4.302
61

Student Filosofie

Student Filosofie aan de Universiteit van Amsterdam en oud-voorzitter van de ASVA-studentenunie.

De dubbelzinnigheid in homo-acceptatie

De oplossing van anti-homogeweld ligt niet bij strengere straffen of meer politietoezicht maar bij een striktere definitie van het woord acceptatie.

cc-foto: SatyaPrem

Afgelopen vrijdag is vlakbij station Amsterdam Sloterdijk een man mishandeld. Volgens de politie is er sprake van anti-homogeweld. Het lijkt iedere keer weer op een tegenstelling: als Nederland zien we onszelf als heel accepterend maar zulke geweldsincidenten blijven zich maar voordoen. Ook onderzoek bevestigt dit: uit cijfers van het Sociaal Cultureel Planbureau blijkt dat Nederlanders steeds positiever zijn over homoseksualiteit terwijl een rapport van LHBTI-belangenorganisatie COC juist laat zien dat zeven op de tien nog steeds fysiek of verbaal geweld ervaren.

De verklaring van deze tegenstelling is gelegen in het woord acceptatie want de onderliggende structuur van het woord sluit geweld namelijk niet uit. Integendeel, acceptatie maakt homo’s afhankelijk van de welwillendheid van de heteroseksuele meerderheid. Zij die accepteren, hebben ook de macht om dat niet te doen. Daarmee bepalen zij ook de condities en mate waarin de ander geaccepteerd wordt. Iedereen die tot de dominante groep behoort, mag dan ook steeds een individuele afweging maken hoe ze zich tot homo’s verhouden. Dit is precies waar uitspraken vandaan komen als: “Ik accepteer homo’s maar ze moeten niet te dicht in mijn buurt komen”.

Het feit dat de mate van acceptatie een individuele afweging is, wordt nog eens benadrukt doordat een strikte definitie van accepteren ontbreekt. Zo is 74 procent van de Nederlandse bevolking positief over homoseksualiteit, maar vindt een op de drie het aanstootgevend als ze twee mannen zien zoenen. Het is dus niet inherent aan acceptatie dat twee mannen openbaar intiem mogen zijn en daarom kan iemand die dit aanstootgevend vindt nog steeds worden aangeduid als ruimdenkend. De betekenis van acceptatie is dus niet duurzaam verankerd in onze maatschappij maar afhankelijk van de condities die bepaald worden door individuen.

Eerdere anti-homo-incidenten bevestigen dat deze logica ook bij gewelddadige delicten wordt gehanteerd. Bij het ‘betonschaar’-incident in Arnhem stelden de daders niet tegen homo’s te zijn en wezen erop dat het homostel hen juist provoceerde. Zij zijn uiteindelijk ook niet voor homodiscriminatie veroordeeld. Bij de scheldpartij tegen het homostel in Amsterdam-Oost stelde de dader in een interview met vlogger Youness Ouaali dat hij niets tegen homo’s had. Ook hij verwees naar avances van de slachtoffers, wat volgens hem de reden was voor zijn anti-homotirade. De daders legitimeren het geweld wat zij gebruiken door te verwijzen naar het gedrag van de homoseksuele mannen. De condities die de daders stelden aan homo-acceptatie werden dus overschreden, in andere woorden: de homoseksuele mannen zijn te dichtbij gekomen. Hierdoor kunnen de daders zichzelf nog steeds zien als ruimdenkend terwijl ze tegelijkertijd gewelddadig waren.

De oplossing van anti-homogeweld ligt dus niet bij strengere straffen of meer politietoezicht maar bij een striktere definitie van het woord acceptatie. We moeten hele praktische voorbeelden gaan hangen aan wat homo-acceptatie precies betekent zonder daar condities aan te koppelen. Provocatie legitimeert anti-homogeweld namelijk niet. Daarbij moet de herwaardering van het woord niet op individueel niveau plaatsvinden maar opgenomen worden als een bredere maatschappelijke definitie. Hierdoor krijgen we een duidelijkere maatstaf waarmee we anti-homo-incidenten beter als zodanig kunnen classificeren.

Geef een reactie

Laatste reacties (61)