733
10

Journalist Vice Versa

Thomas Hurkxkens is redacteur van Vice Versa, het vakblad voor ontwikkelingssamenwerking en documentairemaker voor lokaalmondiaal. Hij studeerde journalistiek en politicologie (Internationale Betrekkingen). Hij specialiseert zich in ontwikkelingssamenwerking en economische ontwikkeling.

Debat over ontwikkelingshulp: waar is de regie?

Door één helder argument voor ontwikkelingshulp aan te dragen kan critici veel wind uit de zeilen worden genomen

Het is al weken wachten op het slechte nieuws uit het Catshuis voor de sector ontwikkelingssamenwerking. Reden dat zowel binnen de sector als daarbuiten het debat over de nut en noodzaak van onze hulp volop is losgebarsten. Een debat wat tot nu toe tot weinig steun heeft geleid voor de sector, want voor critici van de hulp is het gemakkelijk kiezen. Zij kunnen graaien in een grabbelton van zwakke punten, omdat de sector geen eenduidig antwoord geeft op de vraag: waarom geven wij hulp?

Voor een nieuwkomer is het debat over ontwikkelingssamenwerking op het eerste gezicht een chaos. Kritiek op de sector komt van alle kanten en richt zich op verschillende niveaus. Zo is er geregeld kritiek op de effectiviteit van noodhulp, maar deze noodhulp staat min of meer los van ontwikkelingssamenwerking (ook al zijn vaak dezelfde organisaties betrokken). De stroom van kritiek op ontwikkelingssamenwerking zelf, is dan weer onder te verdelen in kritiek op het geld voor internationale instellingen,  de bilaterale hulp en kritiek op het werk van ontwikkelingsorganisaties (een onderscheid dat door de critici zelf zelden wordt gemaakt).

Toegegeven: het is voor de ontwikkelingssector een lastig speelveld om te verdedigen, zeker omdat binnen de sector onderdelen van het budget ook nog onder vuur liggen. Belangrijker is echter dat in het publieke debat de nuances binnen de uitgaven aan OS niet aan bod komen, maar dat de focus volledig is komen te liggen op de vraag: waarom geven wij hulp? In dit debat kiezen critici uit het brede spectrum van ontwikkelingssamenwerking willekeurige voorbeelden om hun argumenten te ondersteunen: ‘de hulp is niet effectief’, ‘het kost ons alleen maar geld’ en ‘we hebben in 60 jaar hulp bitter weinig kunnen bereiken’.

Het is aan de sector om deze argumenten te weerleggen maar helaas weerspiegelt het antwoord hetzelfde chaotisch beeld als de kritiek. Het lijkt er op dat de sector ervoor kiest om gelegenheidsargumenten te geven die willekeurig worden aangepast op de doelgroep die overtuigd dient te worden. In een poging het ontwikkelingsgeld te verantwoorden wordt door voorstanders gewezen op in ieder geval drie verschillende redenen om niet te bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking: eigenbelang, plicht en effectiviteit. Omdat deze redenen door elkaar lopen, kunnen critici hier naar hartenlust uit kiezen, waarna er altijd wel voorbeelden voor handen zijn om ‘OS’ als ‘onnodige uitgave’ af te doen.

Plicht:
Er zijn (gelukkig) altijd nog mensen die aan ontwikkelingshulp doen, omdat mensen in zuidelijke landen veel slechter af zijn dan wij. Omdat wij rijk zijn hebben we een morele plicht om de minder bedeelden binnen de internationale samenleving te helpen zo is het argument. Zo stelde Evelijne Bruning van ‘The Hunger Project’ in het programma moraalridders: “We staan derde op de ontwikkelingsindex, beter dan nu hebben we het nog nooit gehad. En we kunnen in deze generatie een einde maken aan de armoede. Als dat kan dan moet je dat toch ook doen”. Kortom: investeren in ontwikkelingshulp is voor Nederland een heilige plicht.

Effectiviteit:
Is ontwikkelingssamenwerking eigenlijk effectief? Een vraag die het meest naar voren komt wanneer er kritiek geleverd wordt op ontwikkelingssamenwerking (zowel van binnen als van buiten de sector). In het NRC van zaterdag 31 maart blikken vader en zoon Zevenbergen terug op 60 jaar ontwikkelingssamenwerking met de confronterende conclusie dat zij niets aan de ontwikkeling van Afrika hebben bijgedragen: “We moeten af van de roeping om andere landen tot ontwikkeling te brengen. Dat moeten ze zelf doen”. Aan de andere kant wordt vanuit de sector gewezen op de diverse ‘ontwikkelingssuccessen’ die behaald zijn. Zo stelt Ralf Bodelier op de website www.joop.nl hoe met Nederlandse hulp in Malawi: “De aidsepidemie tot stilstand is gebracht en het aantal aidsdoden is gehalveerd.” Kortom: ontwikkelingssamenwerking is wel effectief en er is dus geen reden om te bezuinigen.

Eigenbelang:
Beide bovenstaande argumenten zijn belangrijk, maar in het huidige debat wordt het blijven geven van ontwikkelingshulp vooral verantwoord door erop te wijzen ‘dat we er zelf wat aan hebben’. Zo stelt de website van de campagne ‘#jekrijgtwatjegeeft’: “Al decennia is Nederland voorloper in internationale samenwerking. Uit morele overtuiging, maar óók omdat het in ons eigen belang is.” Kort gezegd komt het hier op neer: als handelsnatie heeft Nederland meer dan andere landen baat bij het bestrijden van armoede in ontwikkelingslanden omdat dit op termijn weer betere handel oplevert. De website #jekrijgtwatjegeeft komt het dichtst bij een gemeenschappelijk standpunt vanuit de sector.

De drie argumenten voor het blijven geven van ontwikkelingssamenwerking hebben alle drie evenveel waarde en zijn voor een groot deel een reflectie van de diversiteit van de ontwikkelingsorganisaties in Nederland. Toch is het belangrijk om als sector te kiezen welk argument het zwaarst weegt en dit ene argument als belangrijkste reden aan te dragen voor het geven van hulp.

Is ontwikkelingssamenwerking onze morele plicht? Dan is het argument van eigenbelang veel minder belangrijk en moet dit zoveel mogelijk vermeden worden in het debat. Kritiek op een eventueel gebrek aan effectiviteit kan dan eenvoudig worden weerlegd door erop te wijzen dat ontwikkelingssamenwerking daar niet om te doen is. Het eventuele gebrek aan effectiviteit is weliswaar ‘iets waar aan gewerkt moet worden’, maar kan geen reden om te snijden in het budget van ontwikkelingssamenwerking.
Of is ontwikkelingssamenwerking gewoon wel effectief en draagt het bij aan economische ontwikkeling? Dan telt het argument van een morele plicht niet maar moet het effectiviteitsargument zoveel mogelijk met voorbeelden worden ondersteund. Kiest de sector ervoor dit als hoofdargument aan te dragen, dan zal gewezen moeten worden op de grootste successen van ontwikkelingssamenwerking en er moet energie gestoken worden in het verbeteren van de methoden om effectiviteit van hulp te meten.

Of is ontwikkelingssamenwerking in ons eigen belang? Ook dan tellen morele argumenten niet en is een eventueel gebrek aan effectiviteit opnieuw geen argument voor bezuinigingen (maar een verbeterpunt). Dan moet echter wel worden bewezen hoeveel ontwikkelingssamenwerking tot nu toe heeft opgeleverd en moet het bedrijfsleven betrokken worden bij de campagne.
Welke reden de sector ook kiest, het zal met argumenten en voorbeelden moeten worden onderbouwd. Door één helder argument voor ontwikkelingshulp aan te dragen kan critici veel wind uit de zeilen worden genomen. De organisaties die geld ontvangen binnen MFS II zouden in het kiezen van dit argument het voortouw kunnen nemen, omdat zij als belangrijkste ontvangers van belastinggeld zich het meest intensief moeten verantwoorden. Alleen door het kiezen van een hoofdargument en zo een volgorde aan te brengen in alle argumenten, kan naar het algemene publiek helder worden gecommuniceerd: “Dáárom geven wij ontwikkelingshulp”.
Thomas Hurkxkens is redacteur van Vice Versa en programmamaker bij lokaalmondiaal. Hij studeerde journalistiek en politicologie (Internationale Betrekkingen). Hij specialiseert zich in ontwikkelingssamenwerking en economische ontwikkeling.

Volg Thomas Hurkxkens op Twitter
Dit stuk verscheen eerder op viceversaonline.nl

Geef een reactie

Laatste reacties (10)