1.557
18

Onderzoeker en FNV-lid

Matthias van Rossum is lid van het FNV Ledenparlement. Hij is actief als kaderlid FNV Universiteiten, en werkt als docent bij de Universiteit Leiden en als onderzoeker bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis.

De vakbeweging, linkse vernieuwing en spaken in het wiel

Links moet werk maken van échte populair-activistische vernieuwingsbewegingen waarin de leden het daadwerkelijk en volledig voor het zeggen hebben

De nieuwe FNV is een slapende reus. Wat is er nodig om de reus te laten ontwaken? Al voor de geslaagde fusie begin dit jaar door de vakbonden Bondgenoten, Abvakabo en de Bouwbond werd hard gewerkt aan het democratiseren, vernieuwen en slagvaardiger maken van de nieuwe FNV.

Nieuwe organisatiestructuren, een Ledenparlement, en vooral meer reuring waren de aangedragen oplossingen. Dit fusiejaar moest de vakbeweging zich gaan bewijzen. Voorzitter Ton Heerts riep na de fusie fel dat dit het jaar ‘van de straat’ zou worden. Onder druk van de leden werd verder praten over het vrijhandelsakkoord TTIP afgezworen. En dit voorjaar vierde de FNV zelfs weer 1 mei. Dat is bijzonder – de laatste keer dat de vakbond op landelijk niveau meedeed aan een viering was ik volgens mij nog niet geboren.

Een nieuwe democratische en strijdvaardige vakbeweging dus. Toch blijven grote acties uit. Sterker nog, de FNV staat opnieuw in een defensieve positie op een groot aantal belangrijke dossiers, zoals de cao’s voor ambtenaren, flex, pensioenen, werkgelegenheid, enzovoort. Hier en daar verschijnen persberichten met ferme taal, waarin voorzitter Heerts uithaalt naar het kabinet over bezuinigingen en werkloosheid.

Maar het blijft bij een schaakspel met persberichten en woorden. Begin deze zomer onderhandelde de FNV lang mee over het ambtenarenakkoord, om pas op het allerlaatste moment met veel lawaai uit de onderhandelingen te stappen. De FNV kwam vervolgens buitenspel te staan toen de kleine bonden CNV, CMFH en het Ambtenarencentrum wél instemden met een akkoord waarin de loonruimte voor enkele honderdduizenden ambtenaren, docenten en militairen gefinancierd gaat worden met een fors verminderde pensioenopbouw voor bijna drie miljoen ABP-deelnemers. Een aanslag op de werknemer-werkgeververhoudingen, maar ook een aanslag op de solidariteit tussen beroepsgroepen.

Gedurende de zomer bleef het stil. In september heeft de FNV een kort geding aangespannen (en verloren) en een referendum uitgeschreven onder alle drie miljoen getroffen ABP-deelnemers. De leden van de FNV in het openbaar vervoer (de bussen en trams in Amsterdam en Utrecht) gaven recent met een korte staking het signaal dat hardere actie nodig is. Maar vanuit de vakbondstop blijft een echt antwoord vooralsnog opnieuw uit.

Wat is er aan de hand?
De FNV bevindt zich in een patstelling tussen aan de ene kant de wil (en pure noodzaak) om een krachtiger vuist te maken voor de achterban, en aan de andere kant een krampachtige poging om de verhouding met werkgevers en politiek goed te houden. Vanuit de leden, die in toenemende mate geconfronteerd worden met de aanval op de positie van werkenden, de hervorming van sociale regelingen en een steeds dwingender karakter van sociale zekerheid, klinkt de roep om een veel hardere opstelling, meer acties en een landelijk gecoördineerde tegenbeweging. Maar vanuit het FNV-bestuur wordt vooralsnog alleen gekoerst op inzet via de SER, via rechtszaken, onderhandelingen en – alleen waar nodig – actie op sectoraal of cao-niveau.

Achter deze verschillende benaderingen gaan natuurlijk belangentegenstellingen schuil. Veel leden worden direct geconfronteerd met verslechtering van sociale regelingen of de druk op de werkvloer in de vorm van flexibilisering, werkdruk en verharding van management. Zij zijn bereid om daartegen in beweging te komen en de confrontatie met werkgevers aan te gaan. Bestuurders en onderhandelaars daarentegen hebben het gevoel dat zij later weer met werkgevers en politiek aan tafel moeten – logisch dat zij daar de sfeer nog goed willen houden en het strijdterrein zoveel mogelijk proberen te beperken tot het terrein van woorden: persberichten, nieuwsoptredens, symbolische acties.

Maar hier is meer aan de hand. De verschillende benaderingen hangen samen met een verschillende inschatting over de koers van de vakbeweging en links in brede zin: met de strategische of ideologische overweging met welke middelen het meeste resultaat bereikt kan worden – en wat dat resultaat nu eigenlijk zou moeten zijn.

Hier staat een meer aanvallende linkse vernieuwingspolitiek regelrecht tegenover een meer behoudende, sociaaldemocratische consensuspolitiek. Vanuit leden komt in toenemende mate de inschatting dat – juist dáár waar het poldermodel werkenden in de steek heeft gelaten, en de verzorgingsstaat grotendeels is omgevormd tot een plichtenstaat – tegenwoordig hardere economische en politieke acties nodig zijn, die onderdeel zijn van een aanvallende vernieuwingspolitiek gericht op diepgaande, systematische veranderingen van het economische en politieke bestel. Een groot deel van de FNV-top lijkt daarentegen nog altijd overtuigd van het nut van een consensuspolitiek, die zich begrenst tot de middelen en mogelijkheden bínnen het bestaande economische bestel.

De structuren van de nieuwe FNV zouden een oplossing moeten bieden om deze tegenstelling te beslechten, of toch ten minste om te buigen tot een vruchtbare dynamiek. De structuren zijn ingericht op een manier die de leden aan het roer zouden moeten brengen. Een gekozen Ledenparlement zet formeel FNV-breed visie en beleid uit. Het FNV-bestuur – dat vooralsnog slechts gedeeltelijk gekozen wordt – voert vervolgens het dagelijks beleid uit dat daaruit voortvloeit. Daaronder zijn sectoren ingericht – Zorg en Welzijn, Industrie, Overheid, Vervoer, etc – die in de meeste gevallen worden geleid door een vrijwillig en gekozen sectorbestuur. Op sectoraal niveau worden zij gecontroleerd en bijgestaan door de leden van de sectorraad.

Controle over de vakbeweging
Maar deze nieuwe structuren bieden onvoldoende oplossing voor de tegenstellingen. De problemen liggen dieper.

Allereerst is de nieuwe democratische inrichting van de FNV nog te zeer op ‘parlementaire’ leest geschoeid. De zeggenschap over de werkwijze van de vakbond gaat nu overwegend nog via beleidsstukken, amendementen en moties. Dat heeft geleid tot zeggenschap over de standpunten op belangrijke dossiers, zoals het beginselprogramma, TTIP, pensioenen en de Europa visie. Maar de invoering van parlementaire-democratische vormgeving van FNV-beleid heeft nog niet geleid tot een verdere en echte democratisering van het vakbondswerk. In de uitvoering zijn betaalde vakbondsbestuurders nog teveel leidend, terwijl de leden nog te weinig bepalend zijn. Dit is bijvoorbeeld zichtbaar rond de campagne voor koopkracht en echte banen, of de organisatie van de 1 mei-viering. Hier en daar wordt input gevraagd van leden, maar de belangrijke organisatorische beslissingen worden vaak zonder al te veel raadpleging door betaalde functionarissen genomen. Dit leidt niet alleen tot verkeerde inschattingen die niet meer hersteld kunnen worden, maar ook tot spanningen en zelfs tot het afhaken van actieve leden door het gebrek aan inbreng en samenwerking.

Een cruciaal knelpunt dat daarmee samenhangt, is de rol van sectoren en sectorbesturen. Ondanks de stelregel dat de sector over sectorale aangelegenheden gaat, bestaat over de zeggenschap rond specifieke acties nog vaak onduidelijkheid. De landelijke zorgcampagne is bijvoorbeeld bij uitstek een sectorale aangelegenheid waar een sectorbestuur mee aan de slag zou moeten gaan. Sectorbestuursleden zijn gekozen door de leden van de sector, zijn daar zelf ook in werkzaam en kennen de sector dus als géén ander. Maar juist hier wordt – vanwege het landelijke belang – gekozen voor leiding over campagnes die niet zozeer vanuit de sector, maar vanuit het hoofdbestuur worden aangestuurd.

Het omgekeerde doet zich ook voor. De cao-conflicten in dit voorjaar boden bijvoorbeeld een goede mogelijkheid om problemen in verschillende sectoren aan elkaar te verbinden. Vanuit de sectoren gingen dan ook langzaam steeds meer stemmen op om over de grenzen van sectoren verbinding te zoeken in de strijd rond de vastgelopen cao’s van onder meer rijksambtenaren, politiepersoneel, leraren en metaal. Een prachtige kans om de verbinding te zoeken in brede landelijke acties of met de campagne voor koopkracht en echte banen. Maar hier werd de boot juist afgehouden: de cao-strijd bleef op sectoraal niveau en krachtigere landelijke verbinding werd vermeden. Het resultaat was niettemin explosief – maar ditmaal helaas voor werknemers zelf. Waar de FNV-top niet durfde, was de politiek – ditmaal ook als werkgever – volstrekt niet huiverig. Zij dwong met het ambtenarenakkoord – als de sectoroverstijgende tegenzet van werkgevers – de kersverse nieuwe FNV al binnen een half jaar volledig in het defensief.

Twee elementen spreken uit deze voorbeelden: een top-down-aanpak, en de voortdurende neiging om strijd te beperken tot het kleinst mogelijke niveau en tegelijkertijd af te schermen van andere, mogelijke gerelateerde conflicten. Deze werkwijze is diepgeworteld binnen de vakbeweging en lijkt kenmerkend voor een aantal belangrijke lopende campagnes. Het is een schril contrast met het ideaalbeeld dat de FNV graag voorschotelt aan leden en niet-leden. Of het nu gaat om de schoonmaak, zorg of de nieuwe jeugdlooncampagne, het beeld is altijd dat de strijd van onderop komt en dat de leden zeggenschap hebben over deze strijd.

Echte zeggenschap?
En natuurlijk: de kracht van deze campagnes komt ook altijd van onderop. Maar de vraag of leden daadwerkelijk voldoende zeggenschap krijgen over hun campagne en hun strijd wordt steeds urgenter. Want waar schoonmakers zelf duidelijk maakten dat zij streden voor meer erkenning, tegen racisme, tegen intimidatietechnieken van management, en veel meer aanverwante economische en politieke thema’s, daar bleef de richting van de campagne vervolgens strak geregisseerd door onderhandelaars. De schoonmaakcampagne bleef daardoor – vaak tegen de bedoeling van de schoonmakers zelf – formeel vrijwel beperkt tot loon- en cao-eisen.

Hetzelfde lijkt te gebeuren met de jeugdlooncampagne van Young and United. De jonge activisten die zich bij deze campagne aansluiten, vertellen bij bijeenkomsten geëngageerd en boos over het gebrek aan kansen op de arbeidsmarkt, het probleem van wegwerpbanen, uitbuiting via stages, de toename van tijdelijk werk, nul-urenconstructies, maar daarnaast ook over de moeilijkheid om een zelfstandig leven op te kunnen bouwen door de jarenlange wachtlijsten voor sociale huurwoningen, de extreme huizenprijzen, en meer. Dit is een breed palet aan sociaal, economische en politieke problemen waar deze jongeren als vakbondsactivist de strijd mee willen aanbinden. En dat is werkt enorm inspirerend!

Maar de campagne zelf is door de FNV tot nu toe nog volledig beperkt tot de (gedeeltelijke) afschaffing van jeugdloon. Ook hier moet dus de vraag worden gesteld of de jongeren wel voldoende zeggenschap krijgen over hun eigen campagne – of dat een huiverige vakbondstop de campagne teveel inperkt tot een beheersbare conflict op het gebied van wetgeving en cao? Waarom worden bijvoorbeeld een ook een deel van de andere prangende problemen die verder reiken dan het probleem van jeugdloon omgezet in een actietraject – of tot doel gesteld in het huidige Young and United-traject? En waarom beperkt de FNV het organiseren van deze geëngageerde jongeren tot het bij elkaar brengen van jongeren op individuele basis – en waarom worden deze jongeren bijvoorbeeld niet ook op hun eigen werkplek georganiseerd? Juist op de werkvloer van de vestigingen van Albert Heijn, McDonalds of callcenters valt veel te verbeteren. Waarom dan niet overgaan tot het organiseren van deze jongeren op de werkplek en daar echte stakingen aan gaan voor hogere lonen én betere werkomstandigheden? Dat dit weldegelijk kan, blijkt wel uit de recente stakingen van fastfood-medewerkers in de VS. Als dit eenmaal werkt, zou vanuit een jongerencampagne zelfs aansluiting gezocht kunnen worden met de campagnes tegen gedwongen werk in de bijstand of tegen onbetaalde stages: dit zijn immers problemen die met elkaar verbonden zijn en vaak plaats vinden op dezelfde werkplekken.

Spaak in het wiel
Vanuit de FNV-top lijkt de angst vaak groot te zijn om te breken met de verhoudingen die vroeger zo goed waren in de polder. Campagnes worden dus ingezet om onderwerpen op de kaart te zetten, maar niet om de confrontatie echt aan te gaan. De gedachte lijkt steeds weer te zijn dat het conflict maar beter niet te hoog kan oplopen, omdat straks weer afspraken gemaakt moeten worden met politiek en werkgevers.

Maar dat is een valse belofte. Niet alleen voert de zogeheten BV Nederland al sinds de jaren tachtig een keihard destructief beleid dat uitsluitend koerst op verbetering van de concurrentiepositie door afbraak van de verzorgingsstaat. Het is ondertussen al veel erger geworden: door een voortdurend draaiende carrousel van bobo’s, oud-politici en andere ‘top’-figuren, die met elkaar van positie wisselen in de besturen en raden van toezicht van Nederlandse grote bedrijven en (semi)-publieke instellingen, is een fluïde en weinig zichtbare elite ontstaan die volledig doordrongen is geraakt van een neoliberale managementideologie waarin wordt aangestuurd op steeds verdere marktwerking en hervorming. Afspraken met deze politieke en economische elite gaan géén verbeteringen brengen, maar alleen verslechteringen.

De economische verschuiving van industrie en transport naar kenniseconomie heeft misschien lang vrij onschuldig geklonken, maar de ontwikkelingen in de kennis- en financiële sectoren hebben voor werkend Nederland diepe sporen nagelaten. De universiteiten zijn de proeftuinen voor nieuwe vormen van bedrijfsvoering, waarbij werknemers op tijdelijke contracten aangespoord worden tot maximale zelfexploitatie – áltijd werken, áltijd bereikbaar en volledige loyaliteit. Op financieel terrein is Nederland tot belastingparadijs omgebouwd. Dat leidt niet alleen tot een verminderde belastingdruk voor bedrijven in Nederland – en een verhoogde belastingdruk voor de Nederlandse bevolking – maar draagt zelfs actief bij aan belastingontduiking elders, zoals het Canadese mijnbouwbedrijf Eldorado Gold dat gebieden exploiteert in Griekenland, maar daar via de Amsterdamse Zuidas geen belasting betaalt.

Het antwoord is dus niet opnieuw een deal uitonderhandelen over hoe ‘werkend’ Nederland en het bedrijfsleven ‘de polder’ opnieuw moeten inrichten. Niet alleen ontkent een dergelijke ‘nationale’ blik de diepe banden tussen ónze koopkracht hier en regelrechte uitbuiting élders. Denk bijvoorbeeld aan de relatie tussen de goedkope kleren van Primark en de misstanden in kledingfabrieken in Zuid-Azië. Deze kwamen aan het licht tijdens de grootste fabrieksramp in de menselijke geschiedenis toen in 2013 de fabriek Rana Plaza in Dhaka instortte met als gevolg dat ongeveer 1130 werknemers om het leven kwamen. Maar het ontkent ook de vastberadenheid – of tunnelvisie – van een economische en politieke elite om het neoliberale hervormingsproject voort te zetten. Het linkse antwoord is dus niet een ‘Nederlandse New Deal‘, maar juist het breken met het idee van een ‘gezamenlijke’ BV Nederland. Een spaak in het wiel dus.

Een breed gedragen tegengeluid
Het is symptomatisch: links Nederland staat stil, deinst terug. En dat is niet alleen verwonderlijk, het is ronduit problematisch, juist in een tijd waarin blijkt dat de behoefte aan een écht links alternatief groot is. Een ‘stevig’ links geluid sloeg recent niet alleen breed aan in Griekenland en Spanje, maar dreef ook de Schotse verkiezingen. In Groot-Brittannië maakt de linkse Labour-leider Jeremy Corbyn meer enthousiasme en energie los dan alle grijze Blairites in de afgelopen dertig jaar. Een activistisch geluid werkt dus tegen de vernietigende politiek van bezuinigingen en verdere liberalisering.

Maar in Nederland gaan de leiders van de grote organisaties op links door met het bedrijven van een destructieve SER-politiek in hun zoektocht naar geloofwaardigheid als regeringspartij of nadelige akkoorden met (vijandige) werkgevers. Niet alleen binnen de FNV, maar ook nadrukkelijk binnen de PvdA, GroenLinks en zelfs de SP blijft deze spanning zichtbaar. Het is duidelijk dat alleen een harde, vernieuwende linkse koers deze organisaties kan redden en het vertrouwen van de achterban kan terugwinnen, maar de durf om uit de polder te breken ontbreekt. Wat overblijft, zijn organisaties die draaien op goedwillende leden die voortdurend gestremd worden door een organisatietop die niet echt durft uit te halen – uit angst voor verslechtering van de verhoudingen in de polder of uit angst aangewreven te worden ongeloofwaardig te zijn. Dat proces dringt links Nederland nog altijd achteruit, zoals Merijn Oudenampsen en Dylan van Rijsbergen deze zomer terecht constateerden in de Groene Amsterdammer met hun analyse ‘De toekomst van links’.

Traditioneel zijn inhoudelijke thema’s in het vraagstuk wat een goede linkse politiek is doorgaans de lakmoesproef. En natuurlijk is dat van onmiskenbaar groot belang, want waar de standpunten op thema’s als solidariteit, racisme, maatschappijverandering en dwangarbeid verslappen daar gaat niet alleen de eenheid van een organisatie, maar juist ook de essentie én de kracht van linkse vernieuwingspolitiek verloren. Maar laat duidelijk zijn dat de les niet alleen is dat links de eigen boodschap nog aanvallender en krachtiger moet formuleren.

De les van de FNV is nadrukkelijk ook dat veel kritischer gekeken moet worden naar de manier waarop links zich organiseert en werkt. Vernieuwing werkt het beste als deze breed gedragen wordt en energie krijgt van democratische massabewegingen. Daarbij geldt: practice what you preach! Oftewel, in alledaags Nederlands: doen wat je roept! Naast een krachtig links geluid dat breed aanslaat, moet daarom zeggenschap centraal staan. Dat gaat verder dan beleid bespreken op ledenvergaderingen, parlementen, stemrecht en jaarcongressen. Links moet wég van de top-down geleide organisaties en campagnes, wég van de demonstratiepolitiek waarin de top bepaalt ‘waar’ en ‘wanneer’ de leden mogen komen opdraven. Links moet werk maken van échte populair-activistische vernieuwingsbewegingen waarin de leden het daadwerkelijk en volledig voor het zeggen hebben.

Een bewerkte versie van deze tekst verscheen recent in Spanning. Uitgave van het wetenschappelijk bureau van de SP (Oktober 2015).

cc-foto: DIRKMJK

Geef een reactie

Laatste reacties (18)