1.072
14

Freelance journalist/fotograaf

Peter Edel (1959) is freelance journalist/fotograaf en woont in Istanbul. Zijn artikelen en foto's zijn onder andere verschenen in de Engelstalige Turkse krant TodaysZaman. Ook is Peter Edel schrijver van De diepte van de Bosporus, een politieke biografie van Turkije (Uitgeverij EPO, Antwerpen, 2012).

De herdenking van de Armeense genocide

24 april, de dag waarop de Armeense genocide in 1915 wordt herdacht. Een gevoelig onderwerp. Niet alleen in Armenië en Turkije, maar ook in Nederland

Dat bleek uit sommige reacties naar aanleiding van mijn afgelopen week op deze website verschenen artikel. Daarin beschreef ik de opvatting van de Peruviaanse Katya Salazar over een waarheidscommissie in Turkije. Salazar suggereerde dat een dergelijke commissie tevens licht zou kunnen werpen op de ‘Koerdische en Armeense kwesties’. Omdat zij het zo stelde, nam ik het aldus over. Er kwam echter enigszins de nadruk op te liggen omdat de redactie van joop.nl een citaat over deze ‘kwesties’ boven het artikel plaatste.

Het gebruik van het woord ‘kwesties’ leverde een paar verontwaardigde reacties op. Er werd zelfs gesuggereerd dat ik de Armeense genocide zou bagatelliseren. Dat laatste doe ik zeker niet. Het staat voor mij vast dat aan de moord op honderdduizenden tot meer dan een miljoen Armeniërs (de schattingen lopen uiteen) in 1915 een vooropgezet plan ten grondslag lag. Er was dus naar mijn mening zeer zeker sprake van genocide.

Dat mevrouw Salazar van ‘kwesties’ sprak kan ik me aan de andere kant voorstellen. De Armeense kwestie behelst namelijk meer dan alleen de genocide in 1915. Ook de moord op honderdduizenden Armeniërs in 1894 wil ik daaronder  rekenen. Daar is veel minder over bekend, maar juist daarom. Aanleiding tot die massamoord was de Turks-Russische Oorlog (1877-1888), waarbij een groot deel van oostelijk Anatolië door Rusland werd veroverd. De Armeniërs verwelkomden de Russen. Ze zagen hen als bevrijders en hoopten dat ook andere delen van het Ottomaanse Rijk waar Armeniërs leefden, in Russische handen zouden komen. Sultan Abdülhamit zag christenen sowieso als oorzaak van de crisis in het Ottomaanse Rijk. Dat de christelijke Armeniërs de kant van aartsvijand Rusland kozen, zag hij daarvan als een bevestiging. Abdülhamit wilde de Armeniërs afstraffen en stuurde de vooral uit Koerdische rekruten bestaande Hamidiye-regimenten op hen af, met de moord op honderdduizenden Armeniërs als gevolg. Toen al dus.

Een ander punt dat m.i. tot de ‘Armeense kwestie’ behoort zijn de Armeense wraakacties vanaf eind jaren zeventig door de Marxistisch-Leninistische ASALA groepering. Daar werden aanvankelijk hoofdzakelijk Turkse diplomaten het slachtoffer van, maar uiteindelijk ook personen die zelfs via hun afkomst niet met de Armeense genocide in verband gebracht konden worden. Zo vond begin jaren tachtig een aanslag plaats op de luchthaven Orly in Parijs, waarbij de meeste slachtoffers de Franse nationaliteit hadden. Wat eveneens door een Turkse waarheidscommissie onderzocht zou kunnen worden is de Turkse reactie op de ASALA aanslagen, want na de staatsgreep van 1980 gaf Generaal Kenan Evren opdracht aan de nationale inlichtingendienst MIT om de Grijze Wolven op ASALA los te laten. Daar waren beruchte figuren bij betrokken als Abdullah Catli, Oral Celik, Alaatin Cakici en MIT-baas Hiram Abas.

Kortom, de ‘Armeense kwestie’ gaat voor mij over meer dan alleen de genocide in 1915. Uit sommige reacties op mijn artikel van vorige week kwam naar voren dat een waarheidscommissie in dit verband overbodig is omdat de bewijzen van de Armeense genocide al zijn geleverd door historici. Dat is duidelijk, maar helaas denken de meeste Turken daar anders over. Verreweg de meeste Turkse politici zullen tegen alles vol blijven houden dat er aan de tragedie van 1915 geen vooropgezet plan ten grondslag lag. Een waarheidscommissie zou daarom van veel betekenis kunnen zijn voor het Turkse bewustzijn over het verleden.

Aan de andere kant is het precies om die reden hoogst twijfelachtig of een dergelijke algehele onderzoekscommissie er ooit zal komen. Vooral omdat de lijst met drogredenen in Turkije om de Armeense genocide te ontkennen ook door de regerende AK-partij onderschreven. Daartoe behoren de argumenten dat de Armeniërs werden vermoord in het kader van oorlogshandelingen en dat er aan Turkse zijde eveneens veel slachtoffers vielen. Dat laatste staat op zich vast. In de oostelijk gelegen provincie Van kwam tijdens WOI 60% van de islamitische bevolking om het leven. Het excuus dat de massamoord plaats vond in het kader van oorlogshandelingen laat echter onverklaard waarom de deportatie van Armeniërs naar Syrië begon met Armeense intellectuelen uit Istanbul, aangezien zij kant noch deel hadden aan de oorlog in het oosten. Dat laatste wijst op een directe intentie, om voor eens en voor altijd met de Armeniërs af te rekenen. Genocide dus.

Een ander vaak gehoord Turks argument is twijfel over de authenticiteit van  sommige documenten ten aanzien van de Armeense genocide. Tot die veronderstelling is enige reden, maar ook niet meer dan dat. Twijfel bestaat er onder andere over de zogenaamde Memoires van Naim Bey. Onder de daarin opgenomen documenten bevinden zich telegrammen die verstuurd zouden zijn door Talaat, een van de leden van het driemanschap dat destijds het dictatoriale bevel voerde over het Ottomaanse Rijk en door historici verantwoordelijk wordt gehouden voor de Armeense genocide. Die telegrammen leken te bevestigen dat er een directe intentie bestond om de Armeniërs stuk voor stuk te vermoorden. Er bestaan echter veel twijfel over de authenticiteit van de Memoires van Naim Bey.

De telegrammen zouden afkomstig zijn van de Ottomaanse functionaris Naim Bey, die belast was met de deportatie van Armeniërs. Of deze persoon bestaan heeft, staat verre van vast. Veel historici, en zekere niet alleen Turkse, spreken van een vervalsing. De Nederlandse Turkijekenner Erik Jan Zürcher sluit zich daarbij aan. Veel doet dat er echter niet voor hem toe, want Zürcher meent dat er los van de Memoires van Naim Bey en andere twijfelachtige documenten meer dan voldoende bewijzen overblijven die overtuigend aantonen dat er wel degelijk sprake was van de intentie tot genocide.

Ik vraag me af waarom veel Turken halsstarrig blijven ontkennen wat zo overduidelijk is voor gerespecteerde historici als Zürcher. De Turkse bevolking kan er als geheel niet voor in de beklaagdenbank worden geplaatst. De zoon kan de daden van de vader immers niet verweten worden. Bovendien lag er geen democratisch besluit ten grondslag aan de Armeense genocide. Erkennen dat verleden en overgaan tot de orde van de dag, zou ik zeggen.

Daar staat tegenover dat het voor een Nederlander moeilijk is om te begrijpen hoe diep het nationale gevoel van de meeste Turken zit. In gesprekken met hen kan ik het niet laten een vergelijking te maken met het Nederlandse koloniale verleden. In talloze opzichten evenmin iets om trots op te zijn, maar hoeveel Nederlanders zijn er die dit onderdeel van de vaderlandse geschiedenis trachten te ontkennen? Ik probeer Turkse vrienden uit te leggen dat het erkennen van misstanden uit het verleden niet noodzakelijkerwijs een reden is tot schaamte voor een natie. Dat het vooral in internationaal opzicht juist tot respect kan leiden om het boetekleed aan te trekken.

Helaas vrees ik dat Turkije verre van klaar is om tot een dergelijk niveau van nationaal bewustzijn te komen. Zeker niet zo lang Turkse politici politieke winst proberen te slaan uit de historische situatie ten aanzien van Armenië. Recente ontwikkelingen bevestigen dit beeld. Neem de controverse rond het ‘monument voor de mensheid’ van de bekende beeldhouwer Mehmet Aksoy in de oostelijke provincie Kars. Niet ver van de grens met Armenië plaatste Aksoy een beeldengroep, in de hoop dat hij daarmee een bijdrage kon leveren aan een toekomstige verzoening tussen Armeniërs en Turken. Dat het monument vanuit Armenië gezien kon worden was daarbij van betekenis. Geen verkeerde gedachte.

Premier Erdogan, die zeker niet als kunstkenner bekend staat, dacht daar anders over. Hij trok naar Kars om tot de uitspraak te komen dat het monument ‘monsterlijk’ was. Kort daarop besliste het bestuur van Kars op vage gronden dat het werk van Aksoy gesloopt moest worden. De sloop moest op 23 april voltooid zijn. De dag voorafgaand aan de herdenking van de Armeense genocide dus. Toeval? Vergeet het, want de Turkse nationalisten vinden het prachtig en dat zal Erdogan en zijn AK-partij beslist stemmen opleveren uit hun richting tijdens de verkiezingen in juni. Kortom, nog een aspect om aan de ‘Armeense kwestie’ toe te voegen.

Eerde deze week maakte een groep kunstenaars in Istanbul plannen om te demonstreren tegen de sloop van Aksoy’s ‘monument voor de mensheid’. Onder de aanwezigen bevond zich de bekende schilder Bedri Baykam. Toen hij de bijeenkomst verliet werd hij neergestoken. De dader werd kort daarop door regeringsgezinde kranten omschreven als iemand met een gewelddadig verleden die lijdt aan manische depressiviteit. Geen enkele reden dus om uit te gaan van een politieke achtergrond. Kunstenaar Mehmet Aksoy had daar sterke twijfels over. Voor hem was de combinatie van timing, plaats en slachtoffer te toevallig. Ondertussen gaat in Istanbul het gerucht dat de dader de woorden ‘God is groot’ riep toen hij Baykam neerstak. Tja, dat is Turkije in een periode waarin de herdenking van de Armeense genocide samenvalt met de aanloop tot de verkiezingen.

Laat me dit artikel besluiten met een citaat van Berjouhi Dermenjian, een ooggetuige van de Armeens genocide: ‘De deportatie kwam in maart op gang en de mars leidde tot aan de rivier de Eufraat. Onderweg werden Armeense meisjes verkracht en vermoord. Iedereen die de bevelen van de gendarme niet direct opvolgde, werd vermoord. In Aleppo, hoorde Sdepan het gerucht dat alle Armeniërs die in deze richting werden gedreven, in Deir ez-Zor terechtkwamen. Daar zouden ze na te zijn gemarteld en vermoord in de Eufraat worden gegooid. Sdepan betaalde geld aan een sympathieke Syriër om ons te vinden. De moslims staken de Eufraat over en zochten ons. Na ons gevonden te hebben hielpen ze ons met hun vissersboten naar de andere kant van de rivier zodat we naar Aleppo konden waar mijn broer wachtte. Ik zal de overtocht over de Eufraat nooit vergeten. De rivier was rood van Armeens bloed. Ze vermoordden de Armeniërs en gooiden hun lichaam in de Eufraat. Er dreven lichamen aan beide kanten van de boot. Dit is de herinnering die ik aan de deportatie en de Eufraat heb. Tot de dag van vandaag huil ik wanneer ik daaraan terug denk.’

Lees hier het vorige artikel van Peter Edel: Waarheidscommissie voor Turlkije


Laatste publicatie van PeterEdel

  • De diepte van de Bosporus

    een politieke biografie van Turkije

    2012


Geef een reactie

Laatste reacties (14)