Laatste update 11:11
9.250
153

Opiniepeiler

In 1971 ben ik afgestudeerd als Sociaal Geograaf bij de UvA in Amsterdam. Na een korte periode als wetenschappelijk medewerker ben ik 15 jaar actief geweest als onderzoeker, tussen 1973 en 1975 bij Inter/View, daarna samen met Hedy d’Ancona (Cebeon) en vanaf 1980 als mededirecteur van Inter/View. Vanaf 1976 was ik in de media actief op het terrein van verkiezingsonderzoek. Eerst bij Vara’s In de Rooie Haan. Later o.a. in Achter het Nieuws en NOVA.
In 1984 werd ik assistent van Anton Dreesmann, waarbij onder andere het project Micro Computer Club Nederland werd opgezet en ik directeur werd van Headstart in de Verenigde Staten. Bij de beursgang van Inter/View in 1986 werd ik gevraagd als voorzitter van de raad van commissarissen te functioneren. Dat heeft tot 1999 geduurd. Na vier jaar (1991-1995) te hebben gewerkt bij ITT Gouden Gids op het terrein van marketing en business development was ik drie jaar CIO bij Wegener Arcade. Daarbij onder meer verantwoordelijk voor de interne IT en de internetactiviteiten. Van 1998 tot en met 2001 ben ik CEO geweest van Newconomy.
Sinds 2002 run ik www.peil.nl, een opiniepanel, waarmee actuele ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving op de voet gevolgd kunnen worden. En ik ben betrokken bij een aantal vernieuwingsprojecten op het terrein van technologie en media.

De kater komt er aan: het Oekraïne-referendum

Wat er woensdag en daarna ook gebeurt, de verliezer is duidelijk: het vertrouwen in politiek en politici

Het politieke stelsel in Nederland, is aan het aftakelen, net zoals trouwens in de meeste andere democratische landen. Het draagvlak voor regeringen en hun besluiten wordt steeds smaller. De twee regeringspartijen in ons land hebben bijvoorbeeld in onze peiling al een tijd twee derde van hun kiezers verloren.

Het wordt dus vrijwel in geheel Europa een steeds grotere uitdaging om een nieuwe regering te vormen: Spanje is daar nu een duidelijk voorbeeld van. Na het aantreden van een nieuwe regering, welke die dan ook is, voltrekt zich dan vaak hetzelfde proces van een sterk verlies aan draagvlak. We weten nu al zeker dat het na de volgende Tweede Kamerverkiezingen in 2017 in Nederland een zware klus wordt om een regering te vormen, laat staan één met brede steun onder de bevolking ingrijpende hervormingen zijn noodzakelijk, omdat anders zeker de wal het schip keert, als het al niet te laat is.

Terecht zoekt men naar vormen van democratie, waarin het draagvlak een grotere rol speelt bij de besluitvorming. De invoering van het raadgevend referendum vorig jaar in Nederland is daartoe een poging. Daarbij is de klassieke fout gemaakt, die je bij pogingen tot vernieuwing van oude –achterhaalde – systemen vaak ziet. Het oude blijft intact en er wordt iets nieuws aan toegevoegd. Vaak ook nog met diverse mitsen en maren. Het eindresultaat is geen verbetering, maar in feite een verdere aftakeling van het oude systeem.

Het referendum dat a.s. woensdag wordt gehouden is daar een goed voorbeeld van. Wat er woensdag en daarna ook gebeurt, de verliezer is duidelijk: het vertrouwen in politiek en politici. Dat zal onvermijdelijk verder afnemen.

Met behulp van de onderzoeksresultaten van Peil.nl van dit weekend, zal ik dit proberen te onderbouwen.

1. De 30% opkomst-grens
Een opkomstgrens alvorens de uitslag van het referendum iets betekent, is een slecht doordachte component van de referendumwet. En bij dit eerste referendum onder deze wet zien we dat direct terug.

Degenen die “nee” willen stemmen hebben belang bij een opkomst boven de 30%. Degenen die “ja” willen stemmen hebben belang bij een opkomst onder de 30%. En als ze primair die lagere opkomst willen bereiken kunnen ze het beste zelf thuis blijven.

Hieronder is te zien wat degenen, die aangeven zeker op te komen, zullen gaan stemmen PVV- en SP-kiezers stemmen dan vrijwel allemaal “nee”. PvdA-, D66- en GroenLinks-kiezers stemmen voor het overgrote deel “ja”. Per saldo zien we dan een uitslag van deze groep zekere opkomers van 66% “nee”.

Schermafbeelding 2016-04-02 om 20.38.23

 

Uit de volgende tabel is goed te zien wat het effect is van het feit dat de potentiele “ja”- stemmers door thuis te blijven ervoor kunnen zorgen dat de opkomst onder de 30% blijft. Van de PVV-kiezers, die vrijwel allemaal “nee” stemmen, gaat 32% zeker stemmen en van de PvdA-kiezers, die voor het overgrote deel “ja” gaat stemmen, is dat maar de helft (16%).

Welke impact van deze gedifferentieerde opkomst heeft kan berekend worden. Als de kiezers van de verschillende partijen wel in gelijke mate zouden opkomen dan zou het percentage dat “nee” stemt met ruim 10% dalen en rond de 55% komen te liggen!

(Het zou veel beter zijn als de grens in plaats van aan opkomst verbonden was aan een minimaal aantal kiesgerechtigde kiezers dat tegen is. Bij voorbeeld minimaal de helft plus één van de opgekomen kiezers bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen, waardoor je het mandaat dat toen gegeven is t.a.v. dit onderwerp als het ware intrekt).

Welk opkomstpercentage het woensdag precies zal worden, is slecht te voorspellen, maar ik acht de kans groot dat de 30% niet gehaald wordt.

2. Het raadgevend in plaats van bindend karakter
Welke uitslag een referendum ook heeft, je kunt er zeker van zijn, dat het feit dat het “raadgevend’ is, per saldo het vertrouwen van kiezers in de politiek zal doen afnemen.

Bij een bindend referendum zal, als aan de opkomsteisen is voldaan, de uitslag zonder verder debat overgenomen worden. Bij een raadgevend referendum echter zullen zowel binnen de regering als tussen regering en kamer discussies ontstaan over het al dan niet overnemen van het door de kiezer uitgebrachte ‘advies’.

De onderstaande tabel illustreert dat uitstekend:

Jastemmers willen niet dat de regering de uitslag overneemt als die in meerderheid “Nee” is. Bij dit referendum zien we daarbij ook nog dat de kiezers van de regeringspartijen in meerderheid “ja” zullen stemmen. De eigen kiezers van de regering vinden dus in grote mate dat de regering de uitslag niet moet overnemen.

Wat er dan ook door de regering besloten wordt, grote groepen kiezers zullen er ontevreden over zijn. De regering had immers een andere keuze kunnen maken.

Hoe groot daarbij het cynisme is onder de kiezers blijkt uit de volgende tabel.

Men denkt dus in grote mate dat de regering het verdrag toch zal ratificeren, ook bij een meerderheid “nee” en een opkomst van meer dan 30%.

Er is daarbij weinig verschil tussen kiezers van verschillende partijen. Ook dat geeft aan welk negatief effect het gegeven heeft dat het referendum niet bindend is. (Dit cynisme wordt ook gevoed door wat er in 2005 is gebeurd met het Referendum over de Europese Grondwet).

3. De keuze van het onderwerp
Bij ieder referendum is er discussie over de vraagstelling en hoe goed kiezers kunnen doorgronden wat de ins en outs van het onderwerp zijn. Dat vind ik t.o.v. de kiezers geen correcte opstelling. Bij Tweede Kamerverkiezingen wordt ook niet gesteld dat je pas echt een goede keuze kan maken als je alle verkiezingsprogramma’s hebt gelezen van de verschillende partijen. Wat er meestal gebeurt is, dat kiezers volgen wat hun eigen partij ergens van vindt. Dat is nu ook het geval. Behalve bij VVD en CDA zie je dat de kiezers van de partijen in overgrote mate dezelfde keuze maken als hun “eigen” partij.

Bij het associatieverdrag met Oekraïne het voor veel mensen een “ver van mijn bed-show”. Een verdrag dat vrijwel geen kiezer iets zei, voordat geprobeerd werd om voldoende handtekeningen te krijgen voor een adviserend referendum, Door het referendum zelf zijn er nu wel mensen die zich echt in dat verdrag hebben verdiept, maar dat is nog steeds een klein aantal. Bovendien lijkt het er op, dat uit de inhoud van een verdrag van meer dan 300 pagina’s, volledig tegengestelde conclusies te trekken zijn.

Als 12 maanden geleden een lijst was gemaakt van 50 onderwerpen waar men een referendum over zou willen hebben met dit onderwerp ertussen, dan zou dit onderwerp vrijwel onderaan zijn geëindigd.

Wat er ook op 6 april en erna gebeurt, dit referendum zal uitlopen op een kater. Een versterking van de band tussen kiezers en gekozenen zal zeker niet het gevolg zijn.

Met het grote gevaar dat bij de evaluatie, mede in relatie tot de 40 miljoen euro die het gekost lijkt te hebben, het kind vervolgens met het badwater wordt weggegooid. Het gaat namelijk niet erom dat je het referendum beter weer kan afschaffen, maar dat je het dusdanig maakt, dat het wel een bijdrage levert aan een groter vertrouwen tussen kiezers en politiek. De huidige referendumwet en dit referendum schiet dat doel ver voorbij.

Cc-foto voorpagina: Vinicius Zeronian Mattoso

Geef een reactie

Laatste reacties (153)