581
3

Tekstschrijver en publicist

Mark Wagemakers is tekstschrijver en publicist.

De Prozac periode: isoleercel

"Psst, jij daar."

Mark Wagemakers schrijft voor Joop iedere week een ontluikend, tragikomisch feuilleton over het ongebreidelde leven achter de muren van een psychiatrische kliniek.

“Mark, spreid je benen, handen en gezicht tegen de muur en niet bewegen.” Ik liet het over me heen komen. Totaal niet zo sexy als dat je het ziet bij politieseries. Geen adonis in een te strak zittend uniform, maar een chagrijnige bolsjewiek met het charisma van een opgedirkte lesbienne. Zíjn gelijk is hét gelijk, waar iedereen voor moet wijken. Odeur van heb-ik-jou-daar, te toegespitst op het fouilleren van argeloze jongeren. “Dat krijg je ervan als je onze therapeuten belaagt.”

Belaagt. Ik, veertien jaar, één meter veertig, 42 kilo. Deze hele situatie had ik niet op me afgeroepen, en als ik gewoon – zoals dat bij normale mensen zou gaan – m’n moeder mocht bellen en geen Valium, Oxazepam, Dipiperon en Prozac hoefde te slikken, had deze farce niet nodig geweest. Had deze fata morgana van een gesedeerde, ijlende nachtmerrie nimmer hoeven gebeuren. Had ik gewoon thuis gezeten. Het vwo kunnen volgen.

De uren verstreken. In de isoleercel was het onaangenaam koud. Een gele, linoleum vloer met een penetrante, zurige lucht. De wanden waren bekrast en verrijkt met haatdragende leuzen. Er was een raam, maar die was hermetisch afgesloten. Naar buiten kijken was geen optie. Er werd wel naar binnen gekeken door middel van twee camera’s die in de linker- en rechterbovenhoek van de ruimte waren bevestigd. Een klok hing er niet, na verloop van tijd, raakte je het besef van tijd kwijt. De psychiatrische zeitgeist, een zwart gat in mijn jonge jaren. Een smet op mijn blazoen. Een klap in mijn gezicht. Een doorn in het oog.

Doordrenkt in zelfmedelijden onderging ik deze nederlaag. Met m’n rug tegen de muur aanschouwde ik deze opsluiting als het falen van de geestelijke gezondheidszorg. Wat was dit voor behandeling? Wat deed men jongeren aan? Waarom een trauma erbij porren, als er naar herstel wordt gestreefd?
“Psst, jij daar.” Een meisje in een blauwe jurk stond aan de deur te bonzen, een isoleercel naast me. In mijn tirade was het me nog niet opgevallen dat er meerdere cellen naast elkaar waren gebouwd. Vier in totaal. In deze ‘tussenafdeling’, gebouwd tussen mijn behandelgroep en die van de gesloten afdeling, werd de rust gehandhaafd door jongeren die – zo staat het althans in het reglement – een ‘direct gevaar voor zichzelf of voor anderen vormen’ op te sluiten.

Even dacht ik dat Jomanda aan de hemelpoort zou staan. Dat ik een delirium had gekregen van de medicatie en de scheve machtsverhoudingen, maar het was een meisje. “Annelieke. Hoe heet jij?” Nou, Annelieke was niet echt een meisje te noemen. Eerder een polderkerel. Lang, zwart haar, stevig gebouwd, nauwelijks borsten, brede schouders. Ik zou er zo op kunnen vallen. “Overdosis. Jij?” “Ik mag m’n ouders niet meer zien”, antwoordde ik. We raakten aan de praat. “Dit is niet toegestaan”, zei de bolsjewiek toen hij mijn kant op kwam rennen. Ze zagen het aan de camera’s. “Ben je rustig?” “Ik wel.”

Het volgende schouwspel was ook te vernederend voor woorden. Met mijn rug tegen de muur, zittend op de grond met mijn handen in de lucht kwam men mij bevrijden uit deze meer dan penibele situatie. “Had dit nou gemoeten?”, vroeg mijn persoonlijke cipier. Ik drukte mijn snor. Als ik nu wéér de discussie aan zou gaan, zou de volgende beperking mij opwachten. Ik liet me niet meer van mijn stuk brengen. Nooit meer.

Geef een reactie

Laatste reacties (3)