960
3

Advocaat

Alper Tekin Erdogan is sinds 2001 advocaat en houdt praktijk in Amsterdam. Voor de PvdA is hij vanaf 2006 tot en met 2010 jaar deelraadslid is geweest in Amsterdam Oud-Zuid. Ook heeft hij op de kandidatenlijst gestaan voor de Eerste Kamer in 2011.

De sociale partners en het kabinet spelen handjeklap

Werkend Nederland heeft recht op een beter ontslagrecht

Afgelopen maand heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel Wet Werk en Zekerheid 33818 aangenomen, waarvan een belangrijk deel ziet op de lang besproken versoepeling van het ontslagrecht. Hoewel het hier gaat om de meest rigoureuze aanpassing van het ontslagrecht in ons land sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw, is er in de reguliere media minimaal aandacht aan besteed. Ook op Twitter en andere sociale media blijft het verdacht stil.

Het is niet zo dat het onderwerp niet leeft, want voor de grote politieke partijen is de discussie omtrent de versoepeling van het ontslagrecht al jarenlang een geliefd (verkiezings)thema. Dat het nu zo stil blijft, lijkt vooral te komen doordat het wetsvoorstel niet eenvoudig te doorgronden is. Zelfs niet voor doorgewinterde arbeidsrechtspecialisten. Het verbaast dan ook niet dat ‘hoera’ twitterende beleidsmakers ditmaal uitblijven. De zogenaamde versoepeling van het ontslagrecht is namelijk een wassen neus, aangezien met het wetsvoorstel geen recht wordt gedaan aan de algemeen gekoesterde doelen die zij stelt: een rechtvaardiger, eenduidiger en eenvoudiger ontslagrecht.

Het wetsvoorstel lijkt het ontslagrecht juist eerder te gaan bemoeilijken. Zo vindt er geen aanpassing plaats van het duale ontslagstelsel, welke inhoudt dat de arbeidsovereenkomst van een werknemer kan worden beëindigd met tussenkomst van de rechter of van het UWV. Werkgevers zij nu nog vrij te kiezen tussen deze twee mogelijkheden. Straks moet een werkgever echter kiezen voor (1) het UWV wanneer het gaat om bedrijfseconomisch ontslag en arbeidsongeschiktheidsontslag na twee jaar ziekte en voor (2) de kantonrechter bij alle overige individuele ontslagronden.

Een echte vereenvoudiging zou zijn geweest dat dit alles zou worden aangepast in één mogelijkheid tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij alleen de rechter. Ongeacht de reden. Het wetsvoorstel gaat aan deze kans voorbij en introduceert zelfs een derde(!) mogelijkheid tot beëindiging, te weten via een zogenaamde CAO-commissie (een nu nog onbekend figuur in het arbeidsrecht). Maar alleen als het gaat om een bedrijfseconomisch ontslag en bij CAO is overeengekomen dat alsdan van de beëindigingsprocedure bij het UWV zal worden afgeweken. Een onder een dergelijke CAO vallende werkgever zal zich straks dus moeten afvragen of hij voor een beëindiging bij de kantonrechter dient te zijn, het UWV of een CAO-commissie. Daarbij komt dat in het huidige stelsel een samenloop van ontslaggronden geen probleem is, omdat zowel het UWV als de kantonrechter bevoegd zijn over alle ontslaggronden te oordelen. Terwijl het wetsvoorstel dit onmogelijk maakt; het gevolg is dat door de werknemer of de werkgever om bijvoorbeeld strategische redenen kan worden betoogd dat een kantonrechter, UWV of CAO-commissie niet bevoegd is. Dat betekent straks langer procederen voor een duidelijkheid die in het huidige ontslagrecht reeds gegeven is. En zelfs als het duidelijk zou zijn dat een beëindigingsprocedure dient te verlopen via het UWV, dan kan volgens het wetsvoorstel de kantonrechter in een daaropvolgende procedure alsnog worden verzocht om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Het is dan ook niet juist te stellen dat de ontslagroute eenduidiger en eenvoudiger gaat worden, zoals zo graag wordt beweerd door de sociale partners en het kabinet.

Het wetsvoorstel introduceert bij dit alles ook nog eens de mogelijkheid van hoger beroep en beroep in cassatie (dat is hoger beroep bij de Hoge Raad). Daar waar de kantonrechter in een procedure tot beëindiging van een arbeidsovereenkomst nu nog relatief snel een finaal oordeel kan geven, kan daartegen straks in hoger beroep worden gegaan bij het Gerechtshof en vervolgens de Hoge Raad. Met andere woorden, een procedure die nu in enkele maanden wordt afgerond waardoor werknemer en werkgever relatief snel duidelijkheid krijgen, kan straks jaren gaan duren. Het is dan ook opmerkelijk dat de werkgeversorganisaties VNO-NCW en MKB Nederland durven te stellen dat de hervormingen rondom het ontslagrecht uiteindelijk goedkoper zullen uitvallen voor werkgevers.

Het is juist dat het wetsvoorstel de hoogte van de ontslagvergoedingen in zijn algemeenheid aan banden legt en een maximum instelt van 75.000 euro of een jaarsalaris (indien deze hoger is dan 75.000 euro), maar de huidige vergoedingen zorgen er nu wel voor dat een werkgever en werknemer relatief snel tot een vergelijk kunnen komen met elkaar. Het wordt niet voor niets de smeerolie van het ontslagrecht genoemd. Een werknemer met bijvoorbeeld een dienstverband van 20 jaar zal straks uiterst terughoudend zijn om akkoord te gaan met een zeer lage beëindigingsvergoeding en zal zich heviger en langer tegen een ontslag willen en kunnen verzetten. Het valt dan ook zeer te betwijfelen dat de wijzigingen van het ontslagrecht daadwerkelijk goedkoper zullen uitvallen voor werkgevers.

Daarbij komt dat het wetsvoorstel de mogelijkheid openlaat dat de werkgever en werknemer bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst een ruimere vergoeding overeenkomen. Het is te verwachten dat met name werknemers met een sterke maatschappelijke positie van deze mogelijkheid gebruik zullen gaan maken: de bankmanager bedingt een ruime vergoeding op maat, terwijl de fabrieksarbeider het zal moeten doen met de lage vergoeding uit het wetsvoorstel (een fractie van de huidige beëindigingsvergoeding). Dat de vakbonden FNV en CNV positief hebben gereageerd op het wetsvoorstel is dan ook onbegrijpelijk. Nu wordt er vanuit de vakbonden gesteld dat het wetsvoorstel tevens de mogelijkheid biedt dat bij CAO afspraken kunnen worden gemaakt over een aanvullende beëindigingsvergoeding, maar ook dat is weer een onzekerheid die in het huidige stelsel niet bestaat en welke in de toekomst voor onrust kan zorgen tussen werkgeversorganisaties en vakbonden. Bovendien erkennen de vakbonden daarmee op voorhand dat de verwachting is dat de beëindigingsvergoeding in het wetsvoorstel in de praktijk niet zal volstaan.

Niet alleen in de politiek maar ook in de wetenschap en de rechtspraktijk bestaat er terecht consensus dat het ontslagrecht rechtvaardiger, eenduidiger en eenvoudiger moet. Deze doelen zullen met het huidige wetsvoorstel echter niet worden gehaald. Dat is niet vreemd wanneer men bedenkt dat het wetsvoorstel niet het product is van een gedegen wetgevingsproces waarbij de noden van de arbeidsmarkt voorop zijn gesteld. Neen, het is het product van handjeklap tussen de sociale partners en het kabinet. Onder hoge druk uitgewerkt door ambtenaren, die de consequenties van het wetsvoorstel op veel punten – het bovenstaande is slechts een selectie – niet hebben doorgedacht of niet hebben mogen doordenken.  Mocht het wetsvoorstel ook door de Eerste Kamer worden geloodst, dan zijn voor de nabije toekomst  veel reparatiewetgeving-debatten te verwachten, veel van de wet afwijkende cao’s en arbeidsovereenkomsten te sluiten en meer (en langere) procedures tussen werkgevers en werknemers te voeren. Het wetsvoorstel Werk en Zekerheid brengt werkzekerheid, maar om de niet juiste redenen bij de niet juiste personen. Het is een onding voor werkgevers én werknemers. Werkend Nederland heeft recht op beter.

Geef een reactie

Laatste reacties (3)