4.809
21

Schrijver, journalist, redacteur Joop

Pascal Vanenburg is schrijver, journalist en redacteur bij Joop. Maart 2017 verscheen zijn verhalenbundel 'De man die zichzelf in Auschwitz liet opsluiten' bij uitgeverij Kosmos.

De cosmetica van de Participatiewet

Over de schimmige constructies tussen sociale diensten en re-integratiebureaus

Als werkloze ben je sinds de invoering van de Participatiewet extra de pineut. Je baan ging verloren, je WW-periode vloog vruchteloos voorbij. Je solliciteert je een breuk, maar tegenwoordig ben je al gauw te oud, te jong, te ervaren, te onervaren, te etnisch of te vrouw. Daar sta je dan, met lege handen én zakken, aan de poorten van de sociale dienst. Maar niet getreurd: tegenwoordig bestaat er zoiets als een klantmanager en die gaat jou, de klant, helpen bij het vinden van werk.

Sinds de invoering van de Participatiewet mogen gemeenten om een tegenprestatie vragen in ruil voor een bijstandsuitkering. Of nou ja, vragen, echt veel keus heb je niet. Wat het ook niet is, is een manier om sneller aan het werk te komen. Integendeel zelfs.

Op papier staat het allemaal zo hoopvol beschreven. Je gaat een groot deel van de week aan het werk, daarmee behoud je werkritme (of doe je het op), verklein je je afstand tot de arbeidsmarkt en tussendoor helpen ze je bij het vinden van een echte baan. Maar dat is op papier. De werkelijkheid is minder rooskleurig. Wie bij het re-integratiebureau denkt ‘Werk!’ komt bedrogen uit. Ja, je krijgt een halfjaarcontract. Men houd je voor dat je geen uitkering krijgt, maar een salaris, (“klinkt toch veel beter, meneer?”). Maar nee, het is geen echt salaris, het is nog altijd onder het minimumloon. 

Dat salaris wordt betaald door het betreffende bureau dat je inschakelt. Uiteindelijk is het via loonkostensubsidie afkomstig uit een gemeentelijk potje, dat W-deel dus. De re-integratieconsulenten van het bureau worden geacht jou ondertussen naar nieuw werk te bemiddelen, terwijl jij ‘algemeen geaccepteerde arbeid’ verricht. Daar is op zich niet veel mis mee, maar theorie en praktijk liggen mijlenver uit elkaar. Het re-integratiebureau was er destijds namelijk helemaal niet bij gebaat jou aan het werk te helpen. Je bent namelijk een gratis arbeidskracht. Eén waar maandelijks fors aan wordt verdiend dankzij een bemiddelingspremie.

Laat ik het eens aan de hand van het fictieve re-integratiebureau T illustreren. Bureau T heeft een mooie order van een bekende cosmeticaproducent om de verpakking van de producten te verzorgen. Productiewerk. Daar heeft bureau T natuurlijk wel mankracht voor nodig. Die kun je gewoon aannemen, maar dat kost klauwen met geld. De gemeente bood uitkomst. Wegens sterk onderhandelen van bureau T (want beroepsverkopers) en slap onderhandelen van de gemeente (want ambtenaren) kwam daar een mooie deal uit.

Bureau T ontving een niet zo fictieve flinke som geld van het cosmeticabedrijf voor de werkzaamheden. Het personeel was afkomstig van de sociale dienst en hoefde niet betaald te worden, dat deed de gemeente immers. Onder het mom van “helpen met werk vinden” kon bureau T vanuit de gemeente bovendien ook nog rekenen op een forse bemiddelingspremie. Een bedrag dat dus bovenop de inkomsten vanuit de cosmeticaproducent kwam. Ka-tsjing. 

Volg je het nog? Dan gaan we nog even wat dieper in op die constructie.

Met de gemeente is namelijk afgesproken dat bureau T voor elke klant een maandelijkse bemiddelingspremie ontvangt. Daarbovenop komt ook nog een bonus voor elke klant die succesvol naar werk wordt bemiddeld. Bij elke maand die de klant langer in het traject doorbrengt, wordt die bonus minder. Maar, en nu komt het: die maximale bonus – dus bij uitstroom in de eerste maand – is lager dan het totale bedrag dat bureau T aan bemiddelingskosten ontvangt voor zes maanden werk. Zelfs zonder de extra inkomsten vanuit het cosmeticabedrijf mee te rekenen. Het is dus interessant voor T om medewerkers zo lang mogelijk werkloos te houden. De gemeenteambtenaren die deze overeenkomst sloten waren vast en zeker gezakt voor de rekentoets.

De gemeente ondertussen blij, want iedereen naar Bureau T sturen doet wonderen voor de werkdruk. Bureau T blij, want, nou ja, ka-tsjing. En de klant? Die heeft het nakijken. Want hele dagen potjes inpakken doet helemaal niets voor je kansen op de arbeidsmarkt. Geestdodend heet dat. De begeleiding naar werk komt er in de praktijk op neer dat er wat vacatures op het prikbord worden geplakt waar je op kan solliciteren. Je mag een paar uur per week achter de lopende band vandaan om achter een computer plaats te nemen om zelf te speuren naar vacatures. En dat is het dan.

Het gevolg is dat het solliciteren naar een betaalde baan in de tussentijd niet wil vlotten, je hebt er immers veel minder tijd voor. En zo blijf je potjes inpakken. Na een half jaar krijg je te horen dat het allemaal helaas niet is gelukt, maar dat je echt, écht heel dichtbij nieuw werk bent. Je contract wordt nog eens met een half jaar verlengd en zo sukkel je nog eens zes maanden verder.

Na dat jaar werken heb je weer WW-recht opgebouwd en kun je de sociale dienst inruilen voor het UWV. Mooi voor de cijfers want op papier heet het officieel ‘uitgestroomd’. Missie geslaagd. Voor de duur van drie maanden. Daarna begint het riedeltje opnieuw. Het oogt een succes maar het is allemaal cosmetisch. En cosmetica is erg duur.


Laatste publicatie van Pascal Vanenburg

  • De man die zichzelf in Auschwitz liet opsluiten

    en 50 andere onvoorstelbare gebeurtenissen uit de geschiedenis

    Maart 2017


Geef een reactie

Laatste reacties (21)