422
6

Journalist, publicist

Uitgever en hoofdredacteur van www.amerika.nl

De Forrest Gump onder de Amerikaanse presidenten

George W. Bush zag en ziet zichzelf graag als The Decider, de beslisser.

Geen eindeloos analyseren, geen getreuzel, actie, go! Voor zijn autobiografie heeft hij dan ook de vorm gekozen van het beschrijven van die beslissingen. De eerste en belangrijkste want een voorwaarde voor alle anderen, was stoppen met drinken en een serieus leven gaan leiden. De andere beslissingen draaien om zijn presidentschap.

Dat eerste hoofdstuk helpt de toon te zetten. Die is plezierig, persoonlijk en een stuk minder hoogdravend en pretentieus dan de meeste presidentiële biografieën. Vaak schemert de ontspannen, aangename Bush door die je ook zag in de reportage van Alexandra Pelosi, ‘Journeys with George’. Maar dat Bush een aimabel mens is, een leuke vent, maakt hem nog geen goede president. Steeds weer blijkt dat Bush (minstens) één station te hoog terecht gekomen was. Het verschil met de meeste mensen die dat overkomt, is dat Bush het zich nog steeds niet realiseert.

Bush begint met zijn medewerkers. Hij vertelt over zijn wekelijkse etentjes met Dick Cheney, de machtige vicepresident. Bush was ‘wel nieuwsgierig naar wat Cheney zoal deed’. Hij lijkt het echt te menen. Er is geen indicatie dat Bush zich ervan bewust was dat Cheney een parallelle machtsstructuur had opgezet, een dubbeling van het nationale veiligheidsapparaat, waarmee hij zijn eigen ideeën over politiek uitvoerde. Dat Cheney Donald Rumsfeld binnenhaalde als minister van Defensie, zijn oude maatje uit de regering Ford, juichte Bush alleen maar toe.

Die parallelle structuur, gecombineerd met de dominante persoonlijkheden van Rumsfeld en Cheney en de veel zwakkere veiligheidsadviseur Condi Rice en de bijna irrelevante minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell, leidden tot voortdurende strijd tussen de bureaucratieën. Bush noemt het gekibbel. In Harvard Business School taal spreekt hij over ‘creatieve spanning’, een buitenstaander zou het chaos noemen. Chaos waarvan Cheney en Rumsfeld profiteerden. Ze speelden feilloos in op wat Bush waardeerde in zijn mensen. Toen de misdragingen in de Abu Graib gevangenis bekend werden – Bush zegt dat hij ‘overvallen’ werd en de foto’s pas zag in het CBS programma Sixty Minutes – bood Rumsfeld twee maal zijn ontslag aan. Hij bewees daarmee, volgens Bush, dat hij loyaal, plichtsgetrouw en karaktervol was en mocht blijven. Precies wat Rumsfeld bedoelde. Ook Cheney bood herhaaldelijk aan zich terug te trekken. In de wereld van Bush betekent je ontslag aanbieden loyaliteit. En dan blijf je. Pas na zes jaar ontsloeg Bush de falende Rumsfeld. En toen nog tegen de zin van Cheney.

Ook de Witte Huis bureaucratie was in 2006 totaal uit de rails gelopen. Het is tekenend dat de zelfverklaarde leider door een medewerker moest worden gewezen op het rommeltje. Ook tekenend is dat Bush daarover in deze memoires niet geheimzinnig doet. Bij Bush is het steeds verfrissend hoe reëel hij is over wat er fout ging en hoe weinig hij inziet dat die fouten aan zijn eigen leiderschapskwaliteiten, of het ontbreken daarvan, lagen. Na 2004 liet hij Karl Rove het Witte Huis politiseren en vervolgens prijs hij Rove voor het accepteren van een demotie in 2006 – teken van loyaliteit!

Presidenten hebben een korte houdbaarheidstermijn. Clinton en Obama waren na achttien maanden al afgeserveerd door de kiezer. In 2001 leek George W. Bush ook die kant op te gaan. Hij had weinig tot stand gebracht, leek te dolen en zijn enige idee was om de belastingen te verlagen. In de zomer van 2001 begonnen al speculaties over een één termijn president. De aanslagen op 9/11 maakten dat allemaal anders. Toen begon zijn presidentschap. Het was een ongekende mogelijkheid om dingen te doen, om beslissingen te nemen, een decider te zijn.

Bush beschrijft de gebeurtenissen van 9/11 kort en compact. Dat is plezierig. Maar hij is selectief in zijn beschrijving van de aanloop. Geen woord over Richard Clarke, de man die zowel onder Bush als onder Clinton de terrorismebestrijding runde. Clarke had gewaarschuwd dat de regering Bush de zaken te licht opnam. Het fameuze memo van augustus 2001 waarin melding wordt gemaakt van een op handen zijnde aanslag, blijft onvermeld.

De oorlog in Afghanistan begon als een min of meer gerechtvaardigde, of te rechtvaardigen oorlog. De Taliban werd in no time verdreven maar Osama werd niet gepakt. Bush verwerpt kritiek dat de Amerikanen hem in Tora Bora hadden laten ontsnappen. Ze wisten echt niet waar hij zat, denkt Bush, anders hadden ze hem nooit laten gaan. Uit andere boeken weten we dat in Tora Bora een complex spelletje gespeeld werd, waarbij de Amerikanen het heft uit handen gaven waardoor Osama kon ontsnappen. Afghanistan werd overgedragen aan Karzai, opnieuw zo’n politicus die Bush feilloos wist te bespelen. Inmiddels is het de langste oorlog waar Amerika ooit in verwikkeld is geweest. Hij zal Obama nog duur te staan komen.

We weten dat de neoconservatieven Wolfowitz, minister Rumsfeld en vicepresident Cheney direct al achter Irak aan wilden. Bush hield de boot af, of beter gezegd, Cheney zei dat de tijd nog niet rijp was. Wel begon Rumsfeld direct de oorlogsplannen voor Irak af te stoffen. Het is een klassiek geval van jezelf naar een oorlog toepraten en Bush doet het nog eens lichtjes over. Een gevaarlijke man met mogelijk gevaarlijke wapens wordt een niet te tolereren dictator die er op uit is Amerika aan te vallen. Dat iedereen als een kip zonder kop achter de analyse aanliep dat Irak massavernietigingswapens had, was een bijzonder succes voor de mensen die dat hadden ‘aangetoond’, de parallelle informatiediensten van Rumsfeld en Cheney. Bush geloofde hen. En het is letterlijk geloven. Hij voert als verontschuldiging aan dat iedereen geloofde. Zijn lamme notitie ‘achteraf gezien hadden we natuurlijk allemaal meer druk op de inlichtingendiensten moeten uitoefenen en onze veronderstellingen opnieuw onder de loep moeten nemen’ is typerend. Hij vraag zich af waarom Saddam een oorlog zou wagen over wapens die hij niet had. De mogelijkheid om zich te verplaatsen in de denkwereld van een ander in een andere cultuur en omgeving is Bush vreemd.

De werkelijkheid is dat een groep denkers in de regering, onder leiding van Cheney, een window of opportunity zag om een lang gekoesterde wens te verwezenlijken om Saddam uit te schakelen. Dat ze een heel verhaal over democratie in het Midden Oosten aan hingen was versiering. Ze hadden gelijk: er was een buitengewone kans om dat te doen. 9/11 had die mogelijkheid geopend en omdat de presidentsverkiezingen nog ver genoeg weg waren, kon de oorlog in maart 2003 nog worden doorgedrukt. Dat verklaart voor een deel de haast. Ze hadden ook gelijk dat ze militair gezien dat varkentje zo konden wassen. Wat ze zich nooit realiseerden, was dat ze het proces nooit onder controle zouden kunnen krijgen. En vooral vergaten ze dat ze door Irak onder Saddam uit te schakelen de grootste vijand van Iran weghaalden.

Ik geloof niet dat Bush er ooit op die manier over heeft nagedacht. Hij ging langs bij Elie Wiesel die het met hem eens was dat ‘het kwaad’ moet worden bestreden. Cheney vroeg hem bij de lunch: ‘gaat u nu wat doen aan die man, of niet?’. Zelf had Bush nachtmerries van nog een 9/11, waarop Cheney inspeelde door vol te houden dat daar Saddam iets mee had te maken. De gelovige werd gebruikt door de machiavellisten. Getuige zijn boek gelooft de grote beslisser nog steeds. Gebrekkige en zelfs totaal verkeerde informatie en wensdenken kenmerkte de oorlog in Irak vanaf de eerste dag. Irak werd kaal geplunderd door zijn eigen bewoners en het (te) kleine Amerikaanse leger greep niet in. Stuff happens, zei Rumsfeld. ‘Wat is er in vredesnaam aan de hand’, vroeg Bush. Het leidde tot de beslissing om de in Den Haag en omstreken beroemde Paul Bremer naar Bagdad te sturen. De Irakezen zochten iemand die hen beschermde, meende Bush. Arme Irakezen, dat hebben ze geweten. Vandaar ging het van kwaad naar erger. Bush stond erbij en keek ernaar. Het is aandoenlijk om te lezen hoe teleurgesteld hij was dat er geen massavernietigingswapens werden gevonden. Nee, hij had niet gelogen. Waarom zou ik daarover liegen als ik meteen na de verovering al leugenaar te boek zou komen, monkelt hij. Het is de verontwaardiging van een naïeve, goedgelovige man. ‘Niemand loog’, zegt Bush.

Bush claimt geen gewetensnood te hebben over de uitgevoerde martelpraktijken. Integendeel, hij heeft ze voor zichzelf gerechtvaardigd met de informatie die ze los gekregen hebben. Of daarmee levens zijn gered zal wel altijd een vraagteken blijven. Dat Amerikaanse en internationale rechtsprincipes werden geschonden niet. Bush haalt andere presidenten aan die de principes oprekten in tijden van oorlog, te beginnen met Lincoln. Richard Nixon komt er niet aan te pas als lichtend voorbeeld maar wat Cheney en zijn maten bedachten en aan Bush verkochten, komt toch echt dichter in de buurt van deze wetsovertreder.

Het boek en Bush’ presidentschap eindigen met de financiële crisis. Ook hier tast hij volstrekt in het duister. De Republikeinen voelden er weinig voor om Wall Street te redden. Eén senator klaagde volgens Bush dat het socialisme was om de overheid hiervoor in te zetten. Pre-echo’s van de Tea Party. Bush deed zijn best om zijn partijgenoten over te halen maar het is toch aan de Democraten te danken dat zijn presidentschap – en Amerika – niet roemloos ten onder ging. McCain wordt door Bush terecht afgeserveerd. McCain wilde op 25 september een bijeenkomst in het Witte Huis – hij had zijn campagne stopgezet. Het was een raar initiatief maar Bush belde Obama en ze kwamen bijeen. Het was meteen het einde van de McCain onderneming. Tijdens de bijeenkomst, door hem verlangd, deed McCain er het zwijgen toe. Obama was behulpzaam. Bush zegt het niet expliciet maar het bevestigt voor hem dat McCain geen ‘decider’ was, niet de leiderschapskwaliteiten had die nodig zijn. We zijn het ondertussen vergeten, maar in eerste instantie werd het reddingspakket afgestemd, nota bene door Bush’ eigen Republikeinen. Pas toen de beurs tien procent kelderde kwamen ze tot inkeer. Een paar dagen later werd de financiële wereld gered, door de grote anti-overheid propagandisten. Een dag later besloot Bush om niet de hypotheken op te kopen maar de banken. Socialisme in actie!

Bush zit er niet mee. Het tekent de man. Dit boek is typerend voor Bush en dat maakt het interessant. Verrassend goed geschreven en opmerkelijk gecomponeerd. Het vertelt veel over Bush maar niet veel dat we niet al wisten. Het is moeilijk om van een mislukt presidentschap te spreken. Wel van een presidentschap dat nog lang na zal werken en in die zin belangrijk en invloedrijk was. Amerika zal er nog vaak aan terugdenken. En ik durf wel te voorspellen dat het niet met nostalgie en zachtmoedigheid zal zijn.

Bush is een gelukkig man. Ik zeg dat vooral omdat zijn vorm van geloof hem een soort gelukzalige gerustheid geeft die jaloers zou stemmen als je net zo kon geloven als hij. Er wordt wat afgebeden in Cruciale Beslissinge. Bush had nooit medelijden met zichzelf, was niet bang of zenuwachtig. Ik geloof hem. Zijn eigen verklaring is veelzeggend: ‘ik werd getroost door mijn overtuiging dat de Lieve Heer een gelovige niet belast met iets wat hij niet aankan’. Of die Lieve Heer dat wel doet met ongelovigen kan hier in het midden blijven, maar het is het vertrouwen dat alles wel goed zal komen omdat hij gelooft, dat Bush zo’n optimistische en eigenlijk wel aangename persoon maakt. Of je daar een goed leider van wordt, een decider die de juiste beslissingen neemt, dat is weer een heel ander verhaal. Op grond van Bush’ presidenschap moet je dat betwijfelen. Het is te gemakkelijk om te zeggen dat de geschiedenis wel zal oordelen. Misschien oordeelt die anders dan de tijdgenoten. Maar met de kennis van nu kunnen we rustig zeggen dat de oorlog in Irak een kolossale blunder was. Dat zijn belastingverlagingen tekorten veroorzaakten en grotere verschillen tussen rijk en arm. Dat hij de energielobby van Cheney een vrije hand gaf. Dat hij de overheid niet inperkte maar juist uitbreidde zonder de financiering te ordenen. Dat sommige cruciale beslissingen, kortom, fout waren.

Het is ironisch dat in het boek van The Decider de auteur zich herhaaldelijk afvraagt: ‘hoe kon dit gebeuren?’. Steeds maar weer tast hij in het duister. Zijn assistenten informeren hem niet, zijn ministers gaan hun gang, zijn vicepresident leidt een schaduwregering. De indruk die je overhoudt van Cruciale Beslissingen is dat Bush er wel bij was maar nauwelijks een eigen rol speelde. Noem hem maar de Forrest Gump onder presidenten. Hij staat op elke foto maar je weet dat het niet echt is. Hij is er niet bij. Maar hij denkt nog steeds dat hij alles besliste. Een echte gelovige. De enige.

Dit is de lange versie van de bespreking van ‘Cruciale beslissingen’ door George W. Bush (uitgeverij Balans) in de Groene Amsterdammer.

Geef een reactie

Laatste reacties (6)