1.911
23

Bestuurslid SP Nijmegen en geneeskundestudent

Nihat Akdamar is lid van ROOD, jong in de SP, bestuurslid SP Nijmegen en geneeskundestudent met speciale interesse in volksgezondheid en onderzoek

De interne democratie van woningcorporaties

Het gebrek aan enige verplichting voor de bestuurders om zich te verantwoorden richting hun leden maakt de weg vrij naar wanpraktijken

Het huidige woningcorporatiestelsel zit vol met democratische tekortkomingen. Huurders hebben vrijwel niks meer te zeggen over hun woning. Bijna alle beslissingen worden genomen door het corporatiebestuur, dat wordt verkozen door de Raad van Commissarissen (RvC). Die commissarissen worden dan weer benoemd door de RvC zelf, na goedkeuring van de minister.

Naast dit democratisch tekort geeft de huidige coronacrisis als een vergrootglas ook andere tekortkomingen in ons woonbeleid weer. Op een daarvan richt zich bijvoorbeeld de actie van de Socialistische Partij (SP): “0% is genoeg”. Vorig jaar hadden veel huurders al moeite met het betalen van hun huur, en door de huidige coronacrisis hebben velen hun inkomsten verder zien dalen. In plaats van de huren te verlagen of andere maatregelen te nemen om de huurders te steunen, willen particuliere verhuurders en woningcorporaties doorgaan met de huurverhoging. Ondanks het feit dat de motie van SP-senator Tiny Kox tot het bevriezen van de huren is aangenomen. Ondanks het luide geluid vanuit de maatschappij dat veel huurders het al moeilijk genoeg hebben.

Hoewel ik hier teleurgesteld en zelfs boos om ben, ben ik niet verrast. Van de particuliere sector is er toch niets anders te verwachten. Winstmaximalisatie is het doel van die sector. Maar dat zelfs de wooncorporaties voor winstmaximalisatie gaan, is ook geen toeval. Het huidige systeem zorgt daarvoor. Er bestaat echter een oplossing voor dit gedrag van woningcorporaties: democratisering. Als huurders zelf zouden kunnen beslissen over  kwesties zoals huurverhogingen, zouden we schadelijke verhogingen zoals deze kunnen vermijden.

Historisch perspectief
Om te kunnen begrijpen hoe woningcorporaties nu werken, moeten we eerst in het kort samenvatten hoe deze zijn ontstaan.

Woningcorporaties
Hoek Lijnbaansgracht-Willemsstraat in Amsterdam, centrum van de activiteiten van de VAK | cc-foto: picasdre

De eerste woningbouwvereniging in Nederland was de “Vereeniging ten behoeve der Arbeidersklasse” (VAK). Deze werd opgericht in 1852, door “welgestelde burgers” die iets wilden doen aan de onmenselijke woonomstandigheden van het Amsterdamse proletariaat. Het doel van de VAK was dan ook om voor leefbare woonruimten te zorgen voor een acceptabele prijs. Dit model werd later ook in andere steden in Nederland toegepast.

Ondanks al het goede dat de VAK heeft gedaan, was hun woonmodel er niet één die een socialist kritiekloos zal willen toepassen. Het was een vorm van “filantropisch kapitalisme” oftewel liefdadigheid vanuit kapitalisten. Voor een lage rente (over het algemeen maximaal 3%) gingen de kapitalisten de woningen verhuren aan proletariërs, maar zij hadden er nog steeds zelf zeggenschap over. Daardoor waren de proletariërs afhankelijk van de liefdadigheid van de investeerders. Tevens werden er harde eisen gesteld aan de inwoners. Zo kon een huurder bijvoorbeeld zowel bij wanbetaling als bij openbare dronkenschap onmiddellijk zijn huis uitgezet worden.

Hier tegenover stonden de wooncoöperaties. Dit waren coöperatieven die door arbeiders zelf werden opgebouwd, en waar ze zelf zeggenschap over hadden. De “Bouwmaatschappij ter Verkrijging van Eigen Woningen”, opgericht in 1868, werd zelfs “de eerste daad van het communisme in Nederland” genoemd. Deze verenigingen kampten echter met een groot probleem: de arbeiders hadden het geld niet om zelf bouwplannen te realiseren. Daarvoor moesten ze hulp vragen aan de stedelijke elite en de overheid. Maar de overheid zag het niet als haar taak om arbeiders te helpen. Dit betekende dat hun lot alsnog in de handen van de financierende kapitalisten lag, waardoor ook dit verviel tot filantropisch kapitalisme.

Onder de staat komen
Met de woningwet van 1901 begint het proces waarin woonverenigingen onder de staat komen te vallen. Via “toelatingen” kunnen woonverenigingen en -coöperaties rekenen op economische steun vanuit het rijk. Hieraan verbond de overheid wel een aantal voorwaarden, zoals toestemming vragen van de gemeente bij bepaalde belangrijke beslissingen.

Door de Eerste Wereldoorlog werd het bouwen van woningen duurder en moeilijker. In 1918 stond er bovendien een socialistische revolutie op de agenda in vele Europese landen, waaronder Nederland. Dit leidde ertoe dat de regering zich gedwongen voelde om de sociale spanningen te pacificeren en kregen woningbouwverenigingen en gemeenten in die periode veel meer steun van de regering.

In de periode van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog ging dit verder (vanwege de grote ellende van de Tweede Wereldoorlog en de groei van de sociaaldemocratie). De staat begon het als haar opdracht te zien om de woningnood te bestrijden. Er werd centraal gepland hoe en waar woningen gebouwd zouden worden en hoe deze verdeeld zouden worden. Hierbij werd er door de staat geleund op de gemeentelijke woningbedrijven en de “toegelaten woningbouwverenigingen”. Dit zorgde voor nog meer overheidssteun, maar ook voor nog meer inmenging.

Commercieel/geprivatiseerd worden
In de jaren 70 was er sprake van “verzelfstandiging” van woningcorporaties. De woningcorporaties kregen langzaam maar zeker meer macht, en de overheid steeds minder. Dit betekende wel dat de woningcorporaties door minder financiële bijdragen vanuit de overheid veel meer zelf moesten financieren.

Een veelzeggende verandering die samenging met deze verzelfstandiging, is dat deze woningcorporaties van verenigingen in stichtingen veranderden. Dit betekende dat terwijl corporaties zelfstandiger werden, de invloed van de leden steeds verder ingeperkt werd. Als stichting hadden de leden geen directe macht meer over hun bestuur. Een tekenende verandering in het taalgebruik is dat er steeds minder werd gesproken over “leden” van woningcorporaties en steeds meer over “woonconsumenten”. Een compromis van de toenmalige staatssecretaris, PvdA’er Marcel van Dam, was om de “interne democratie”, waar sprake was van inspraak door leden binnen de woningcorporaties, te vervangen door een “externe democratie” in de vorm van huurderscommissies waarin huurders hun belangen als consumenten konden verdedigen. Deze consumentenorganisaties konden weliswaar meespreken in de gemeente, maar de tijden waarin woningcorporaties van binnenuit nog enige vorm van democratie vertoonden, is sindsdien helemaal voorbij.

Hoe is het nu
Deze geschiedenis heeft geleid tot de situatie waar we nu in zitten. Woningcorporaties krijgen subsidies van de overheid, maar werken vooral zelfstandig. Ze hebben een bestuur dat wordt aangewezen door een raad van commissarissen en dat niet door de huurders ter verantwoording kan worden geroepen. Huurders zijn gereduceerd tot “woonconsumenten” en zijn geen actieve leden meer van de corporatie waar ze van huren. Hun inspraak is nu beperkt tot inspraak als consument: consumentenorganisaties in de vorm van huurderscommissies. In zo’n situatie is het niet gek dat woningcorporaties keuzes maken die niet per se gunstig zijn voor hun huurders.

Dit leidt tot meerdere problemen. Van achterstallig onderhoud veroorzaakt door bestuurders die niets geven om de leefsituatie van hun huurders, tot huisuitzettingen van families om financiële redenen. Het gebrek aan enige verplichting voor de bestuurders om zich te verantwoorden richting hun leden maakt de weg vrij naar wanpraktijken. Denk aan 2004, toen woningcorporatie Woonbron het cruiseschip SS Rotterdam kocht en later renoveerde voor 24 miljoen euro. Deze risicovolle investering heeft de woningcorporatie uiteindelijk 250 miljoen euro gekost waardoor minister Van der Laan genoodzaakt was om in te grijpen.

Of de nog veel heftigere Vestia-affaire, waarbij de woningcorporatie Vestia door te speculeren miljarden euro’s kwijt is geraakt. Meerdere topmannen hebben celstraffen gekregen voor frauduleuze activiteiten. Als gevolg daarvan heeft Vestia onder andere moeten rekenen op steun vanuit andere woningcorporaties om het schandaal te kunnen overleven. De hele affaire had uiteraard allerlei schadelijke gevolgen voor de huurders.

In beide schandalen is het gebrek aan interne controle schrijnend. Ook in het dagelijkse nieuws zien we onacceptabele situaties die voorkomen door het gebrek aan de menselijke maat. Denk bijvoorbeeld aan de woningbouwvereniging De Alliantie die de dementerende moeder (74) van een verdachte drugscrimineel haar huis uit wil zetten. Binnen twee weken werden er door betrokkenen 8500 handtekeningen verzameld tegen de huisuitzetting. Dit laat zien dat onder een democratisch stelsel een onmenselijke keuze zoals deze niet zomaar genomen zou kunnen worden. Ook het verhaal van de 26-jarige Pascalle is een voorbeeld van wat er gebeurt als de menselijke maat ontbreekt. Nu haar moeder is gestorven aan kanker moet zij haar huis uit, waar ze 17 jaar samen met haar moeder geleefd heeft. Door het huidige stelsel, waarin het belang van de bewoners op de tweede plaats staat, is ze in één klap niet alleen haar moeder maar ook haar huis en omgeving kwijt.

Het ergste is dat deze verhalen geen uitzonderingen zijn, maar de dagelijkse werkelijkheid van het systeem waar we in leven. In 2018 zijn bijvoorbeeld maar liefst 3000 huishoudens uit hun corporatiewoning gezet. Er wordt vermeld dat dit 20% minder is dan het jaar daarvoor, maar dit is nog steeds 3000 te veel.

Waar moet het heen
Maar waar moeten we dan heen? Zoals ik eerder in dit stuk schreef, is het oorspronkelijke model van woningbouwcorporaties, waar er op investering van buiten gerekend moest worden, ook niet ideaal.

Woningcorporaties
Leden S. J. bezetten flat in Bijlmermeer, 1970 | cc-foto: Joost Evers / Anefo

Het uiteindelijke doel van socialisten is dat iedereen zeggenschap krijgt over zijn omgeving en over de samenleving als geheel. In het geval van huurders betekent dit dus dat woningcorporaties geheel democratisch beheerd moeten worden. Ze dienen te opereren als verenigingen in plaats van als stichtingen. Het verkiezen van hun vertegenwoordigers in het bestuur en andere democratische processen zal de macht van huurders vergroten. Dat kan een groot deel van de problemen die ik in dit stuk aangekaart heb tegenwerken.

Daarnaast blijft er nog het vraagstuk van financiering. Het huidige model, waarin woningcorporaties als commerciële bedrijven worden gerund, is niet de juiste weg. Een andere optie is ze weer onder de staat te laten vallen om op die manier op economische steun van de staat te kunnen rekenen, zodat ze financieel minder afhankelijk worden van de markt. Dit betekent echter ook dat de overheid meer macht krijgt over de woningcorporaties. Afhankelijk van de regering en de economische toestand kan dit de autonomie van de huurders in het geding brengen. In ieder geval moeten besturen van woningcorporaties geheel door de huurders zelf worden verkozen.

Is dit het antwoord op alle problemen rond huisvesting? Het antwoord hierop is een duidelijk “nee”. Het oplossen van bijvoorbeeld de huidige woningnood vraagt om een veel algemenere oplossing. Eén waar we enkel aan kunnen werken door op een grotere schaal samen te werken dan alleen maar binnen de woningcorporaties zelf. Dit is immers een probleem dat juist ook mensen raakt die nog geen woning huren, of die ergens anders willen huren. Waar het democratiseren van de woningcorporaties wel toe kan leiden is het verkrijgen van controle door de huurders over de corporaties zelf. Geen kapitalistisch avonturisme meer dat ten koste gaat van de huurders. Geen onrechtvaardige huisuitzettingen. Een stelsel waarin de huurders zelf zeggenschap hebben over hun woonsituatie. Dat is de weg vooruit.

Geef een reactie

Laatste reacties (23)