1.581
71

Hoogleraar Forensische psychologie

Dr. Corine de Ruiter is hoogleraar Forensische psychologie aan de Universiteit Maastricht en tevens werkzaam in eigen praktijk. Zij verricht wetenschappelijk onderzoek op het grensvlak van psychiatrie en strafrecht. Daarnaast treedt ze regelmatig op als getuigedeskundige in de rechtszaal. Corine de Ruiter levert met enige regelmaat bijdragen in Nederlandse schrijvende en audiovisuele media. Met haar publieke optredens probeert zij de psychologie uit haar ivoren toren te halen en kennis over de relatie tussen psychische stoornissen en crimineel gedrag te verspreiden. Op het internet kunt u haar vinden op: www.corinederuiter.eu.

Doen wat werkt voor piepjonge criminelen

In Nederland zijn teveel partijen bij deze problematiek betrokken, die elk vanuit hun eigen ideeën en belangen opereren, zoals de politie, Bureau HALT, Bureau Jeugdzorg, de jeugdzorgaanbieders

‘Vier aanrandingen, een poging tot beroving, een bedreiging en twee openlijke geweldplegingen. Met de aanhouding van dertien verdachten denkt een speciaal politieteam in de Rotterdamse wijk Delfshaven-Schiemond acht zaken te hebben opgelost. De bende bestond uit 13 jongens in de leeftijd van 9 tot 15 jaar’. Een bericht uit de krant van 28 juni jongstleden. Met enige regelmaat verschijnen dit soort berichten in de media, en altijd is de verontwaardiging onder burgers en politici groot.

In oktober 2008 opperde PvdA Tweede Kamerlid Hans Spekman in een interview met Vrij Nederland bijvoorbeeld het wilde idee dat Marokkaanse jongeren die niet wilden deugen vernederd moesten worden. Nu wil de Rotterdamse PvdA fractie weten “waar het is misgegaan met de preventie in Schiemond?”

Dat is goed uit te leggen aan de hand van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek dat wij aan de Universiteit Maastricht hebben verricht in samenwerking met de het VU Medisch Centrum. Het betrof een groep van circa 200 kinderen onder de 12 jaar uit Utrecht, Arnhem en Rotterdam die voor de eerste keer gearresteerd waren wegens een verdenking van een misdrijf. Wij hebben voor elk kind geïnventariseerd welke criminogene risicofactoren aanwezig waren, dat zijn kenmerken van het kind, het gezin en de omgeving die een risico vormen voor (ernstig) antisociaal gedrag.

Voordat ik aan dit onderzoek begon dacht ik dat een groot deel van deze jonge kinderen vrij onschuldige dingen gedaan zou hebben, zoals het stelen van een rolletje drop uit een winkel of het stichten van een brandje. Onze bevindingen staan hier haaks op. Veel van de kinderen bleken zich al langere tijd bezig te houden met serieus crimineel gedrag. De meeste kinderen uit het onderzoek woonden in een achterstandswijk en het gezin had vaak te maken met financiële problemen. Deze groep zou ondersteund moeten worden middels een actieve, preventieve aanpak. Denk aan het opknappen van de verpauperde wijk, (her)introductie van buurthuizen, sportfaciliteiten en gratis naschoolse opvang.

Ik herinner mij een concreet geval van een alleenstaande moeder met drie kinderen die als caissière bij de supermarkt werkt, en vanwege haar werk niet in staat is voldoende toezicht na schooltijd te bieden, maar ook geen geld heeft voor naschoolse opvang of andere gestructureerde activiteiten voor haar kinderen. Als zo’n gezin in een onveilige, criminele buurt woont, wekt het geen verbazing dat de jongere kinderen op sleeptouw worden genomen door oudere, criminele kinderen. Ouders dienen veel meer ondersteund te worden en gerichte hulp bij de opvoeding van hun kind te krijgen.

Uit ons onderzoek bleek dat 80% van de ouders van de kinderen die een delict hadden gepleegd zwakke opvoedingsvaardigheden hadden. Dat betekende concreet dat zij de regie in de opvoeding kwijt waren, inconsequent of te streng straften, onvoldoende toezicht boden, en tevens te weinig positieve betrokkenheid toonden naar hun kind. Voor versterking van opvoedingsvaardigheden zijn effectieve behandelingen, bijvoorbeeld Parent Management Training Oregon, voorhanden in Nederland. 

Wat verder opviel aan de groep kinderen met crimineel gedrag was de ernst van hun persoonlijke problemen: iets meer dan 50% has last van depressieve- en angstgevoelens; 70% was minimaal een jaar achter op school en ongeveer 20% had last van concentratieproblemen en hyperactiviteit. Ook op deze persoonlijke problemen moet een effectieve preventieve aanpak gericht zijn.

Langlopend onderzoek toont aan dat indien het in deze leeftijdsperiode mis gaat in de richting van een antisociale ontwikkeling, de kans zeer groot is dat het kind verder ontspoord, als er niet effectief wordt ingegrepen. Helaas zijn er in Nederland teveel partijen bij deze problematiek betrokken, die elk vanuit hun eigen ideeën en belangen opereren, zoals de politie, Bureau HALT, Bureau Jeugdzorg, de jeugdzorgaanbieders. Er zijn ook wel positieve ontwikkelingen gaande, zoals de Veiligheidshuizen. Ook is het goed dat Bureau HALT per 1 januari 2010 gestopt is met het aanbieden van de STOP-reactie voor criminele 12-minners, want die interventie was niet effectief, omdat STOP niet aansloot bij de complexe problemen van de kinderen, hun gezinnen en hun leefomgeving.

In de Canadese stad Toronto bestaat het ‘Center for Children Committing Offenses’, waar ze een aanpak van delinquente 12-minners hebben ontwikkeld die bewezen wél werkt. Hier wordt voor elk kind eerst een uitgebreide analyse gedaan met de EARL – de Early Assessment Risk List – waarmee je de risicofactoren inventariseert die bewezen samenhangen met een antisociale ontwikkeling. En de aanpak wordt dan gericht op de risicofactoren die bij dat specifieke kind een rol spelen. Ik zou het moedig vinden als het nieuwe kabinet zo’n rationele preventieve aanpak gaat invoeren. Want we moeten ons niet door politieke voorkeuren en onderbuikgevoelens laten leiden, maar door wat werkt. Dat zijn we aan de kinderen verplicht.

Dit artikel is ook verschenen in Trouw

Geef een reactie

Laatste reacties (71)