1.273
35

Tweede Kamerlid GroenLinks

Na een studie internationaal recht in Amsterdam, vertrekt Van Tongeren naar Australië. Daar is ze directeur van organisaties voor daklozen, vluchtelingen en mishandelde vrouwen. Ook is ze oprichter en directeur van een centrum voor vreedzame conflictbemiddeling. Terug in Nederland werkt Van Tongeren bij de provincie Noord-Holland, de gemeente Amsterdam en is ze directeur van een vrouwenopvang en een vestiging van de Sociale Dienst. Sinds 2003 is Liesbeth van Tongeren directeur van Greenpeace Nederland. Naast haar werk bij Greenpeace is ze bestuurslid van Women on Top en van een onderneming in duurzaam vastgoed. Ze werd in 2010 voor GroenLinks in de Tweede Kamer gekozen.

De schaduwzijde van de economie des overvloeds

Zij heeft ons voorzien van televisies, computers, vermaak, reclame en het winkelen als tijdverdrijf opgeleverd. We zijn bevrijd van pijn - de onstane leegte dempen we met vertier

Bewoners van de Componistenbuurt, de rijkste villawijk van Rotterdam, hadden er geen rekening mee gehouden toen ze in 2010 massaal VVD stemden. Toch komt er door minister Schultz van Haegen uitgerekend in hun achtertuin – het Lage Bergse Bos – een zeven meter hoge tunnel die de A13 en A16 zal verbinden.

Deze nieuwe snelweg is een voorbeeld van economische groei in Nederland aan het begin van de eenentwintigste eeuw. De aanleg biedt werkgelegenheid en zal deels terugverdiend worden door tolheffing. Meer automobilisten zullen sneller op de plaats van bestemming komen. Maar is dit nog wel echte groei? In de woorden van een teleurgesteld lid van de bewonersvereniging: “Ik ben ook voor meer snelwegen. Maar niet ten koste van dit prachtige recreatiegebied.”

Bijna zeventien miljoen Nederlanders wonen op een kluitje. Zo worden we misschien wel eerder dan enig ander land ter wereld geconfronteerd met de schaduwzijde van onze groei. De snelweg is een onmisbare publieke voorziening – maar ergens heeft de snelweg zichzelf ingehaald. Willen we meer asfalt, dan zullen we natuur, stilte en schoonheid moeten inleveren.

Zodra we groei breder opvatten dan wat in geld kan worden uitgedrukt staan we al een poosje stil. Tot midden jaren zeventig gold in Nederland dat een toename van welvaart gelijk opliep met een toename van welzijn. De koelkast was pure vooruitgang, de koelkast kent weinig vijanden. Economische groei was nuttig omdat zij draaide om het ‘vermijden van pijn’: een bevrijding van ziekten, kou, slecht eten, miserabele huisvesting en zware arbeid. Nadat dit laaghangend fruit van de materiële vooruitgang geplukt is, trad de ‘economie des overvloeds’ in werking. Zij heeft ons voorzien van televisies, computers, vermaak, reclame en het winkelen als tijdverdrijf opgeleverd. We zijn bevrijd van pijn – de onstane leegte dempen we met vertier.

Olie-intensief vertier: volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) groeide sinds 1974 het nationale inkomen (gecorrigeerd voor inflatie) met 210%. De leefsituatie – o.a. woonkwaliteit, sociaal leven, vrije tijd, gezondheid – van de Nederlandse bevolking verbeterde in die periode met met 13% en het percentage Nederlanders dat zichzelf als ‘gelukkig tot zeer gelukkig’ beschouwt bleef constant boven de 80% zweven. Kortom: onder de kerstboom stapelen de cadeau’s zich straks weer op, maar de realiteit is dat deze spullen doorgaans weinig zullen toevoegen aan ons welzijn.

Terwijl ons bezit groeit, lopen de laatste twintig jaar alle indicatoren van biodiversiteit terug – sneller zelfs dan de wereldbevolking aanwast. Nederlanders leven zelfs drie keer boven hun ecologische stand. We eten varkens die gevoederd worden met Braziliaanse soja. Onze consumptie is direct verantwoordelijk voor het kappen van oerwoud.

Even dwingend zijn de veiligheidsoverwegingen. Volgens het laatste rapport van de conservatieve International Energy Agency (IEA) is het tijdperk van de goedkope olie definitief ten einde. Door opkomende economieën als China en India stijgt de vraag naar olie terwijl de eenvoudig winbare olievelden ontdekt zijn. Op dit moment is de Nederlandse economie sterk afhankelijk van olie en gas. Deze afhankelijkheid leidt tot onzekerheid: als de olieprijs stijgt – zoals in de zomer van 2008 – stagneert de economie abrupt en breken protesten uit. Deze energieafhankelijkheid wordt des te nijpender wanneer we door de uitputting van onze gasvoorraden aangewezen zijn op Russisch gas. Dit gevaar wordt ook gesignaleerd door een recente studie van het strategische kenniscentrum van de Bundeswehr, dat concludeert dat Duitsland bij ongewijzigd beleid kwetsbaar wordt voor fluctuaties in de olieprijs en politiek afhankelijk raakt van ondemocratische regimes. De oplossing volgens de oerconservatieve Bundeswehr? Onze welvaart van olie los koppelen en investeren in een robuuste, zelfvoorzienende energieopwekking.

Als economische groei onze leefsituatie niet meer significant verbetert, deze groei ecologisch niet vol is te houden, ons kwetsbaar maakt voor prijsschokken en ons politiek afhankelijk maakt van ondemocratische regimes, wat staat ons dan te doen?

Sommigen denken dat de oplossing ligt in het voeren van een bevolkingspolitiek. Als er minder mensen op aarde rondlopen daalt de druk op grondstoffen vanzelf. Maar de wereldbevolking groeit door tot negen miljard halverwege deze eeuw: de mensen die (klein)kinderen gaan krijgen zijn allemaal al geboren. Bevolkingsgroei is onvermijdelijk.

Ook technologie alleen gaat ons niet redden. Hoewel auto’s tegelijk schoner en luxer en lampen zuiniger zijn geworden, zijn we er steeds meer mee gaan rijden. Dit is de paradox van toenemende efficiëntie: hoewel een LCD-scherm minder energie verbruikt dan een conventionele beeldbuis, zijn de schermen indrukwekkend veel groter geworden en hebben we er meer van gekocht.

Bevolkingspolitiek en enkel technologische ontwikkelingen gaan ons dus niet voldoende helpen. We moeten economisch exacter leren denken. Economie is de wetenschap van de behoeftebevrediging – en we zijn vergeten dat economische groei slechts kan meten wat in markttransacties tot stand komt en dus gemakkelijk in geld is uit te drukken. In een echte economie moet rekening gehouden worden met indicatoren die moeilijk in geld zijn uit te drukken, maar daarom nog niet minder belangrijk zijn.

In een echte economie wordt structureel inzichtelijk gemaakt wat er verloren gaat wanneer we nog een snelweg aanleggen: meer afhankelijkheid van olie, interen op ecologisch kapitaal, een toename van longziekten, het verdwijnen van stilte en natuur in Nederland. Wanneer we deze overwegingen meenemen, merken we dat de meeste spullen uiteindelijk olie-intensieve artefacten zijn die enkel psychologische doelen dienen.

Een echte economie springt zuinig om met grondstoffen. Diensten staan centraal: de belasting op arbeid verdwijnt, maar vervuilers gaan betalen. Muziekles nemen wordt goedkoper dan een tweede auto aanschaffen. Onderwijs, wetenschap, sport, kunst en cultuur worden goedkoper; benzine, vlees en luxegoederen worden duurder.

Een echte economie wordt dan vanzelf circulair: we kopen geen tapijten meer, maar huren ze van een bedrijf dat ze weer inneemt en hergebruikt. We gaan van een weggooi- naar een recyclingmaatschappij, waarin duizenden nieuwe banen ontstaan.

Een echte economie is ten slotte robuust door decentralisatie: zonnepanelen op onze daken en wind op zee maken Nederland niet alleen minder afhankelijk van slechte regimes maar beschut ons tegen toekomstige prijsstijgingen.

De omschakeling naar een echte economie is geen elitaire aangelegenheid: het is net als de Deltawerken een project dat iedere Nederlander dient. Het biedt nieuwe kansen aan ondernemers en maakt afwegingen inzichtelijk die nu verborgen blijven. Vraag het maar aan de VVD’ers uit de Componistenbuurt.

Geef een reactie

Laatste reacties (35)