696
17

Sociale wetenschapper

Rob Gallenkamp is een sociale wetenschapper (sociologie en politicologie) en heeft gewerkt aan de Hogeschool Utrecht en de Universiteit Utrecht. Hij schreef eerder over het buitenlands beleid van de Verenigde Staten. ‘Waarom Washington Meer Wapens Wil’ (1987, met een voorwoord van Jan Pronk).

De liberale kerk is niet gescheiden van de staat

Over het heilige geloof in het economisch liberalisme

Principieel bestaan er geen wezenlijke verschillen tussen Christendom, Socialisme, Jodendom, Islam en Liberalisme. Ja, de inhoud van zulke geloofssystemen of ideologieën verschilt, maar ze berusten op dezelfde beginselen. Het zijn allemaal sterk gevoelde, door grote groepen gedeelde denkwijzen. Ze bevatten allen een bepaalde interpretatie van de wereld en een reeks bij die interpretatie behorende gedragsregels. Ze laten zich ook moeilijk weerleggen. Het bestaan van God ontkennen zal op een gelovige weinig indruk maken. En tenslotte is uit naam van al deze ideologieën geweld gebruikt. Om een invloedssfeer uit te breiden, maar ook om die te verdedigen tegen aanspraken van staten of groepen met rivaliserende denkwijzen.

Bijna alle samenlevingen kennen een dominante ideologie die er een bepaalde samenhang en richting aan geeft. De oudste beschavingen die we als staten kunnen omschrijven zijn Egypte, Mesopotanië,  India,  China, en de rijken van de Inca’s, Azteken, en Maya’s. Al deze prékapitalistische beschavingen kenden een centraal gezag, een infrastructuur en een systeem van belastingheffing. Ze werden bestuurd door een theocratisch-bureaucratische klasse, die zijn positie ontleende aan het vermeende inzicht in de wil van  ‘hogere’ machten. Verder beschikten ze allen over een betrekkelijk groot agrarisch surplus,  het overschot aan productie dat niet voor directe consumptie of investeringen nodig is. De verdeling van dit surplus lag in handen van de zojuist genoemde klasse. 

Het economisch liberalisme is een exportproduct, ‘made in the UK’, dat in de 19e eeuw aarzelend begon aan een zegetocht die in de 20ste eeuw zijn voltooiing zou krijgen. Het begin van die zegetocht viel samen met de overheersende economische en militaire macht van het Verenigd Koninkrijk. Die macht werd niet alleen ingezet om een koloniaal imperium te vestigen, maar ook om Britse ondernemingen toegang tot markten van concurrerende landen te geven. Geweldloos ging dat vroeger niet. Met kanonneerbootdiplomatie of gericht oorlogsgeweld wist Londen overzeese handelsbarrières te slechten en daarmee zijn economische macht te vergroten. 

In de retoriek lag de nadruk op vrijhandel en vrije concurrentie, maar liberaal was de expansie van het Britse Rijk bepaald niet: koloniën en liberalisme zijn in principe onverenigbaar. Wel ontstond in het Atlantisch gebied een markteconomie met allengs machtiger handels- en industriële klassen die zich geleidelijk tot het economisch liberalisme bekeerden. De politieke wederhelft van dit geloofssysteem moest nog enige tijd wachten, want burgerlijke vrijheden of het algemeen kiesrecht werden in veel landen pas in de 20ste eeuw gerealiseerd.

Adam Smith beschreef in zijn beroemde boek The Wealth of Nations (1776) de stand van zaken in het Verenigd Koninkrijk van de 18e eeuw.  Het idee van een vrije markt, concurrentie, en het voordeel dat dit voor de samenleving als geheel zou opleveren, was gebaseerd op een kleinschalige economie, zonder sterke machtsconcentraties, en zonder overheersing van overzeese gebiedsdelen. In de eeuw die daar op volgde bestond die wereld niet meer, maar dat vormde geen belemmering een nieuwe wetenschap te ontwikkelen, die van de economie, en deze grotendeels te baseren op het boek van Smith. 

Het is geen toeval dat die wetenschap ontstond in het Verenigd Koninkrijk. De kennis die het opleverde kwam voort uit de vragen die daar toen speelden. De verbreiding en verdere ontwikkeling van de economische wetenschap volgde de groei en wereldwijde expansie van Britse en later Amerikaanse bedrijven. Hun succes bevorderde deze verbreiding. Het stilzwijgend verbond van economen en politici bereikte zijn hoogtepunt eind vorige eeuw, onder Reagan en Thatcher, met hun retoriek dat de overheid het probleem en de markt de oplossing is. Het ‘marktisme’, zoals Abram de Swaan het noemt, werd de heersende denkwijze. Deze ideologie, overgoten met een universitair  sausje, predikte de zegeningen van een vrije markt zo overtuigend, dat zelfs partijen zoals de PvdA en GroenLinks besmet raakten.

Waarin verschillen prékapitalistische samenlevingen van de huidige liberale staten?

De productiewijzen in de oude samenlevingen waren doorzichtig: boeren dienden een deel van hun oogst of vee af te staan aan hun landheren, of aan het centraal gezag. De oorsprong en overdracht van het surplus waren voor iedereen zichtbaar. Een religieuze redenering waarom boeren dit moesten doen was daarom behulpzaam en vaak noodzakelijk. 

De economische groei van de Verenigde Staten tussen 1980 en 2005 kwam voor meer dan 80% terecht bij de rijkste 1% van de bevolking. Gewone Amerikanen maakten niet massaal geld over naar die 1%, de oorsprong en overdracht van het surplus lijken daarmee ondoorzichtig. De politiek mag dan onttoverd zijn, een religieuze rechtvaardiging voor het bestuur is immers niet meer nodig, maar dat geldt niet voor de economie. Die kent een rookgordijn, de liberale economische theorie, waarin iedere deelnemer aan het economisch verkeer de ‘juiste’ prijs voor zijn bijdrage krijgt.

Een vis is het laatste wezen dat door heeft dat het in water leeft, luidt een bekend gezegde. Dit omschrijft treffend de manier waarop de meeste politici en economen momenteel hun  geloof is het economisch liberalisme beleven. Met dit geloof rechtvaardigen en regelen zij de overdracht en verdeling van het maatschappelijk surplus. Precies zoals  priesterkasten in de oudheid. De liberale kerk is geenszins gescheiden van de staat, maar er volledig mee versmolten. 

Rob Gallenkamp is politicoloog 

Geef een reactie

Laatste reacties (17)