Laatste update 21 februari 2019, 14:34
1.541
2

De noodzaak van een eigen vriendin

Over een weekendje gezelligheid met familie

Cc-foto: patterned

Op de achterbank zat ik ongemakkelijk ingeklemd tussen twee vrouwen. Aan de ene kant de vriendin van mijn vader, aan de andere kant die van mijn broer. Ook hier bleek maar weer eens de noodzaak van een eigen vriendin. Met zes man zouden we met twéé auto’s zijn gegaan, hetgeen de reis er voor mij een stuk comfortabeler op zou hebben gemaakt. Bij iedere bocht probeerde ik mijn lichaam krampachtig in bedwang te houden maar telkens werd ik weer hardhandig tegen het ene en dan weer tegen het andere vrouwenlijf aan gekwakt. Goddank viel ik na een tijdje in slaap zodat ik het grootste gedeelte van de reis niet heb hoeven meemaken.

Nadat we onze spullen in het hotel hadden gedumpt gingen wij wandelen door het Limburgse landschap. Voorafgaand aan de wandeling vonden mijn broer en ik het een goed idee om ons op het terras wat moed in te drinken maar het zat helemaal vol.

Zodoende trokken wij er volledig nuchter op uit. Al snel bleek dat het pad dat mijn vader en ik in de zomer hadden bewandeld veranderd was in een gigantische modderpoel. Achter elkaar aan soppend als een enthousiaste hoer trokken we door de natuur.

‘Zijn we al voorbij die weg met al die takken die voortdurend in je gezicht slaan?’ vroeg ik op een gegeven moment aan mijn vader.

‘Nee,’ zuchtte hij zwetend met zijn trui om zijn middel, ‘die moet nog komen.’ De rest van ons reisgenootschap was inmiddels in geen velden of holle wegen meer te bekennen.

Bij een beekje bleven we even staan om te zien hoe een dikke labrador met een enorme tak tussen zijn tanden de steile oever op probeerde te klimmen. Hij zag er zo aandoenlijk uit in zijn vastberadenheid om zijn drie meter lange tak meer van de wereld te laten zien dan alleen de rivier dat ik hem bijna wilde gaan helpen. Op zijn eigen pure wilskracht bereikte de hond het hoge gras waar hij smakelijk op het uiteinde van zijn trofee ging liggen kauwen. We zaten nog even op een bankje en daarna klommen ook wij op onze pure wilskracht het zompige dal weer uit.

In boscafé het Zeikend Hert dronken we onze lang verlangde biertjes.

Door de uitputtende wandeltocht en het uitblijven van voedsel werd ik daar plotseling zo kneiter lam van dat ik me maar snel op de bitterballen, kippenvleugeltjes en kaasjes stortte in de hoop weldra weer coherent te kunnen spreken.

De avond viel over de heuvels van Limburg.

In het restaurant van het hotel kregen we een tafel in de hoek.

Iedereen had zich mooi aangekleed. Mijn vader en broertje droegen een kraakwit hemd met manchetknopen, de vriendinnen een jurk met ketting en ik de trui en de broek waarmee ik die middag zwetend door de Limburgse loopgraven had gekluund.

Op onze tafel stond een keur aan glazen, messen en vorken en wij werden bediend door meisjes met een strikje. Onder het genot van hun wijn-arrangement voerden mijn broer en vader een intelligent gesprek. Het ging respectievelijk over het nut van de universiteit, de marketing ( het gif van de samenleving volgens mijn vader) de politiek en bedrijven. Toen ik me even later in het gesprek mengde vonden mijn broer en zijn vriendin dat ik ongefundeerde onzin uitkraamde en stond mijn vader zijn enige vrijgezelle zoon bij door uit te leggen wat ik precies had bedoeld. Waarop mijn broer weer ontkende dat dat was wat ik had bedoeld. Waarop mijn vader uitvoeriger uitlegde wat ik had bedoeld.

Mijn gedachten waren inmiddels al lang weer ergens anders.

De stoel waarop ik zat was zo krap dat ik mijn benen niet uit elkaar kon doen en mijn ballen werden hierdoor zowat samengeperst.

Ik vind eten in dit soort restaurants vooral altijd heel lang duren.

Zeker in dat soort stoelen.

Na glibbervis met inktvisseninkt-schuim, ravioli met tamme garnaaltjes en vrolijk gegaarde varkenswangetjes met rode biet en één champignon was het dan eindelijk tijd voor het toetje. En toen kwam het meest schrijnende moment van heel het weekend. Een mevrouw van mijn moeders leeftijd duwde een karretje richting onze tafel met daarop een plankje met stukken kaas.

Aan tafel ging zij vervolgens bloedserieus iedere kaas introduceren en mochten wij kiezen welke we op ons bordje wilden hebben.

Terwijl de kazenmevrouw met een groot mes verwoed pogingen deed om door de hardste kazen heen te komen keek ik naar haar gezicht.

Arme vrouw dacht ik. Moeder van dochters of zonen.

U moet hier toch niet om half twaalf staan zwoegen met een karretje vol kazen. U moet thuis onder een dekentje op de bank liggen en mandarijntjes pellen op de tv-gids terwijl iemand koffie voor u zet. Steek dat mes voor eens en voor altijd in de grootste oudste verrotte kaas en bel uw zoon of hij u op komt halen.

De volgende ochtend gingen we naar Maastricht. Daar was het erg druk.

De terrassen op het Vrijthof waren vol. Net als de parkeergarages.

Gezellig met z’n vijven reden we rondjes tot we scheel zagen. Ineens spotte mijn broer een oud Limburgs vrouwtje dat we stapvoets met zes andere auto’s achtervolgde tot bleek dat ze alleen haar jas uit de achterbak ging halen. Toen zijn we maar op een invalideplek gaan staan en vroeg mijn vader mij of ik een beetje wilde hinken.

Op het Onze-Lieve-Vrouwen-Plein vonden we na lang zoeken een plekje in de zon.

Naast ons zat een man alleen. Met zijn grijze krulletjes en zijn gouden bril zag hij eruit als een man die van zichzelf zegt dat hij alleen in stad als Maastricht zou kunnen wonen. Toen hij naar voren leunde om zijn biertje te pakken zat zijn buik in de weg.

Achter hem zaten twee oude dames en een meisje van mijn leeftijd waarvan haar mond erg veel tandvlees ontblootte wanneer ze lachte en ik besloot dat ik alleen met haar zou zoenen als ik dronken was met carnaval.

Bij de enige bruine serveerster in Maastricht bestelden we een vlaai met slagroom.

Daarna gingen we erop zitten wachten. We zeiden niets. De zon verschoof waardoor mijn broer en zijn vriendin toen zijn vlaai arriveerde in de schaduw kwamen te zitten. Mijn vader had net als ik een abrikozenvlaai besteld. Hij droeg een gewone blauwe polo. Niet echt feestelijk.

Bij het ontbijt had ik hem zijn cadeautje gegeven. Sinds een jaar of twee geef ik hem dierenpoppetjes die hij daarna op zijn nachtkastje zet. Hij heeft een stokstaartje, een hangbuikzwijntje en nu een muisje. Aan het aantal diertjes rond zijn wekker kan hij zien of hij oud aan het worden is.

Toen alles op was betaalde mijn vader en vertrokken we weer.

Naar de Maas. We liepen over de brug naar de overkant. Ook hier was het druk. De huizen waren oud.

‘Het lijkt hier wel België,’ zei ik tegen mijn vader. Hij knikte. ‘Dat is het ook bijna.’ Hij hield de hand van zijn vriendin vast. Verderop liep mijn broertje ook hand in hand met zijn vriendin.

Op de hoge brug maakte ik foto’s van papa en zijn vriendin met Maastricht op de achtergrond. Daarna maakte ik foto’s van mijn broer en zijn vriendin met Maastricht op de achtergrond.

Ik ging niet op de foto want ik had geen vriendin.


Laatste publicatie van Ties Teurlings

  • Krentenkoppen

    2017


Geef een reactie

Laatste reacties (2)