912
10

Sociaal psycholoog

Werner de Gruijter (1976, Winterswijk) psycholoog en docent sociale wetenschappen op de Hogeschool van Amsterdam. Hij verdiepte zich zowel in Jungiaanse psychoanalyse als in de geschiedenis van het Westerse intellectuele denken.
Voor meer schrijfsels zie: www.wernerdegruijter.nl

De prijs voor een veilig gevoel

Hoe de roep om repressie de kans op terreur vergroot

Op actie volgt reactie. Als de actie terreur is, volgt als reactie repressie. De eenzijdige repressieve aanpak als reactie op de terreurdreiging ligt in de menselijke aard. De paradox is dat onze reactie op de terreurdreiging bijdraagt aan de voedingsbodem voor het terrorisme.

Door Lars Anderson en Werner de Gruijter

Eerst, terug naar het begin. Over enkele maanden gedenkt de wereld het vijftienjarige bestaan van de oorlog tegen terrorisme, die officieus begon met twee vliegtuigen die insloegen in de wolkenkrabbers van het World Trade Center in New York. Die beelden, de instortende Twin Towers, staan gegrift in het collectieve geheugen, evenals het reusachtige wolkendek van stof en puin dat zich als een laatste zucht over de stad uitrolde.

De vernietiging van twee iconen werd door de hele wereld gadegeslagen en geïnterpreteerd als een angstaanjagende, symbolische boodschap waarmee moslimextremisten zich tot het Westen hadden gericht. Een antwoord kon niet uitblijven. Kort na 11 september kondigde de Amerikaanse president de ‘eerste oorlog van de eenentwintigste eeuw’ aan, en Nederland stemde toe.

Nu, vijftien jaar later, blijkt dat dit de opmaat is geweest voor het schenden van mensenrechten, het toenemen van polarisatie, het inperken van burgerrechten, de weinig succesvolle interventies in Libië, Afghanistan, Jemen (en tal van andere landen)… voor het onrechtmatig bezetten van Irak (met als kaatsbal het ontstaan van de terreurbeweging IS);  en vooralsnog voor meer dan een miljoen doden; waarvan het leeuwendeel onschuldige burgers. Overigens kenmerkte de westerse aanpak zich niet overal door ineffectiviteit en collectief falen – de dagkoersen van bijvoorbeeld Raytheon, BAE Systems, Northrop Grumman, Lockeed Martin, et cetera – grof gezegd, het militair industriële complex, lieten indrukwekkende stijgingen zien, sinds 2001, jaar na jaar; en dan eerst en vooral direct na grote terreuraanslagen, zoals ook bleek na de laatste aanslag in Parijs (zie grafiek 1).

Grafiek 1. Aandelenkoersen defensie industrie sinds de recente aanslagen in Parijs (​Bron: zerohedge.com)

Wie de recente geschiedenis zo overziet, ziet niet bepaald een toonbeeld van beschaving opdoemen. Dat kan ook niet. Want dit is namelijk het bittere voorlopige eindresultaat van een drift die op de loer ligt als angst in de hoofden van mensen sluimert – de drang naar repressie. Het Westen liet zich door een primaire emotie leiden en is daardoor in de val gestapt die het zelf heeft uitgezet.

Repressie zucht
Van New York vijftien jaar geleden tot aan Parijs vandaag de dag beheerst terrorisme het nieuws in krant en televisie, spreken politici in termen van repressie en wordt er actief geadverteerd om in druk bezochte openbare gelegenheden alert te zijn op verdachte personen of pakketjes. Het effect dat dit heeft op onze beeldvorming blijkt uit het relaas van een inwoner uit Borssele, het dorpje pal naast de kerncentrale: ‘Twintig jaar heb ik hier onbezorgd gewoond, maar de laatste jaren is dat veranderd, dankzij de terreurdreiging voel ik mij niet meer veilig’.

De nadruk die wordt gelegd op de dreiging, en daardoor ook zo ervaren wordt, is kortom van grote invloed op ons gedrag. We stappen weliswaar nog steeds in de trein, maar niet meer met een gerust gevoel. We gaan nog steeds naar grote evenementen, maar ook hier is waakzaamheid troef. Angstig als we zijn denken we allemaal slachtoffer te kunnen worden van een aanslag. En niemand die het nuanceert (althans niet onder de hoofdrolspelers in de politiek), niemand die spreekt over de werkelijke kans dat je als individu betrokken kunt raken bij een terreurdaad. Terroristische aanslagen in het Westen – maar ook wereldwijd – zijn relatief zeldzaam. Dat maakt het risico dat je als individu slachtoffer wordt van een terreuraanslag verwaarloosbaar klein.

Grafiek 2. Aantal terreur slachtoffers (in duizendtallen) wereldwijd

Een optelsom van een Amerikaanse denktank leert dat er jaarlijks wereldwijd zo’n 10.000 terreurslachtoffers vallen (oorlogsgebieden niet meegerekend; zie grafiek 2). Hetzelfde sommetje, maar dan voor sigarettenrook, vertelt dat alleen in Nederland jaarlijks 20.000 mensen sterven aan de gevolgen van roken. De kans dat iemand door het roken sterft is dus vele malen groter. En dat terwijl we voor een sigaret niet, en voor terrorisme wel bang zijn.

Een vertekend beeld

Volgens de Duitse socioloog Ulrich Beck komt dit omdat de samenleving als geheel, en onze zintuigen in het bijzonder, het vermogen hebben verloren om risico’s te signaleren en te controleren. Waar we vroeger alleen te maken hadden met waarneembare gevaren, zoals bosbranden en aardbevingen, hebben we nu te maken met niet waarneembare gevaren, zoals radioactieve straling of additieven in voedsel. Het ervaren van risico’s is daardoor losgekoppeld van de persoonlijke ervaring. Dit geldt ook voor de terreurdreiging. Waar we normaal gesproken tegen een klassieke zichtbare vijand vechten, is nu sprake van een onzichtbare vijand die innig is verweven met ons eigen systeem.

Iedereen kan een potentiële terrorist zijn, ook de goed geïntegreerde buurman. Daarmee wordt de diepere betekenis van Beck’s constatering duidelijk, want ook al nemen onze zintuigen het ons omringende gevaar niet waar, onze zintuigen functioneren nog steeds uitstekend.

De consequentie is dat ons beeld van de terreurdreiging indirect gecreëerd moet zijn, waardoor de kans groot is dat we onszelf voor de gek houden en onze angst gebaseerd is op een mythe. We weten immers alleen op grond van eerdere aanslagen dat er een terreurdreiging is. Maar we weten niet hoe groot deze dreiging is, waar de dreiging gelokaliseerd is, en of deze dreiging te beheersen is.

De angst die in onze hoofden sluimert, zorgt voor een onbewuste, maar heftige psychologische reactie. Wetenschappers toonden aan dat als mensen zich bedreigd voelen, ze minder tolerant worden, een meer etnocentrische kijk op de wereld krijgen, en zowel meer vooroordelen als een grotere afkeer hebben voor alles dat vreemd is.

Al deze onbewuste processen bepalen voor een groot deel onze eerste reactie op een terroristische aanslag met als resultaat een drang naar repressie. Een blik in het verleden laat zien dat eerdere terreurgolven, zoals het anarchistische terrorisme aan het begin van de 20ste eeuw, telkens leidde tot een obsessie met veiligheid, omdat de terreurdreiging vertrouwde en bestaande structuren ondermijnt.

Wantrouwen
Het invoeren van repressieve wetten en regels komt tegemoet aan de veiligheidsobsessie en creëert een illusie van een wereld waarin de orde is teruggekeerd. Ons gemoed wordt weliswaar voor even gerustgesteld, tegelijkertijd zien we niet – of willen we niet zien – welke gevolgen deze onderdrukkende maatregelen voor onszelf hebben. De invoering van de identificatieplicht beperkt naast de vrijheid van de terrorist ook de vrijheid van de brave burger. En ondertussen blijft de angst voor de gevoelde terreurdreiging sluimeren. Meer politie, strengere bewaking op de stations of een oproep tot alertheid dankzij een postercampagne zijn voor velen namelijk een bekrachtiging van een nog steeds bestaande dreiging.

Ons vertrouwen in de samenleving verandert onder invloed van angst geleidelijk in een gedeeld wantrouwen, waardoor we vanzelf iets onschuldigs als iets verdachts gaan zien. Impliciet wordt daarmee een verdedigingsmuur opgebouwd ten opzichte van die groep die verantwoordelijk gehouden wordt voor de bestaande terreurdreiging; in dit geval de islamitische gemeenschap.

De gecreëerde illusie van veiligheid, als antwoord op de angst, draagt daardoor paradoxaal genoeg bij aan de voedingsbodem van het radicalisme. De moslimgemeenschap zal de repressieve maatregelen namelijk als een klap in het gezicht ervaren, omdat zij veronderstellen dat deze tegen hen gericht zijn. De strengere selectiecriteria zorgen voor meer fouten, die in de praktijk hoofdzakelijk gevolgen hebben voor deze migrantengemeenschappen. Voorbeelden zijn er genoeg. Neem het duo dat in de trein vanuit Keulen werd opgepakt op basis van verdachte klederdracht en religieuze handelingen. Of de man in djellaba die in de trein door mannen met kogelvrije vesten hardhandig op de vloer gewerkt werd.

Met repressieve maatregelen wordt geprobeerd de veiligheid te garanderen die niet gegarandeerd kan worden. Deze korte route naar vermeend snel succes – de bestrijding van terreurgroepen – houdt echter geen rekening met de oorsprong, ofwel de indirecte oorzaken van de terreur.

De korte route richt zich alleen op de symptomen van het terrorisme, zoals IS, Al-Qaeda of de Hofstadgroep, waardoor van een langdurige investering geen sprake kan zijn. De terroristen worden weliswaar opgepakt, maar de voedingsbodem wordt er niet mee weggenomen. Het mobiliseren van nieuwe rekruten is daardoor zo geregeld.

Diepere oorzaken
Het alternatief van deze korte route is de zoektocht naar en het erkennen van de werkelijke oorzaken van de terreur. Volgens de Gentse hoogleraar Rik Coolsaet wordt terrorisme geboren uit marginalisering van bevolkingsgroepen. In veel Europese landen vallen jongeren uit vooral Noord-Afrika op dit moment tussen wal en schip. Ze hebben het gevoel dat zij niet meer erkend worden in zowel het land van herkomst als het land van aankomst. Daarmee is de grondoorzaak van het home grown terrorisme in Europa vooral een identificatie probleem, dat is ontstaan vanuit het gevoel op cultureel vlak uitgestoten te zijn.

Kansarmoede en afstamming als oorzaken voor terreur worden in het publieke debat alleen niet genoemd. Het gaat enkel over maatregelen die op korte termijn de dreiging moeten wegnemen, maar daarmee worden de nadelige psychologische gevolgen van angst niet weggenomen.

Dat kan alleen door mensen duidelijk te informeren. Want het inzicht dat er geen reden is voor paniek wordt pas mogelijk als men het onderscheid weet te maken tussen de kans dat terreur in ons land plaatsvindt, en de kans dat het ons als individu treft. Alleen dit inzicht wordt ons niet verschaft, omdat de huidige campagnes de nadruk leggen op veiligheid.

De calculerende politicus
Zo langzamerhand moet dan ook de vraag gesteld worden wat het achterliggende motief is van deze focus. Waarom gaan er zó veel middelen naar het bestrijden van de symptomen van terreur, en maar zo weinig naar de indirecte oorzaken van het terrorisme?

Het antwoord is simpel, het electoraat is in tijden van crisis bevangen door de drang naar repressie. Politici zijn calculerende wezens en weten dat ze het zich momenteel niet kunnen veroorloven genuanceerd te zijn. Met de daardoor ontstane verruwing van het publieke debat, waarin weliswaar alles gezegd mag worden, maar er niet meer naar elkaar wordt geluisterd, groeit de kloof tussen verschillende bevolkingsgroepen.

Bij politici ligt de belangrijke taak om dit debat op constructieve wijze vorm te geven. Samen met de media, omdat dit de twee groepen zijn die meer dan wie ook vorm geven aan de perceptie van de publieke opinie. Zolang de media enkel oog hebben voor politici met de meest extreme standpunten en zij zich niet realiseren dat ze delen in de verantwoordelijkheid, blijft dit echter een utopische gedachte. De mythe van de terreurdreiging zal daarom nog wel een tijd voortleven, waardoor we bang blijven voor het verkeerde.

Wat ons bedreigt, is niet de terrorist, maar de angst die hij veroorzaakt. En concreter, de politicus die daar op inspeelt. Doordat de werkelijke oorzaken voor de radicalisering en het fundamentalisme in het debat worden onderbelicht en de tegenstellingen juist overbelicht, worden heersende gevoelens van intolerantie, xenofobie en etnocentrisme versterkt.

De prijs die vooralsnog wordt betaald voor het verkrijgen van een veilig gevoel is een verdieping en een verbreding van de tegenstellingen tussen de islamitische en de autochtone gemeenschap. De psychologische gevolgen van dit proces laten zich goed illustreren door een observatie van Sigmund Freud in 1926:

‘Ik beschouwde mijzelf als een Duitse intellectueel, totdat ik de toename van de antisemitische vooroordelen in Duitsland zag. Sindsdien geef ik er de voorkeur aan mezelf een jood te noemen.’

Geef een reactie

Laatste reacties (10)