zelf wordt geïnternaliseerd. In hun zoektocht naar normaalheid in een heteronormatieve samenleving zijn jonge homo’s nauwelijks nog solidair met homo’s die van de normen afwijken. Nichten, travestieten en andere homo’s die niet altijd aan heteronormatieve verwachtingen kunnen of willen voldoen zijn de grote verliezers: “Iemand die heel vrouwelijk is, echt gewoon te vrouwelijk, dan denk ik van ja, dat vind ik ook niet leuk. Het moet wel normaal blijven. Ik zou me er ook niet prettig bij voelen als ik bijvoorbeeld naast een zwerver op straat loop.” Een andere jongen vertelt: “Het ex-vriendje van een vriend van me, die was heel vrouwelijk. En dan waren we aan het winkelen en dan worden we gewoon echt nageroepen van ‘oh kijk daar lopen homo’s!’ En dan denk ik van ja, dat wil ik ook weer niet.”

Hun binding met de homoseksuele subcultuur is daarom minimaal. Ook omdat zij door het internet een alternatief hebben voor het ontmoeten van andere homo’s, laten zij de homohoreca massaal links liggen. Zij sluiten zich aan bij protestgroepen op Hyves en Facebook tégen evenementen als de Gay Pride, die volgens hen het hokjesdenken alleen maar versterkt: “Ik was bij de Gay Pride en ik had zoiets van ‘ja, ik vind er niks aan’. En toen ben ik terug gelopen de stad in,toen ben ik gaan winkelen en toen ben ik met de trein terug naar huis gepakt. Het is daar weer zo overdreven, ja echt overdreven. Het moet met ‘huhu’ en leren broekjes en blote buiken en weet ik veel wat allemaal niet. En ik kan me best voorstellen dat je je af en toe uit wilt leven, maar voor mij is het net wat té zeg maar, gewoon té overdreven, té homo, té alles, té zeg maar.”

In mijn ogen is heteronormativiteit, en niet de multiculturele samenleving, de belangrijkste oorzaak van de aftakelende homoscene. Dan blijft het wel verrassend dat het opeens zo snel lijkt te gaan, want  in de sociologie is het een bekend gegeven dat de tijdgeest sneller verandert dan de realiteit. Dit komt door wat ook wel ‘padafhankelijkheid’ wordt genoemd: in het verleden opgezette instituties zijn doorgaans hardnekkig waardoor de praktijk van vroeger zich ook in een veranderende samenleving voortzet. Maar met het verdwijnen van de homohoreca om allerlei juridische redenen is het pad naar het Amsterdamse homoverleden echter versneld afgesneden.

In de week na de sluiting van de iT in de jaren ’90 stonden nog elke avond tientallen mensen voor de deur te protesteren. De kroegen in de Reguliersdwarsstraat sluiten echter geruisloos, zonder enige vorm van protest of verontwaardiging. Dit is een teken van een veranderende tijdgeest: de jonge generatie homo’s is te druk met ‘normaal zijn’ om zich te bekommeren om de homocultuur. En de oudere generaties homo’s kunnen  zich niet druk maken om het verdwijnen van homokroegen die hun ziel hebben verloren met de overname door horecamagnaten als Sjoerd Kooistra, die deze het afgelopen decennium heeft omgevormd tot onoriginele geldmachines.

Mijn verwachting is dan ook dat wij nu getuige zijn van het definitieve verval van de Amsterdamse homohoreca. Hiermee verliest de stad niet alleen zijn leidinggevende positie in het lucratieve internationale homotoerisme, maar ook een belangrijk symbool van openheid en tolerantie die Amsterdam ooit wereldberoemd maakte.

De stad Amsterdam zou er goed aan doen om een onderzoek te starten naar de Amsterdamse homorecessie. Wie weet is mijn verhaal te somber en met een gedegen onderzoek eenvoudig te ontkrachten. En wie weet kan een dergelijk onderzoek tot concrete aanbevelingen leiden om een definitief verlies van een belangrijk onderdeel van het Amsterdamse culturele erfgoed af te wenden.

Geef een reactie

Laatste reacties (78)