441
9

Oorlogsverslaggever De Pers

Arnold Karskens kreeg de afgelopen vijfentwintig jaar bekendheid als een van Nederlands beste en volhardendste oorlogsverslaggevers. Hij werkte voor Nederlandse en Vlaamse radio- en tv-zenders en is nu oorlogsverslaggever voor dagblad De Pers.
Karskens is auteur van onder andere: Pleisters op de ogen, over de geschiedenis van de Nederlandse oorlogsverslaggeving van Heiligerlee tot Kosovo. In oktober 2009 verscheen ‘Rebellen met een Reden’, verhalen over idealistische Nederlanders in de oorlog.
http://www.arnoldkarskens.com/

De Langste Oorlog

Het Karen-volk in Birma pakte 61 jaar geleden de wapens op. Het was het begin van een eindeloos gevecht. Toch gloort hoop aan de horizon

Guerrillakampen liggen nooit aan een snelweg. Daarom ploegt een tweewielertractor met veel herrie, schommelend en traag tussen de maïsvelden, ‘bevrijd Birma’ binnen. Aan het einde van het modderpad ligt het kamp van het 103e bataljon van het Karen National Liberation Army verscholen onder bomen. Het bezoek brengt nieuwe voorraden: sokken, jassen, rijst en bakolie, vandaar de tevreden gezichten boven de camouflagepakken. Het genoegen is wederzijds; ik ben blij dat ik van de oncomfortabele aanhangwagen kan springen.

Kolonel Ner Dah (43), een gespierde vechtmachine met de roepnaam ‘Rocky’ (‘Ik was specialist in Thai-boksen’) heet me welkom op een bankstel van bamboestengels. Hij is de zoon van de beroemde Karen-generaal Bo Mya, die jarenlang de oudste verzetsbeweging ter wereld aanvoerde. 61 jaar geleden pakten de Karen, een bergvolk in Birma, de wapens op toen de belofte van autonomie door de centrale regering werd gebroken. Het langstdurende conflict ter wereld was geboren.

“Waarom hebben jullie de strijd nog niet gewonnen?”, vraag ik. Een bezorgd kijkende Ner Dah: “Wij krijgen geen hulp van andere landen. De tegenstander, de Birmese junta, krijgt steun van Rusland, China, India en Israëlische instructeurs.” Vooral dat laatste doet hem pijn want volgens de overlevering is het Karen-volk een verloren stam van Israël en oostwaarts verdreven uit de oudtestamentische stad Babylon. “Onze God noemen we ook Yaweh.” Het lijden in de diaspora gaat door. “We hebben de plicht onze cultuur en identiteit te bewaren.” Als ik een rondje maak door het kamp met verspreid staande hutten waarschuwt hij me voor de landmijnen aan de rand.

In een dal achter het rebellenkamp ligt het dorp ‘Ukriki’ met 35 bamboehuizen en zo’n 300 vrouwen, mannen en kinderen temidden van modder en verstoken van iedere luxe. Hun situatie en achtergrond werd ooit door auteur Karel Glastra van Loon beschreven in het boek De onzichtbaren, zij die door de Birmese repressie op de vlucht slaan en zich verschuilen in de groene hel.

“Dit is de vrije Karenstaat, Kaw Thoo Lei”, zegt het opgewekte dorpshoofd Konu (43). Kauwend op arekanoten die zijn mond rood kleuren, wijst hij naar een heuveltop in de nevel als ik vraag waar de tegenstander zit. “Misschien op 2,5 uur lopen. Twee jaar geleden slopen ze het kamp binnen en werd alles platgebrand.” De rebel die voor alle zekerheid meeloopt, Tutu genaamd, verzekert dat de legerpost nu continu in de gaten wordt gehouden. “Onze mannen luisteren hun radio’s af. Ook al is het code, we weten het als ze iets van plan zijn.” Hij is uit het deltagebied bij Rangoon gevlucht en heeft zich twee jaar geleden bij de Karenrebellen aangesloten nadat hij getuige was geweest hoe militairen huizen verbrandden. “Ik vecht tot ik misschien sterf.”

Met geld van Italiaanse donoren is een schooltje neergezet. In de kliniek ligt een kind met malaria. Tussen de rebellen loopt ook de Amerikaanse zendeling Pat (60) rond. Hij laat zich te pas en te onpas fotograferen, zelfs met een wapen in de hand. Met de foto’s zoekt hij steun bij Amerikaanse geldschieters. Veel Karen behoren tot de 4 procent christenen in een verder boeddhistisch Birma. Hij zegt: “Ik ben een soldaat voor God. We moeten vechten voor God, door te bidden. Door de waarheid te spreken over de situatie van de onderdrukte Birmezen.” Een schietgebed kunnen de Karen-rebellen wel gebruiken. Een paar jaar geleden werd hun grootste kamp Maner Plaw aan de Thaise grens door het Birmese leger met de grond gelijk gemaakt. “We zijn van 20.000 strijders gedaald naar misschien 10.000 strijders”, zegt David Thakabaw (75), vice-voorzitter van de Karen Nationale Unie, de civiele tak van de rebellengroep. Als tiener sloot hij zich in 1949 aan en zag de invloed van de rebellen de laatste jaren afnemen. “De laatste zes maanden vielen zo’n 300 burgerdoden aan onze kant. Door mishandeling en door honger en ziekte kun je er 150 tot 200 optellen.” De ‘kill’ die de rebellen aan Birmese zijde toebrachten schat hij op 600 militairen, vooral door hit and run-acties. “Drie, vier doden maken en dan weg.” Aan rebellenzijde zouden de laatste zes maanden 30 à 40 doden zijn gevallen. De provincie waar de Karen wonen, ten oosten van de stad Rangoon, is als gevolg van de gevechten grotendeels ontvolkt. Zeven van de volgens hem acht miljoen Karen zijn verdreven. “Het vee wordt gedood, boomgaarden omgehakt. Er vinden buitengerechtelijke moorden plaats, martelingen, verkrachtingen en gedwongen arbeid.”

Birma laat zich vergelijken met een mangovrucht. De pit is de grootste bevolkingsgroep, de Bamar, met tweederde van de circa vijftig miljoen Birmezen. Daaromheen zit het vruchtvlees, de circa 135 etnische minderheden waarvan velen zich verzetten tegen de centrale regering. Langs de bijna 6000 kilometer lange grenzen met Thailand, China en India liggen dan ook talloze rebellenkampen.

Vijf uur rijden noordelijker wijst luitenant Hseng Murng (32), van het Shan State Army-South, op de kaart waar zijn krijgers de controle uitoefenen. Ook de circa 10 miljoen Shan, bewoners van de grootste provincie, was bij de Birmese onafhankelijkheid van Groot-Brittannië in 1948 autonomie binnen de federale staat Birma beloofd. Gefrustreerd pakten ze in 1958 de wapens op. Uit het zicht van de wereld vinden zeker vijfmaal per maand gevechten plaats, vertelt hij, gekleed in spijkerbroek. “De meeste confrontaties zijn als patrouilles elkaar ontmoeten.” De rebellen hebben twee grote voordelen. De jungle is onmetelijk groot, wat de inzet van gevechtshelikopters tegen hen bemoeilijkt; die raken zonder brandstof voordat het doel in zicht is. En de jungle is dik, wat bombardementen uit gevechtsvliegtuigen zinloos maakt; de tegenstanders zijn niet te zien. “Bij hinderlagen en man tot man-gevechten zijn het laatste half jaar zeker honderd Birmese militairen omgekomen”, verzekert de Shan-luitenant. Aantallen die niet door onafhankelijke bronnen zijn te controleren.

Dr. Sui Khar (45), secretaris-generaal van de belangenorganisatie Etnisch Nationalistisch Raad van de Unie van Birma, benadrukt in een Thaise stad net over de grens de groeiende rol van de gewapende Birmese minderheden. “Ze maken 40 procent uit van de bevolking en bewonen 60 procent van de oppervlakte.” De algemene verkiezingen van zondag laten een nieuw politiek landschap ontstaan. “De oppositiepartij van Aung San Suu Kyi boycot de stembusgang en speelt de komende vijf jaar geen directe politieke rol. Alleen de strijders kunnen de regering uitdagen.”

Tot nu toe zijn de rebellengroepen vooral verdeeld. Zo’n 17 grote en kleine groepen hebben sinds 1989 een staakt-het-vuren-akkoord gesloten met de militaire junta. Die wil de eenheden ombouwen tot een Border Guard Force, maar velen weigeren. “Het is een ontwapening in vermomming”, stelt Sui Khar. De grootste van de 17 groepen, met volgens hem totaal zo’n 50.000 strijders, voeren al gesprekken met de alliantie van rebellen die zijn blijven doorvechten en die ongeveer 20.000 leden tellen. Voor de nabije toekomst voorspelt hij dan ook oplaaiend geweld tussen de verenigde rebellengroepen en de Birmese junta. “We moeten het dan opnemen tegen een strijdmacht die ruim viermaal groter is, zo’n 400.000 militairen, die bovendien is uitgerust met moderne wapens, maar het is ze nooit gelukt de Karen te verslaan.”

Volgens kolonel James Lum Dau woordvoerder van – weer – een andere gewapende etnische groep, de Kachin Independence Organisation, een bevolkingsgroep in het uiterste noorden tegen de grens met China, is een geweldsuitbarsting een kwestie van tijd. Zijn partij tekende in 1994 de wapenstilstand. “Maar per 4 september is de staakt-het-vurenovereenkomst opgeheven en zijn drie kampen van de KIO omsingeld door Birmese militairen. Ze zeiden: als jullie niet doen wat wij zeggen, doden we jullie.”

In het Karen-junglekamp luisteren kinderen geduldig naar de preken van zendeling Pat. Na afloop zijn er snoepjes. Tussen de jonge strijders, van wie ik sommigen niet ouder schat dan 16 jaar, lopen een 22-jarige Fin en een 25-jarige Fransman rond. Ze hebben zich een maand eerder aangesloten en bivakkeren in een lage hut met daaronder een diepe kuil.

Dat is bijzonder handig, verzekeren ze. “Bij beschietingen rollen we van ons bed zo in het schuttersputje.” Op een tafel drogen ze maïskorrels om er popcorn van te maken, een traktatie in hun ogen. “De Karen zien onze aanwezigheid als teken dat ze niet alleen vechten”, vertelt de Fin die drie maanden wil blijven. “Dan is mijn vakantie om.” De Fransman denkt aan een paar jaar. “Ik wil ze lang steunen.” Kolonel ‘Rocky’ Ner Dah vraagt of er ook geen Nederlanders mee willen vechten. “Liefst met ervaring, zodat wij van ze kunnen leren.”

Als de duisternis valt klimt iedereen in zijn hangmat. ‘Rocky’ gelooft ondanks twee generaties oorlog nog altijd in de eindoverwinning, zegt hij voor het slapen. “De tegenstanders zijn gedemoraliseerd. Zij vechten niet voor vrijheid zoals wij.”

En voor de liefhebber deze extra informatie, opdat u alles weet:
Momenteel telt Birma zo’n tien grote rebellengroepen. Een viertal, met naar schatting zo’n 50.000 strijders heeft de laatste twintig jaar een staakt-het-vurenovereenkomst met de Birmese junta gesloten. Daarnaast bestaat de ‘Militaire Alliantie’ van zo’n zes strijdgroepen en die telt naar schatting 15.000 strijders. “Sinds 1948 zijn er zo’n 30 tot 50 versnipperde gewapende groepen geweest”, zegt Mai Bhone Kyan, secretaris-generaal van de National Democratic Front, de civiele tak van acht gewapende groepen. Hij verklaart de lange strijd als volgt: “We zijn het slachtoffer van de geopolitiek. De VS hielpen eerst de militairen als dam tegen het communisme. Nu verlenen grootmachten als China en India steun aan de Birmese junta. Daarbij leven we erg geïsoleerd.” Ook is er nauwelijks geld. “Het enige wat we krijgen is geld van vluchtelingen. Sommigen maken 10 dollar per maand over.”
Het prachtverhaal De langste oorlog past in de serie ‘Vergeten oorlogen en conflicten’ die ik dit jaar maak voor De Pers. Het hele verhaal met extra foto’s valt terug te lezen.

De foto’s maakte ik van rebellen van het Karen Nationale Bevrijdingsleger KNLA. Van boven naar beneden: Op patrouille, kolonel Ner Dah spreekt zijn mensen toe, kinderen in bevrijd Birma en uw verslaggever ter plaatse.

Dit artikel met foto’s verscheen eerder op de weblog van Arnold Karskens.

Geef een reactie

Laatste reacties (9)