4.584
67

Natuurkundige

Jelmer Renema is natuurkundige. Sinds 2011 is hij promovendus natuurkunde aan de universiteit Leiden, in de quantumoptica. Verder is hij politiek actief binnen de Partij van de Arbeid, Hij schrijft over de politiek van de VS, het neoliberalisme en conservatisme in Nederland en wetenschapsbeleid.

De robotisering van Asscher

Als we niet willen dat de robotrevolutie op de grote hoop van mislukte revoluties belandt, dan moeten we de zaken anders aanpakken

Ein-de-lijk eens een politicus die zijn nek durft uit te steken en iets durft te zeggen over hoe de wereld er volgens hem over dertig jaar uit zal zien. Hulde!

Ik heb het natuurlijk over Asscher en zijn robotspeech van afgelopen maandag. Asscher’s speech ging over de technologische ontwikkeling van robots, die in potentie onze maatschappij helemaal overhoop kan gooien. Transport, logistiek, veehouderij, maar ook kantoorbanen zoals tolk of telefonist; robots kunnen het allemaal. Hij schetste mogelijkheden voor sterk stijgende productiviteit, economische groei, maar ook voor toenemende ongelijkheid.

Rutger Bregman kwam er ogenblikkelijk overheen met een jubelstuk waarin hij het techno-optimisme van Asscher innig omarmde. Oh ja, en pleitte voor het basisinkomen, natuurlijk.

Ik ben minder optimistisch dan Asscher en Bregman. Als de huidige trends zich doorzetten, gaan we een bijzonder zure toekomst tegemoet. Om te snappen waarom dat is, moeten we eerst naar de aard van technologie kijken, en naar de aard van het soort banen waar mensen voor in aanmerking komen in een robotmaatschappij.

Technologie is politiek. Het beeld dat aan het grote publiek verkocht wordt is dat technologische vindingen vanzelf gebeuren: fundamentele wetenschap zou door een neutraal gistingsproces vanzelf omgezet worden in nuttige technologie. Dit beeld berust op een misverstand. In werkelijkheid opent iedere fundamentele doorbraak de weg naar tientallen, zo niet honderden toepassingen. Het is een lang en duur proces om van idee naar toepassing te gaan, dus kun je ze niet allemaal uitwerken. Je moet dus kiezen, en de politieke keuze zit hem erin welke je laat liggen en welke je oppakt.

Die keuze zie ik iedere dag om mij heen in het laboratorium gemaakt worden. Hoe die keuze uitvalt wordt bepaald door de vraag waar geld voor te krijgen is, en dat wordt weer bepaald door de vraag waar geld voor beschikbaar is. Op dit moment is de wetenschap vooral in de pocket van de veiligheidsdiensten, het leger, en de grote bedrijven. Hun belangen worden gediend door de funding agencies, die geld beschikbaar stellen voor onderzoek waarvan zij denken dat het hun belangen ten goede zal komen. Natuurlijk, in Europa ligt de nadruk wat meer op de civiele economie en in de VS wat meer op het militair-industrieel complex, maar het principe is hetzelfde: wie betaalt, bepaalt.

Dat leidt ertoe dat er bakken met geld beschikbaar zijn voor het ontwikkelen van vechtrobots. Gary Brecher heeft een angstwekkende column geschreven over de gevolgen: het wordt heel makkelijk om een politiestaat te vestigen als je politie nooit gewetensbezwaren heeft. Hij voorspelt een terugkeer naar straight up colonialisme, ondersteund door een onvermoeibare legermacht. Als we niets doen, zal vooral een robot-leger de uitkomst zijn van de ontwikkelingen die Asscher signaleert.

De tweede reden waarom ik minder optimistisch ben dan Asscher, is dat mensen het leuk vinden om andere mensen voor ze te laten werken. Dat is geen socialistische complottheorie, maar een hard feit dat je kunt bevestigen door bijvoorbeeld te kijken naar het invoeren van arbeidsbesparende apparaten in huishoudens met bedienden, rond het begin van de 20e eeuw. De invoer van het spoeltoilet in Groot-Brittannië werd bijvoorbeeld vertraagd door het feit dat men er waarde aan hechtte dat er in de kastelen van hertogen iemand langs kwam om de beerput uit te spitten. Als modern voorbeeld zou je het meisje kunnen noemen wier werk het is om bij de V&D goedemorgen te zeggen als je binnenkomt.

Het blijkt dus, dat mensen bereid zijn om voor bepaalde soorten werk een zeker bedrag extra te betalen om dat werk te laten doen door een persoon in plaats van een machine. Zoals uit deze twee voorbeelden blijkt zijn het niet bepaald de leukste banen waar deze extra meerwaarde voor aanwezig is: het is werk waarin onderdanigheid een grote rol speelt. Als langzamerhand de rest van de economie overgenomen wordt door robots, dan zullen mensen meer en meer in dit soort banen geduwd worden, want daar hebben ze een concurrentievoordeel ten opzichte van robots.

Deze twee problemen – de concentratie van macht in de ontwikkeling van robots en de premie op vernederend mensenwerk – versterken elkaar: als de rijken zo rijk zijn dat ze niet meer hoeven te werken, en de armen zo arm dat ze als bediende eindigen, dan is er geen enkele reden om arbeidsbesparende technologie te ontwikkelen om het werk voor de armen te doen. We komen dan in een maatschappij waarin er wel politie-robots zijn, maar waarin een barista-robot economisch niet uit kan, of waarin de barista tegen de strikt economische logica in gedwongen wordt te werken. Als dat gebeurt, dan heeft het economisch onrecht de transitie naar de robotmaatschappij gewoon overleefd. Dat scenario moet koste wat kost voorkomen worden.

Kortom, het realiseren van Asschers visioen hangt niet op technologie, maar vooral op politiek. Wat kan de politiek nu doen om z’n mooie toekomst veilig te stellen?

Allereerst: versterk de positie van arbeid ten opzichte van kapitaal. Als arbeid duur is, worden bedrijven vanzelf gedwongen arbeidsbesparende middelen te ontwikkelen. Het is geen toeval dat de automatische kassa in Europa populair is, en in de VS amper bestaat. Het is geen toeval dat het de generatie van mijn oma is die de mechanisering van het huishouden meegemaakt heeft. Zij leefden in de glorietijd van de vakbonden en van de sociaaldemocratie, en dat leidde direct tot de stofzuiger. Ons neoliberale tijdperk geen enkele arbeidsbesparende technologie voor in het huishouden heeft opgeleverd; de laatste grote uitvinding was de magnetron, en die stamt alweer uit de jaren ’60.

Ten tweede: verander de manier waarop er over werk gedacht wordt. Zowel links als rechts baseren hun wereldbeeld op de gedachte dat werk een gegeven is. Zoals Guy Standing opmerkte: de hele verzorginggsstaat is opgebouwd rondom de werkende mens. Als we in die manier van denken vast blijven zitten zal de robotisering ons alleen maar ellende brengen, omdat het als excuus gebruikt zal worden om steeds meer mensen om steeds minder werk te laten vechten, met alle bijbehorende druk op loon en arbeidsomstandigheden tot gevolg.

Ook in het verleden is ons beloofd dat mechanisering tot minder werk zou leiden. Al in de jaren ’30 kwam Keynes met een toekomstbeeld waarin we maar 15 uur per week zouden moeten werken. In de jaren ’50 merkte Hanna Arendt op dat automatisering over ‘een paar decennia’ mensen zou bevrijden van de noodzaak om te werken. Dat is nooit gebeurd omdat zowel op links als op rechts redenen waren om aan werk als principe vast te houden. Het opengevallen gat werd opgevuld met bullshit jobs. Als we niet willen dat de robotrevolutie op de grote hoop van mislukte revoluties belandt, dan moeten we de zaken anders aanpakken dan toen.

De mogelijkheid van robotisering ligt hem erin dat we het kunnen gebruiken om aannames over werk en verdeling van macht ter discussie te stellen. Zo zouden de robots ons indirect alsnog naar een betere toekomst kunnen helpen. Als we niks doen, wordt de wereld alleen maar erger.

Meer artikelen van Jelmer lezen doe je op zijn blog

Geef een reactie

Laatste reacties (67)