1.027
25

Tweedekamerlid SP

Harry van Bommel (1962) is tweedekamerlid voor de SP. Sinds 1986 is hij lid van de partij. In 1990 werd hij voor de SP lid van de deelraad Amsterdam Oost en voorzitter van de afdeling Amsterdam Oost. In 1994 werd Van Bommel het eerste SP-gemeenteraadslid in Amsterdam. Sinds de entree van de SP in de Tweede Kamer is Van Bommel beleidsmedewerker Onderwijs en Defensie voor de nieuwe fractie. Hij werkte onder andere mee aan het spraakmakende rapport over (het gebrek aan) kansen voor jongeren "Alles Kids?".

Van Bommel studeerde politieke wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam (afgestudeerd in 1994) en doceerde hij enkele jaren Nederlands en Engels op een MBO-school.

De Kamer als mak lam

Aangenomen moties niet uitvoeren is schering en inslag geworden.

“We voeren hem niet uit”, schreeuwde toenmalig minister Zalm in 1997 nadat hem was gevraagd wat de regering ging doen met een motie over de OV-jaarkaart voor studenten. Hij verhief zijn stem omdat zijn microfoon defect was en de Kamer barstte daarna in lachen uit.

Het niet uitvoeren van aangenomen moties werd daarvoor opgevat als minachting van de Tweede Kamer. Sinds die dag echter is het niet uitvoeren van moties schering en inslag geworden.

Vorige week stelde ik in de commissie Buitenlandse Zaken voor om een debat te voeren over een motie die met brede steun in de Tweede Kamer was aangenomen maar die het kabinet weigert uit te voeren. In die motie wordt voorgesteld om diplomatiek het initiatief te nemen om te komen tot een internationale stop op het gebruik van munitie met verarmd uranium. Soortgelijke initiatieven hebben eerder geleid tot een verbod op anti-personeelsmijnen en beperking van de inzet van clusterwapens. Zo’n initiatief kan dus effectief zijn.

Munitie met verarmd uranium wordt gebruikt om door de pantserlaag van militaire voertuigen te schieten. Nederland beschikt er niet over maar de VS zet het op grote schaal in, bijvoorbeeld in Irak. Aan de militaire effectiviteit van deze munitie kleeft het grote nadeel van chemische toxiciteit. De Wereldgezondheidsorganisatie WHO wijst al jarenlang op het risico van munitie met verarmd uranium. Bekend is dat de giftigheid grote overeenkomsten vertoont met de giftigheid van nikkel, een door de WHO erkend carcinogeen. Om die reden beveelt de WHO aan om gebieden waar substantiële hoeveelheden verarmd uranium terecht zijn gekomen schoon te maken. Waarom weigert de Nederlandse regering dan de eerste stap te zetten op weg naar een stop op het gebruik van deze munitie?

In een brief aan de Kamer melden de ministers Verhagen en Van Middelkoop dat er op grond van de huidige kennis van de gezondheidseffecten ‘onvoldoende aanleiding is voor een internationaal moratorium’ en dat zij voorstander zijn van ‘verder onderzoek’. Sommige andere landen zijn minder terughoudend en menen dat er nu al een internationaal verbod op het gebruik van munitie met verarmd uranium zou moeten komen. De aangenomen motie zou voor het kabinet aanleiding moeten zijn om samen met die landen een initiatief te starten dat, in aanloop naar een verbod, kan leiden tot een stop op het gebruik van deze munitie. Maar het kabinet ligt dus dwars.

Een kabinet dat demissionair is moet net zo goed door de Kamer aangenomen voorstellen uitvoeren als een missionair kabinet. Het getuigt van politieke onwil en dus minachting als anders wordt gehandeld. Kennelijk wil Nederland de landen die deze munitie inzetten niet voor de voeten lopen. Daarom zal het nog wel even duren voordat er een stop komt op het gebruik van deze munitie. Dat zal dan niet te danken zijn aan de Nederlandse regering die deze kans om vooruitgang te boeken voorbij laat gaan. Maar ook de Tweede Kamer die bij meerderheid besloot geen debat aan te gaan over de weigering dit voorstel uit te voeren valt wat te verwijten.

Die Kamer blijkt zich op te stellen als een mak lam, zelfs wanneer de eigen uitspraken worden genegeerd. De cultuur die Zalm inzette in 1997 is dominant geworden en dat is niets om vrolijk van te worden. 

Geef een reactie

Laatste reacties (25)