3.319
137

promovendus culturele antropologie

Pooyan Tamimi Arab (1983) is promovendus culturele antropologie aan de Universiteit Utrecht. Zijn onderzoek gaat over "religie en het recht op de stad." Eerder studeerde hij filosofie (B.A. 2006) en kunstgeschiedenis (B.A. 2008) aan de Universiteit van Amsterdam en filosofie aan de New School for Social Research in New York (M.A. 2010).

De PVV voedt het alledaagse racisme

Meneer Duyvendak: Het kan niet zo zijn dat we populisten als Wilders 'een beetje' gelijk geven

Reactie op Jan Willem Duyvendaks essay. ‘Pleidooi voor een sentimentele politiek’. Co-auteur: Sara Emami (MSc. TU Delft, werkzaam als interactieontwerper voor UNITID Interaction Designers)

Beste prof. Jan Willem Duyvendak,

Met grote aandacht hebben wij uw ‘pleidooi voor een sentimentele politiek’ in de Groene Amsterdammer (5 Januari 2012) gelezen. Wij waarderen uw werk en betrokkenheid als hoogleraar, maar herkennen onze eigen ervaringen en opvattingen helaas niet helemaal in uw tekst.

U opent het stuk door te verwijzen naar de onmacht van het comité Nederland Bekent Kleur. Eindelijk zegt iemand het! Wij worden ook wel moe van zulke bijeenkomsten, waar je meestal lastig gevallen wordt door Internationale Socialisten die het evangelie van Marx prediken. De gewone burger voelt zich helemaal niet aangetrokken door groepen die uitsluitend in de marges van de samenleving opereren. Zelfs niet de SP-stemmers, althans dat blijkt uit hun afwezigheid. Het lukt het comité niet om grote groepen mensen emotioneel te raken.

Wij zijn het met u eens dat het belang van sentimentele politiek niet onderschat mag worden. Rousseau benadrukte “sentiments of sociability” in het Sociaal Contract. Spinoza verbond zijn emotieleer aan de politiek. Hume stelde dat de rede een slaaf is van de passies. Enzovoort. Ook vandaag bevindt u zich in goed gezelschap en dan hebben we het niet alleen over Bas Heijne. Bijvoorbeeld Benedict Anderson heeft al jaren geleden gewezen op het belang van grenzen, en vooral verbeelde grenzen, voor gemeenschappen. Arjun Appadurai noemt letterlijk de noodzaak van “communities of sentiment”. Uw pleidooi voor de alledaagse en emotionele kanten van burgerschap is overtuigend en staat als een huis. Verder zegt u dat we ernaar moeten streven ieders behoefte aan thuisgevoel te vervullen. Hoe zou iemand het daarmee oneens kunnen zijn?

Toch heeft uw tekst een vervelende connotatie bij ons opgeroepen. De uitleg begint zo:

Onze medeburgers zijn niet onze familieleden. Toch moeten we het belang van een ‘thuisgevoel’ onderkennen, zonder toe te geven aan het nativisme van Wilders.”

In onze allochtone oren klinkt dat wel erg veel op een geleerde versie van Verhagens “de angst voor buitenlanders is terecht”. Laten we aannemen dat dit niet uw bedoeling is geweest. De vergelijking met “Onze medeburgers zijn niet onze familieleden” heeft ook in die zin een vervelende connotatie, omdat omgaan met familieleden vaak te maken heeft met je verplicht of gedwongen voelen om toch met die mensen om te gaan, ook al vind je ze niet aardig en heb je een hekel aan ze. Het is nu eenmaal familie en je ontkomt er niet aan. In het asielzoekerscentrum waar een van ons een tijd werkzaam is geweest als vrijwilliger, hebben we gelukkig anders geleerd. De kinderen met wie werd gewerkt leerden dat omgaan met elkaar, ook al ben je afkomstig uit een ander land, iets natuurlijks kan zijn. Het belang van een “thuisgevoel” onderkennen, komt niet ter sprake wanneer respect een rol speelt.

Maar dan komt het: Wilders kan geen racisme worden verweten, maar alleen nativisme. Discriminatie is vooral een kwestie van religie en cultuur, en niet van kleur en ras. U ontkent niet dat er gediscrimineerd wordt, “maar niet op basis van aangeboren, fysieke kenmerken.” Vervolgens zegt u dat er wel sprake is van “alledaags” racisme. Maar wat is dat alledaagse racisme dan? Wij vragen ons af waarom u denkt dat deze twee, Wilders en alledaags racisme, niet met elkaar verbonden zouden kunnen zijn?

Wij zijn beiden geboren in Iran en opgegroeid in Nederland. Ook al was het niet altijd makkelijk, toch hebben we in veel opzichten een fijne, stimulerende jeugd gehad. In feite zijn wij “superallochtonen” die zich zouden moeten herkennen in uw verhaal. We zijn “modern”, dat wil zeggen niet gelovig of praktiserend. We wonen samen, ook al zijn we niet getrouwd. We hebben VWO en Gymnasium gedaan en geen slappe pretpakketten gekozen. We hebben cum laude diploma’s gekregen, een Huygens beurs ontvangen, een ECHO Award gekregen, en allebei ook in het buitenland gestudeerd. De een werkt nu voor een ontwerpbureau in Amsterdam, de ander promoveert. Als kinderen speelden we met iedereen, ook blonde Hollandse jongens en meisjes. En vandaag lezen we de Groene Amsterdammer, de Volkskrant en de NRC. We waarderen Nederlandse films zoals “Het is een schone dag geweest”, maar voelen ons ook sterk verbonden met de Europese kunst en cultuur, de vele steden van het Avondland en zijn rijke geschiedenis. Wij wonen nota bene op de Oude Langendijk in Delft, dezelfde straat als Johannes Vermeer. Kortom, wij zijn het succesverhaal van de zogenaamde integratie, al zeggen we het zelf. Met behoud van eigen identiteit, want we kunnen nooit vergeten waar we vandaan komen, zeker niet wanneer familieleden de straten van Teheran opgaan om te demonstreren.

Maar … wij hebben zwart haar en bruine ogen. Dat blijft lastig. Wanneer je Tamimi Arab heet, dan voel je je wel erg snel aangesproken door Wilders, ook al stellen anderen die zich schamen je gerust dat jij niet bedoeld werd. En dan denk je niet: ik moet nu een scherp onderscheid maken tussen racisme en nativisme, want Nederlanders zijn eigenlijk goede, aardige, progressieve mensen en kunnen dus a priori geen racistische trekken hebben. Aan de andere kant, u heeft gelijk als u zegt dat de rollen van cultuur, taal, en religie niet onderschat mogen worden. Discriminatie en uitsluiting hebben niet alleen te maken met het uiterlijk.

U suggereert echter dat zwarte haren en bruine ogen niet zoveel uitmaken, maar er zijn wel heel andere ervaringen te vermelden. Wij voelen ons veilig in onze elitaire kringen. Vrienden die laagopgeleid zijn genieten veel minder van zulke bescherming. Het onderscheid wordt daar veel scherper gemaakt en gevoeld. Het is voor u heel moeilijk, misschien zelfs pijnlijk, om het woord racisme te gebruiken. Voor ons is het vanzelfsprekend, en inderdaad alledaags. Het is simpelweg een realiteit. De wil van u of ons om iets op een bepaalde manier wel of niet te benoemen is doorslaggevender dan objectieve redeneringen. Natuurlijk hebben PVV’ers vandaag geen expliciete rassentheorie en zijn ze geen sociaal-darwinisten. Maar moet je een rassentheorie hebben om je racistisch te gedragen? Het antwoord daarop hangt af van de (on)wil.

U heeft gelijk dat we beter moeten begrijpen wat de PVV dan wel is. Maar zo resoluut stellen dat er geen sprake is van racisme, nee. Wij maken ons daar juist zorgen om, bijvoorbeeld wanneer we zien dat een 18 jaar oud broertje zich opwindt over Zwarte Piet, omdat hij aanvoelt dat het obsessief ontkennen dat Zwarte Piet als racistisch gezien kan worden ook te maken heeft met het ontkennen dat hij om zijn iets meer donkere huidskleur en haar toch erg anders bejegend wordt. Geboren in Nederland, maar hij blijft een allochtoon en zijn toekomstige kinderen ook.

Wij beweren niet dat het soort racisme waar wij het over hebben vergelijkbaar is in intensiteit of precies dezelfde stijl van redeneren veronderstelt als in de burgerrechten oorlog in de USA, de Europese koloniale tijd en de Tweede Wereldoorlog. We weten heus wel dat Nederland in vergelijking met grote delen van de rest van de wereld een soort liberaal paradijs is. Maar dat weerhoudt ons er niet van te denken dat racisme, zoals u zelf zegt, iets alledaags is. We beschouwen de PVV als een partij die het alledaagse racisme voedt.

U vindt troost in het idee dat het eigenlijk allemaal vanzelf goed komt. U twijfelt wel een beetje: “Misschien is er één troost.” Uiteindelijk worden nieuwkomers ook natives, “terwijl zwarten nooit wit worden.” Misschien. Toch hebben veel vrienden van ons die in dit land geboren en getogen zijn de hoop opgegeven om nog als native beschouwd te worden. Veel Marokkanen voelen zich bijvoorbeeld eerder zwart dan wit en zullen dit ook blijven voelen, wanneer de taal van “zwarte scholen” en “allochtoon” courant blijft. Groepen kunnen eerst als “zwart” en daarna als “wit” gezien worden en omgekeerd. De Amerikaanse Ieren werden vaak voor “white nigger” uitgescholden. “Zwarte” zwarten kunnen inderdaad nooit wit worden maar katholieken die decennia als “zwart” werden geboekstaafd zijn uiteindelijk toch witgewassen. Wat zegt dit over de Nederlandse zwarte taal?

De tweede-generatiemigranten verweren zich niet met nativistische argumenten omdat ze denken in een kader dat vergelijkbaar is met Wilders, maar omdat ze gedwongen worden op deze manier erkenning te eisen. Ze hopen zo geaccepteerd te worden. Als er mensen zijn die toch in een nativistisch kader denken, dan moeten ze bekritiseerd worden. Het concept van een nationaal thuis moet volledig gederomantiseerd en aangepast aan de globalisatie worden. Dat zou leiden tot een waarachtiger beeld van Nederland. Hoe zou een sentimentele politiek aan deromanticisering bij kunnen dragen?

Dat betekent dat onze kernwaarden moeten zijn: vrijheid, gelijkheid en pluraliteit. Broederschap is een veel te romantisch begrip. Zoals u zegt hoeven we heus niet één grote familie te zijn. Wij willen geen ‘inheemse’ rechten in Nederland, maar wel respect en erkenning. Wij willen niet gecategoriseerd worden als “allochtoon” of “autochtoon” zouden worden gecategoriseerd, maar bijvoorbeeld als “eerste generatie burgers.” Het ziet er nu naar uit dat onze kinderen ook allochtoon zullen blijven.

In plaats dat we ons alleen maar concentreren op de integratie van minderheden moeten we ons richten op de integratie van Nederland in een steeds kleiner wordende wereld en beginnen met het stimuleren van de affectieve kant van Europees burgerschap. Hoe dat zou moeten blijft de vraag. De heer Bolkestein en premier Rutte hebben gelijk als ze denken dat de collectieve voorstellingen van landsgrenzen een belangrijke rol zullen blijven spelen in de transnationale toekomst van Nederland. De natie-staat zal heus niet irrelevant worden, zoals Anderson al voorspelde, maar toch moeten we de natie-staat in bepaalde opzichten kunnen relativeren, zoals Appadurai heeft betoogd. Dat dit in de huidige nationale en Europese context vooralsnog niet haalbaar lijkt te zijn betekent niet dat we populisten ook maar een beetje gelijk moeten gaan geven.

Voorlopig delen wij uw hoop niet dat onze kinderen volledig geaccepteerd zullen worden, dat ze zich niet gediscrimineerd zullen voelen om uiterlijke kenmerken. Als je op de basisschool hoort dat je niet uitgenodigd bent voor een verjaardag omdat je “anders” bent, dan weet je al heel gauw hoe het precies zit in de samenleving. Of als kinderen wel naar elkaars feestjes gaan en de een tegen de ander zegt dat hij geen “oerhollander” is. U onderschat hoe krachtig identiteiten gebaseerd zijn op zintuiglijk waarneembare verschillen. De troost waar u het over heeft onderschat ook de sociale effecten van het continu als “allochtoon” benoemd worden en het niets doen aan de perverse interpretatie van vrijheid van onderwijs die leidt tot “zwarte” scholen. U heeft ons dus niet gerust kunnen stellen, hoewel wij inzien dat u de allerbeste bedoelingen heeft.

Hoogachtend,

Pooyan Tamimi Arab (promovendus Culturele Antropologie, Universiteit Utrecht) en Sara Emami (MSc. TU Delft, werkzaam als interactieontwerper voor UNITID Interaction Designers)

Bronnen

– Anderson, Benedict. 2006 [1983]. Imagined communities: reflections on the origin and spread of nationalism.     London and New York: Verso.

– Appadurai, Arjun. 1996. Modernity at Large. Cultural dimensions of globalization. Minneapolis: University of Minnesota Press.

– Bolkestein, Frits. 2011. De Goede Vreemdeling, H.J. Schoo-lezing. Elsevier.

– Hume. 1739. A Treatise of Human Nature.

– Jong, Lammert. 2010. Being Dutch more or less. Amsterdam: Rozenberg Publishers.

– Rousseau. 1762. Du Contrat Social.

– Spinoza. 1670 en 1677. Tractatus Theologico Politicus en Ethica.

Geef een reactie

Laatste reacties (137)