1.683
9

Socioloog

Merijn Oudenampsen (1979, Amsterdam) is socioloog en politicoloog. Sinds januari 2011 doet hij als promovendus onderzoek naar populisme en culturele studies bij de Universiteit van Tilburg. Hij was gastredacteur van de 20e editie van het tijdschrift Open, de Populistische Verbeelding. Hij schrijft regelmatig voor boeken, bladen en tijdschriften, over stadsontwikkeling, kunst, politiek, filosofie en wat dies al niet meer zij.

De vloek van Haïti en de zin van ontwikkelingshulp

Haïti toont aan dat rechtse tegenstanders van ontwikkelingshulp gelijk hebben, zij het om andere redenen dan gedacht.

Op het eerste gezicht lijkt Haïti voor en tegenstanders van ontwikkelingshulp weer even met elkaar verzoend te hebben. Zo nam zelfs Geert Wilders plaats tussen de telefonistes om geld op te halen voor Haïti. Het volk heeft immers altijd gelijk. Zeker als iedereen op een dergelijke massale manier compassie toont. Maar tegelijkertijd toont het geval Haïti aan dat de rechtse tegenstanders van ontwikkelingshulp tot op bepaalde hoogte gelijk hebben, zij het om andere redenen dan zij denken.

In elk ander land zou een aardbeving van een dergelijke kracht haar tol eisen. Maar in geen enkel ander land zou de tol van eenzelfde grootte zijn als op Haïti, waar het voor de beving al een chaos was. De onwaarschijnlijk grote impact van de ramp is te wijten een lange geschiedenis van chronische armoede en onderontwikkeling. Het maakt onderdeel uit van wat de ‘vloek van Haïti’ wordt genoemd.

Haïti was het eerste land dat zich na een opstand tegen de Fransen bevrijdde van slavernij, in 1804. De legende gaat dat er voodoo aan te pas is gekomen om het Franse koloniale juk te verdrijven. Dit is de reden voor de zogenaamde ‘zwarte vloek’ waardoor Haïti voor altijd gedoemd is. De reputatie is op zijn plaats. Het armste land in de westerse hemisfeer lijkt voorbestemd tot tragedies, een kent een lange geschiedenis van natuurrampen en menselijk drama. Een commentator op Fox News stelde dan ook dat Haïti het aan zichzelf te danken heeft. Had men maar niet in opstand moeten komen tegen het Franse koloniale regime en de slavernij. De Nederlandse historicus Piet Emmers hield afgelopen week ongeveer eenzelfde betoog in de Volkskrant.

De problemen van Haïti zijn echter eerder te wijten aan wat de Uruguayaanse schrijver Eduardo Galeano de ‘witte vloek’ noemt. Haïti heeft nooit van echte onafhankelijk kunnen genieten. Eerst werd Haïti door Napoleon gedwongen om 150 miljoen gouden francs te betalen, als schadevergoeding. Het bedrag – 15 miljard euro omgerekend naar huidige maatstaven – duurde bijna een eeuw om af te betalen en maakte het onmogelijk voor Haïti om een behoorlijke economie op te bouwen.

Na de Fransen kwamen de Amerikanen. In 1915 landden Amerikaanse mariniers in Haïti. Vele mensen vonden de dood. De bank van Haïti werd geannexeerd tot een filiaal van Citybank, New York. De mariniers zouden negentien jaar blijven, en lieten Haïti achter met een dictator op de troon, en een gemilitariseerde nationale garde om hem te verdedigen. Een lange reeks van dictators volgde. Toen in 1991 de linkse priester Aristide in verkiezingen aan de macht kwam, reageerden de Amerikanen snel. Zij steunden een coup en brachten Aristide naar Washington, om hem te ‘hervormen’. Hij werd met de onvermijdelijke mariniers in 1994 weer teruggebracht, en later door een meerderheid van de bevolking herkozen. Maar Aristide bleef te links, en werd in 2004 weer met militaire macht ontzet, met duizenden doden en een complete chaos als gevolg. Sindsdien wordt de orde in Haïti bewaakt door een zwaarbewapende bezettingsmacht van de VN.

Ondertussen vond de grootste schade aan Haïti niet plaats via mariniers, maar via de ontwikkelingsexperts van de Wereldbank en het IMF. Wat er nog over was van de staat, werd volgens de neoliberale succesformule geprivatiseerd en gedereguleerd. Importtarieven werden afgeschaft. Het gevolg was dat de honderdduizenden boeren op het platteland niet meer konden concurreren met de goedkope (gesubsidieerde) Amerikaanse landbouwexport. Zij vestigden zich als werkeloos subproletariaat in de slecht gebouwde sloppenwijken van Port-au-Prince. Velen van hen liggen nu onder het puin.

Het is de witte vloek van Haïti die de oorzaak is van de onwaarschijnlijke grootte van de impact van de ramp. Ontwikkelingshulp zal aan deze witte vloek geen einde kunnen maken. Geen Stijl heeft dan ook een punt, in de karikatuur die ze maken van de hulp aan Haiti:

“Dit geld is bedoeld om uit te geven aan witte Toyota Landcruisers, onderzoekers, rondvluchten, digitale camera’s, advocaten, hoeren, condooms, overhead en niet te vergeten overhead.”

Natuurlijk is noodhulp noodzakelijk en goedbedoeld, maar zolang de Haïtiaanse overheid om de zoveel tijd omver wordt gelopen door Amerikaanse inmenging, beperkt hulp zich tot symptoombestrijding. Veel van de ontwikkelingshulp bevordert op deze wijze niet de onafhankelijkheid en zelfredzaamheid van ontwikkelingslanden. Zolang oneerlijke handelsrelaties en geopolitieke spelletjes hele landen in armoede en afhankelijkheid blijven stortten, kunnen we nog lang van ramp tot ramp blijven gaan.

De Sloveense filosoof Slavoj Zizek zei het onlangs in Tegenlicht: de functie van charitas is het depolitiseren van maatschappelijke problemen. In het geval van Haïti heeft hij meer dan gelijk.


Laatste publicatie van MerijnOudenampsen

  • boek merijn

    De conservatieve revolte

    Een ideeëngeschiedenis van de Fortuyn-opstand

    2018


Geef een reactie

Laatste reacties (9)