764
1

Medewerker rijksoverheid

Geboren en getogen in een troosteloze gemeente in de Oostelijke Mijnstreek. Na, of door, twee jaar fabrieksarbeid overtuigd van de meerwaarde van een universitaire opleiding, Nederlands recht gestudeerd. Via de route Middelburg, Rotterdam en Utrecht weer afgedaald naar, en thans wonend in, Den Bosch. Daar verdient hij ook zijn boterham, in dienst van de Rijksoverheid. In zijn vrije tijd wordt hij steeds meer bezocht door de behoefte zijn gedachten via het toetsenbord te verwoorden.

De tandemtocht van Mark en Diederik

De twee rijden op een tandem voor baanwedstrijden: remmen en versnellingen ontbreken

Ik volg het wielergebeuren al jaren niet meer. Niet vanwege de dopingaffaires; van mij mag het. Tenminste, als het maar bij wat aandokteren blijft, niet dat medisch geperfectioneerde waarmee Armstrong de andere spuit- en slikkertjes seizoenen lang heeft gedeclasseerd. Dat staat me tegen. Ik hou van het toeval, van het voorzienbare onvoorziene en bovenal van het gepassioneerde gepruts, gepaard gaand met een vleug van heroïek.

Het was een lekker kil herfstochtendje dat me verleidde om zelf weer eens op de fiets te stappen. Bruin boterhammetje met kaas, banaantje, de lange strakke broek aan en daarna de weg op; kilometers maken.

Na een tijdje prettig in trance doorgestampt te hebben, draaiden ver voor me in de optrekkende nevel twee gebogen ruggen de weg op. De voorste behoorde toe aan een lang slungelachtig figuur met een opvallend groot hoofd. Eigenlijk zag ik alleen dat grote hoofd en de in verhouding wat smal ogende schouders. De achterste was iets kleiner. Geschoren kop, geen indrukwekkend postuur. Ze hielden een moordend tempo aan en ik bewonderde de manier waarop ze de afstand tot elkaar tot op de millimeter gelijk leken te houden. Ook hun beenritme kon chronometrisch niet beter afgestemd zijn.

Dat jakkerde maar voort, zonder van positie te wisselen. Welk schema hadden deze twee afgesproken? Ik weet niet of het de nieuwsgierigheid was die mij deed besluiten om alles uit mijn benen te persen om ze in te halen, of pure nijd en afgunst.

Na lang harken, had ik ze eindelijk bijgehaald. Een vloek ontsnapte aan mijn lippen.

Ze reden op een tandem. Dat verklaarde de gesmeerde synchronie, de gelijkblijvende onderlinge afstand en de hoge snelheid. Beide coureurs lachten mij zelfverzekerd toe.

Ja, dat schoot wel op, op het vlakke. Wat me dan wel weer eigenaardig voorkwam was dat het een tandem voor baanwedstrijden bleek. Remmen en versnellingen ontbraken. Een velodroom kent immers obstakels noch hellingen. Om die fiets op de weg te gebruiken vond ik van lef getuigen, of waanzin. In ieder geval moesten ze hun route vooraf goed uitgestippeld hebben.

Dat de ze de veilige beslotenheid van de wielerbaan hadden verlaten, begreep ik. Leuk om in beslotenheid op te trainen, maar bij gebrek aan belangstelling van het publiek verdien je op de piste geen droge boterham. Dat geldt voor tandemkoersen die al jaren van de officiële wedstrijdagenda zijn geschrapt in het bijzonder, maar ook voor het baanwielrennen in het algemeen. Daar komt geen hond meer op af.

Logisch; er worden tegen de richting van de klok talloze rondjes gereden en als de finish gepasseerd is, blijkt dat uiteindelijk toch gewoon de startlijn te zijn. Kilometers inspanning zonder een meter daadwerkelijke vooruitgang. Bovendien vereist het weinig stuurkunst. Alle bochten gaan naar links. Als betalend publiek voel je je na zo‘n wedstrijd toch bekocht. Een liberaal denkend renner zal het niet anders vergaan; weinig keuzevrijheid in die horizontale tredmolen. Maar om dan maar zo de weg op te gaan? Daar moest op zijn minst sprake zijn van een zekere ambivalentie.

Ik zag dat ze er  in ieder geval belangstelling mee trokken. Zij het dat de medeweggebruikers veelbetekenend met hun wijsvinger tegen hun voorhoofd tikten of wegwerpgebaren maakten. Ook zij werden echter joviaal toegegrijnsd, al leek mij dat er naargelang de kilometers verstreken iets van onzekerheid in de blikken te verschijnen.

In het tempo dat de heren oplegden, naderden we relatief snel de eerste zuidelijke heuvels. De lichtere stijgingen overwonnen ze nog met vaart en souplesse, maar bij de eerste serieuze bult zag ik het misgaan. Samen in de pedalen staan is knap moeilijk op een tandem, zeker als de één geneigd is zijn gewicht naar links te verplaatsen terwijl de ander van nature liever naar rechts helt. Bovendien waaide er een krant in het voorwiel. Die met het grote hoofd gleed dan ook van de trappers en kwam keihard op de bovenbuis terecht. Einde oefening voor die dag. Als man voel je mee op zo’n moment. Méér dan pijnlijk. Plaatsvervangend nam mijn gezichtsuitdrukking een verwrongen grimas aan.
Maar ach, dacht ik al doorfietsend, hij zou er in ieder geval het gevoel aan over houden dat hij ballen had. Die pijn zou wel verdwijnen. De paarse kleur kon wat langer aanhouden. Gewoon opnieuw beginnen. Misschien met een andere fiets. Of beter; twee fietsen, met remmen en versnellingen. Gewoon een beetje normaal doen. Elkaar af en toe snijden, dan weer uit de wind houden, tussensprintjes, bidonnetje delen, dat soort werk.

Daar moet vanuit de traditie en veilige herkenbaarheid toch ook applaudisserend volk mee te trekken zijn?

Geef een reactie

Laatste reactie