595
8

Auteur en publicist

Nurnaz Deniz (Turkije, 1971) is schrijfster en publiciste. Ze initieert daarnaast culturele projecten. Haar drijfveer is een nieuwe visie op burgerschap en identiteit die een pleidooi wil zijn voor de gedeelde ervaring van stedelingen, waar die ook zijn opgegroeid. Vandaar de naam van de stichting die ze in 2009 in het leven riep: Urban Cosmopolitans (zie www.urbancosmopolitans.com). Ze streeft in haar projecten naar culturele en artistieke samenwerking tussen steden op lokaal maar ook op Europees niveau, en tussen Europa en Turkije. Inmiddels is ze spil in een reeks culturele samenwerkingsprojecten tussen Turkije en Nederland in een Europese context.Najaar 2011 verscheen van haar hand de roman Ayla en Hugo. Een liefde in Amsterdam (Cargo/De Bezige Bij), geschreven samen met Guido Snel. 'Ze publiceerde verder opiniestukken in landelijke dagbladen over o.a. feminisme en Europese identiteit.

Doodgeknuffeld of verguisd

Het land waar je woont wordt pas het jouwe als je je geliefden aan de aarde hebt toevertrouwd

Een brief uit Kosmopolis: Istanbul, Mardin, Amsterdam. Schrijfster Nurnaz Deniz verblijft in 2012-2013 in Istanbul en doet verslag van haar verblijf. Dit keer over onder andere Anil Ramdas en de vermoorde Armeens journalist Hrant Dink. Een longread van 4000 woorden, gemiddelde leestijd 15 minuten.

‘And the pagans left the Jews in the privileged position of outsiders.’
(Leszek Kolakowski)

19 januari 2013, de dag van de begrafenis van de bekende Turkse journalist en televisiemaker Mehmet Ali Birand is tevens de zesde herdenkingsdag van de moord op Hrant Dink. Als je in Istanbul ook maar enige bekendheid hebt genoten, dan neem je afscheid van de wereld in de moskee van Teşvikiye. En als je op deze dag wil laten zien dat je een vooruitstrevende en opstandige Istanbulier bent, dan loop je mee in de mars van Şişli naar het hoofdkantoor van de Armeense krant Agos op de Halaskargaziboulevard, waar Hrant Dink, die er hoofdredacteur was, is vermoord.

Het cliché dat het bij alle begrafenissen regent geldt niet voor die van Birand. Hij wordt ook nog eens met alle égards uitgeleide gedaan. De burgemeester van de stad en de president van de republiek geven acte de présence, en last but not least verschijnt er een reeks hoge officieren. Dezelfde officieren die het leven voor Birand als journalist niet bepaald makkelijk hebben gemaakt. Maar ze zijn er. Om hem de laatste eer te bewijzen.

Ik had me voorgenomen om niet in de herdenkingsmars voor Dink mee te lopen. Maar de aanblik van de eenzame kist van Birand, midden in een bloemenzee achter een open bestelbus, is even triest als wanneer na een bruiloft een eenzame drinker de schoonmakers belet hun werk te doen, met het verschil dat bij een begrafenis de eregast voorgoed is vertrokken terwijl de bruid en de bruidegom achterblijven. En dus gaan mijn voeten alsnog van Teşvikiye richting Agos.

Onderweg lacht vanaf een enorm spandoek van de gemeente Şişli Birand ons toe met zijn eeuwige pen in de hand, terwijl het verkeer op Vali Konağı caddesi en Rumeli caddesi vastloopt. De mensen in de stadsbussen kijken hulpeloos om zich heen. Arme mensen, jullie zullen nog uren in die bus zitten. En daar is ook het cliché, de regen valt met bakken uit de lucht. De mars voor Dink heeft net Agos bereikt en als een kudde schapen bij slecht weer zoekt men elkaar op met leuzen in de trant van ‘het facisme zal niet zegevieren’, en ‘het is ons recht en we zullen het nemen ook’. Is er ooit iemand geweest die zomaar zijn recht heeft kunnen nemen?

Eerder die week waren er in Cezayir, zeg maar De Balie van Istanbul, verschillende activiteiten in het kader van de herdenking van Dink. En net als in De Balie waren de seminars – zowel de deelnemers als de inhoud van de gesprekken – bedoeld voor de incrowd. Preken voor eigen parochie. Wat de reden ook mag zijn, het lukt ook in Istanbul niet een werkelijk debat op gang te krijgen door andersdenkenden bij elkaar te brengen. Het verschil met de Balie is de mantra van het debat: de dood van Hrant Dink zou te wijten zijn aan de deep state, terwijl in de Balie uitentreuren de eigen verantwoordelijkheid zou worden benadrukt. Wat in beide gevallen met rust wordt gelaten is de verantwoordelijkheid van de individuen die tot de meerderheid behoren. Eveneens vergelijkbaar is dat er van de etnische lijn wordt uitgegaan en dat er voor eigen toko wordt gesproken. In dit geval voor en door de Armeniërs: de pijn van de eigen mensen eerst.

En net als in Nederland is het het ene of het andere uiterste met de minderheid: of die wordt doodgeknuffeld, of verguisd. Onze Armeniërs. Onze Armeniërs kunnen beter geen gemengde huwelijken meer aangaan, jullie zijn al met zo weinigen. Zoals iemand in het publiek zei: ik kan geen lucht meer krijgen. In de andere variant zijn het honden. Hyena’s die hun zaad verspreiden! De strekking is hetzelfde, de benamingen en nuances verschillend.

De minderheid in Turkije denkt dat de linkse elite hen niet begrijpt en nooit zal begrijpen en dat ze zich misschien wel aan conservatief rechts kunnen uitleggen. Hoezeer is dat vergelijkbaar met Nederland. Met de linkse elite over uitsluiting praten is tot op heden jammerlijk mislukt, maar misschien zou het met de ChristenUnie wel kunnen.

Tot bij het seminar in Cezayir de naar mijn idee enige andersdenkende, een conservatief panellid van de AK-partij, opmerkte dat in de Islam andersgelovigen als gasten worden beschouwd en dat men de verplichting heeft om goed voor zijn gasten te zijn. Wat, gasten? Armeniërs, Assyriërs, gasten? Ze leven al duizenden jaren in Anatolië. Dit stemde me niet vrolijk, zeker als ik bedenk dat wij nog maar vijftig jaar in Nederland zijn. Zij duizenden jaren, en dan nog steeds te gast. De oude gronden houden niet van verandering. Rober Koptaş, hoofdredacteur van Agos, zei dat hij pessimistisch is, en ik kan het moeilijk oneens met hem zijn?

En toen ging de discussie tijdens het seminar over op branden die geblust moeten worden, zoals wij in Amsterdam ook doen, in de Indische buurt, Bos en Lommer en de Bijlmer. Hier in Istanbul is dat op dit moment de wijk Samatya, waar een aantal bejaarde Armeense vrouwen is vermoord. Ik zat daar als Alamancı (‘Duitser’, ‘allochtoon’, maar dan bedoeld voor Turken die in Noord-Europa leven), en dus viel ik op. Naast mij kwam een dame zitten die eveneens opviel, ze droeg een hoofddoek en had een notitieblok in de hand. Ze was laat en kwam gehaast binnen. Het was Hidayet Şefkatli Türksal, die altijd de individuele verantwoordelijkehid van ieder benadrukt, en die bijvoorbeeld heeft gezegd dat zij als lid van de meerderheid de verplichting heeft om Koerdisch en Armeens te leren. Zij is theoloog, lid van het Başkent Kadın Platformu (het Hoofdstedelijk Vrouwenplatform) en zet zich in voor emancipatie in de islam. Feministe pur sang.

De enige die vanuit zijn eigen ervaring sprak, niet voor groep of gemeenschap, en die zijn ervaring in een breder perspectief kon plaatsen, was dichter/schrijver/scenarist en alleskunner Murathan Mungan: Ik was altijd geinteresseerd in de ander. In Mardin konden vrouwen enkel alleen over straat gaan als ze tot een bekende familie behoorden, niemand kon je dan wat doen. Maar mijn oog viel op twee dames op leeftijd, zwaar opgemaakt, die zich wel in de straten van Mardin durfden te begeven, iedereen liep met een boog om hen heen.  Die dames kregen in het holst van de nacht bezoek, maar overdag werden ze gemeden alsof ze melaats waren.

Het uitsluiten gebeurt in de reactie. Goed bedoeld, dat wel en zonder dat men zich bewust is van de schade die wordt aangericht. Dat weet ik maar al te goed van Nederland. En een paar dagen na de woorden van Mungan vond het plaats in mijn eigen huis tussen mijn vrienden in Istanbul.

Elif arriveerde als eerste. Ze vroeg wie er nog meer kwam, waarop ik zei dat Ana ook zou komen. Of dat een vriendin van me uit Nederland was? Nee, zei ik, ze is een Armeense Istanbulier. Later op de avond prees Elif Ana om haar Turks. Waar en hoe had ze dat geleerd?

Komt dit jullie bekend voor?

Ana keek verbaasd naar mij en kon even niets zeggen. Zij is een Istanbulier, herhaalde ik weer. En waarom weet ik niet, om de voor alle partijen pijnlijke situatie te verzachten schoot ik Elif te hulp. Ik zei dat ze dit vast dacht door mijn Nederlandse connecties, enzovoort. Elif greep maar al te graag de reddingslijn die ik haar aanreikte. Heel even dacht ik dat het misschien beter is om voor vieze Turk, kutmarrokkaan, hebberige Jood of Armeens Zaad te worden uitgemaakt, dan helemaal uit het geheugen gewist te worden en als spook door de straten van Amsterdam, Berlijn of Istanbul te dwalen.

Murathan vroeg zich af of je gay of vrouw moet zijn, onderdrukt, uitgesloten, of gewoon anders, om de ander te kunnen begrijpen. Nu in Nederland de emancipatie van de vrouwen en homoseksuelen voltooid is, hoeven of kunnen ze zich blijkbaar niet meer in de ander te verplaatsen. Betekent geëmancipeerd zijn dan ook dat je je empathie opgeeft?

Ik kwam naar Istanbul om van deze discussie voor een tijd afstand te nemen. Zoals velen van mijn generatiegenoten was ik moe. Zoals Karin Karakaş van Agos het verwoordt: ieder mens heeft recht op geluk, lichtheid en vreugde.

In Istanbul kreeg ik geen spiegel voorgehouden, maar ik kwam er in een kamer vol spiegels terecht. Schizofrenie of verlichting, zeg het maar.


Met Anil Ramdas in het land van Murathan Mungan

19 februari 2013 staar ik in het Mardin van Murathan Mungan over de Mesopotamische vallei met flarden van zinnen in mijn hoofd: ‘ingevet met kokosolie’, ‘ook bruin’, ‘modelallochtoon’, ‘altijd het duurste hotel’, ‘stevig alcoholgebruik’, ‘een fuik van eenzaamheid’, ‘neurotische man’, ‘diep gekrenkt’, ‘heel statusgevoelig’, ‘een keerpunt’, ‘whitetrash’, ‘die tinkelende, kleine professor uit Nickerie’, ‘het verhaal van de man die nergens bij hoorde, en dat jongetje met aanstekelijke bravoure was verdwenen’, ‘Anil begreep Nederland niet meer’. En: ‘Nederland begreep hem niet meer’.

Lees de voorgaande alinea nog eens en houd het beeld vast. Het gaat over Anil Ramdas, over wie ik al veel langer wil schrijven. Bovenstaande citaten komen uit een stuk in Vrij Nederland, aan hem gewijd. Bij de gedachte om op het geschetste beeld in te gaan voel ik me een muis trappend in een molen.

Op het plein van de Assyrische Mor Benhamkerk in Mardin heerst rust in de februarizon. Achter de bergen, in het binnenland, is Hrant Dink geboren. Hij sprak graag over toprak, de aarde, de geboortegrond. Hij vertelde het verhaal van Beatrice. Ze was een vrouw in de zeventig uit een klein dorp in de omgeving van Sivas. Ze was gestorven, mensen in het dorp wisten niet precies wie ze was en belden Dink. Ze berichten hem van het overlijden en vragen of zij soms een van de zijnen was (het dorp is nu Turks en islamitisch) en of hij kan achterhalen of ze familie heeft. Zij hebben al voor haar gebeden en haar begraven. In tien minuten heeft hij haar verwanten kunnen achterhalen, want ‘we kennen elkaar allemaal, we zijn met zo weinigen’, zegt Dink. Hij gaat naar de winkel van de familie van Beatrice en vraagt wat hun precieze relatie tot Beatrice is, waarop een vrouw antwoordt ‘zij is mijn mama’. Beatrice woonde in Frankrijk, kwam een paar keer per jaar naar Turkije, sloeg dan vaak Istanbul en haar familie over en ging rechtstreeks naar haar geboortedorp.

Enkele dagen later krijgt hij telefoon uit het dorp. Het is de dochter van Beatrice, ze heeft haar moeder geidentificeerd en wil haar kist naar Istanbul brengen om haar daar te begraven, maar er is een amca (een oom, een oude meneer) hier, en huilend geeft ze de telefoon aan die meneer. Dink zegt boos tegen de amca: waarom laat je haar zo huilen? Het enige wat de amca zegt is su çatlağını buldu,h et water heeft haar sleuf gevonden. Hij vindt dat ze daar moet blijven.

Hrant sluit het verhaal als volgt af: ‘Ja, wij Armeniers hebben een oogje op deze grond, niet om met ons mee te nemen maar om erin plaats te nemen.’

Op het plein voor de kerk snelt een man op me af met een bos sleutels in zijn handen, hij vraagt of ik de kerk wil bezichtigen. Ik was altijd een beetje bang voor Assyriërs, ik heb dat overgehouden van twee zussen op mijn middelbare school. De zussen maakten deel uit van een groep mensen die in de jaren tachtig in Nederland asiel had aangevraagd. Ze praatten nooit met mij, de enige Turk op school, en keken heel boos.

Ik brandde snel een kaars, bedankte de opzichter en begaf me weer in de middeleeuwse straten van Mardin. Altijd geeft de aanwezigheid van kerken en synagogen me een gevoel van veiligheid, maar ook voel ik me een indringer, alsof ik het gebied van een ander betreed, en omdat het niet van mij is handel ik overdreven correct. Niet erg, volgens Anil Ramdas hebben we allemaal moeite met de ander, alleen als beschaafd mens weet je dat en deal je ermee. Dat gevoel van veiligheid komt waarschijnlijk doordat ik als adoloscent niet tegen deze gebedshuizen hoefde te rebelleren, wel tegen de moskee. In een moskee voel ik me geen indringer, maar daar ben ik ook snel weer buiten. Dat is weer een ander verhaal.

Ik had een ochtendvlucht waardoor ik weinig heb geslapen, in de middag slaat de vermoeidheid toe. Twee dagen is kort voor een stedenbezoek, elk uur is kostbaar. Toch besloot ik de sierlijke, door zijn elegantie imposante architectuur voor de volgende dag te laten. Maar als ik in de avond ontwaak vraag ik me af wat ik moet gaan doen. Van Murathan Mungan weet ik inmiddels dat je je als vrouw alleen, als je er anders uitziet, beter niet op straat kunt begeven. Goed, je mag een onafhankelijke vrouw zijn die zich niet laat ketenen, maar helaas laat het me niet koud wat men van me denkt. Ik ben me altijd bewust geweest van mijn plek, van mijn aanwezigheid tussen de mensen. En ik wil zeker niet dat men denkt dat ik een eeuwenoud beroep uitoefen.

De hamam van Sıhhi Emir is de oplossing voor mijn besluiteloosheid. Opgelucht ga ik naar het badhuis dat op een steenworp afstand van mijn hotel ligt, met in mijn hand de plattegrond waarop een kerk en een moskee broederlijk naast elkaar liggen.The city where calls to prayer echo with church bell sounds, aldus de toeristenbrochure. Eerst opwinding en blijdschap als ik door de kronkelende middeleeuwse straten de ingang van de hamam vind, dan, bij het openslaan van de deur, verdwijnt mijn laatste beetje energie.

De ruimte is vol met vrouwen en kinderen die op zelf meegebrachte kilims liggen te doezelen. Ze delen de laatste nieuwtjes met elkaar. Aan kriskras door de ruimte gespannen touwen hangen kleren te drogen, tussen de benen van de kinderen staan pannen met eten. Iedereen draait zijn hoofd naar de laatst binnengekomen gast. Een vrouw achter een tafel midden in de ruimte gebaart met haar hand dat ik bij haar moet zijn. Een jonge adoloscent glimlacht naar me en ik meen dat ze mijn verbazing en twijfel begrijpt.

Tussen de hamam en mijn hotel is er een Assyrische wijnhandel. Met haar mooie zwarte ogen knikt de eigenaresse me uitnodigend toe en vertelt over de wijnen die in de kloosters van Mardin worden gemaakt. Ik kies een fles en vraag of ze die voor me open kan maken, want in het hotel is er geen wijn dus ook geen kurkentrekker. Natuurlijk doet ze dat voor me, en terwijl ze op zoek gaat naar een kurkentrekker mompelt ze klagend dat dit toch niet kan, waarom openen ze een hotel als ze geen wijn willen serveren? Ze kan het niet vinden, verontschuldigend zegt ze dat hun kurkentrekker door een van de winkeliers is geleend, ze belt iemand of ze er een kunnen brengen. Er  komt een jongeman met een plastic exemplaar aanzetten, zonder twijfel made in China. Hij zal voor mij een fles wijn opentrekken die vervaardigd is door een monnik uit een van de kloosters in de bergen, stammend uit de begintijd van het christendom. Het bloed van Christus zal ik tot me nemen, tegen elke prijs.

Zijn poging is niet succesvol. De eigenaresse, een vrouw van de wereld, kijkt hem misprijzend aan en pakt de fles van hem af. Die mannen kunnen ook niets. Langzaam probeert ze de kurk los te trekken. Ze wrikt het ding naar links en naar rechts, dat kan nooit goed gaan. En  ja, de kurk breekt, ze kijkt me beschaamd aan. Ik zeg: volgens mij moet je heel voorzichtig de andere helft eruit proberen te trekken. Als dat gedeelte ook nog in de fles belandt, vind ik het ook niet erg.

Met de fles gehuld in een donkere plastic zak nestel ik me als een Assyrische koningin op het balkon van mijn hotelkamer. De Mesopotamische vallei ligt aan mijn voeten, wat wil een mens nog meer. Na een eerste glas prijs ik de wijnkunst van de monniken in de bergen, en met een van de geliefde duiven van Mardin stuur ik hen een saluut. Bij het tweede glas begint het te schemeren, de groene vallei verandert in een blauwe zee van uit Syrië afkomstig licht.

Uit de golven duikt een man met klein postuur op.

Ik heb helaas geen wijn glazen, zeg ik. De helft van het plezier vergaat als je uit een waterglas drinkt. Maar het is Assyrische wijn, voeg ik toe. Men beweert dat op deze gronden de wijn is uitgevonden.

Hij reageert niet. Hij neemt een slok kijkt me indringend aan. Nerveus mompel ik verder dat dit de beroemde zee van Mardin is. Bijzonder omdat je de golven ziet maar niet hoort.

Wat je ziet is niet altijd wat je hoort, zegt hij.

Onder zijn priemende blik zou ik een klein, onzeker meisje kunnen worden. Maar zijn aanwezigheid behoedt me ervoor om duizend kilometer landinwaards geslingerd te worden, van de hoogvlakte naar mijn geboortegrond in Anatolië. Daar zaten de jonge mannen die naar elders waren vertrokken, die de stad hadden gezien, net zoals hij ook zo met de benen over elkaar, met dat enorme, onrustige zelfvertrouwen, als ze weer eens een bezoek aan hun geboortedorp brachten. Ze wisten dat ze voorgoed een voorsprong hadden op degenen die waren achtergebleven. Toen wist ik nog niet dat ze hetzelfde effect kunnen hebben op de mensen van de plek van aankomst.

Maar, spreek ik mezelf moed in, toen ik als klein meisje tegen die volwassen mannen opkeek waren mijn nieuwsgierigheid en eigenwijsheid veel sterker dan mijn onzekerheid.

Wat heb ik dan niet gehoord? vraag ik. Wat zie ik dan niet goed?

Door de nevel ga je juist beter zien en horen. Als je er de moed voor hebt, zegt hij.

En de pijn wordt de metgezel van je eenzaamheid, zeg ik.

Wees voorzichtig dame, dat soort taal word hier in het Oosten misschien wel gewaardeerd maar niet…

Ik onderbreek hem. ‘Wij zijn hier niet aan de Noordzee, wil je weten wat je broeders na je vertrek over je gezegd en geschreven hebben?’

Nee.

Goed, zeg ik. Maar waarom vraagt niemand zich af wat zijn aandeel is? Ons aandeel?

Hij reageert niet op mijn vraag. Hij zegt: ‘Je hebt sierlijke, expressieve handen.’

Waarom doe je dat? Weer weet ik niet wat ik met mijn handen aanmoet. Weet je wat? Ik verban ze, samen met het glas. Naar mijn schoot.

Met de nachtwaker in ruste als mijn chaffeur en de bestelbus van de hoteleigenaar als touringcar zigzaggen we door Mor Gabriel, het vijftig kilometer verder gelegen Midyat en Hasankeyif en komen langs het klooster van Deyrulzafran.

In het klooster van Mor Gabriel word ik door een uiterst professionele gids, een jongeman, in tien minuten door het klooster geleid en naar de uitgang gedirigeerd, samen met een luidruchtig Arabisch sprekende familie die ogenschijnlijk geen respect heeft voor de heiligdommen. Als een echte gentleman trekt hij zijn handschoenen uit om mij een hand te geven nadat hij me heeft ingepeperd dat zijn volksgenoten, de Assyriërs in den vreemde, weliswaar de onkosten van de renovatie van het klooster vergoeden, net als van zovele andere heiligdommen hier, maar dat ze toch niet zijn zoals het hoort.

Omdat ze hier niet meer wonen? wil ik hem vragen, en nog veel meer. Wie had gedacht dat ik ooit nog zou willen opkomen voor die Assyriërs die zo boos naar mij keken, dat ik me met hen zou vereenzelvigen?

Tegen de zonsondergang rijden we door de dorre verlaten land terug naar Mardin. Mijn chauffeur heeft na een dag samen onderweg te zijn zijn zwijgzaamheid opgegeven. We praten over zaken als gesmokkelde thee. Heb ik dat ook gekocht? Uit Syrië of Irak? Hij, zij liggen tussen twee vuren, tussen het leger en de PKK. Talloze boeren zijn gedwongen verhuisd. De arme vluchtelingen uit Syrië die voor een fooi moeten werken.

Hij is Koerdisch maar spreekt Arabisch. Hij heeft moeite met al die ophef over het aantal vierkante meters cel van Öcalan, er zijn volgens hem belangrijkere zaken dan dat, zoals werkgelegenheid. En nee, Koerden, Arabieren, Assyriërs, Armeniërs, Turken en andere etnische groepen hebben geen probleem met elkaar. Maar ze laten hun dochters niet met de ander huwen. Twijfelend en een beetje bang dat hij verkeerd begrepen zou kunnen worden, zegt hij dat hij kerken een beetje vindt stinken. Op mijn suggestie dat het misschien de wierookgeur is die hij niet lekker vindt, knikt hij instemmend.

Voor de stad Midyat moeten we stoppen voor een wegversperring van het leger. De officier vraagt om onze papieren, informeert naar waar de reis vandaan komt en waar die heen voert, en ik zie de nervositeit bij mijn chauffeur. Terwijl we op onze papieren wachten, volgen we de discussie tussen een andere officier en een groep mannen met een geopende koffer. De koffer bleek vol met zilver te zitten en de officier probeert de eigenaar uit te leggen of hij wel beseft dat hij een probleem heeft. Wij krijgen onze papieren terug, er wordt ons een goede reis gewenst. De soldaat in de Landrover heeft een sigaret tussen zijn vingers en kijkt ons verveeld aan met een gezichtsuitdrukking van: wat doe ik in dit godvergeten gebied.

Opgelucht rijdt de chauffeur verder. Hij kan het niet laten om te stoppen voor een vrachtwagen zwaar beladen met wortels. Uit de bestelbus zie ik hem geamuseerd afdingen op de prijs van de zak wortels die zo’n tien kilo weegt. Drie lira? Twee lira en vijftig cent! Voor dat geld kan ik in Istanbul één wortel kopen. Het komt uit Antakya, zegt hij, op de grens met Syrie.

De dag eindigt in restaurant Cercis Murat Konağı. Met een in een koperen schaal geschonken rode wijn zit ik alleen in de grote zaal. De kleine kamer zit bomvol met lokale notabelen gehuld in een rookwolk. Blijkbaar geldt daar het rookverbod niet. Maar daar is het wel warm. Ik kies de grote onverwarmde zaal. Alleen eten in ruimtes met grote gezelschappen is niet goed voor mijn gemoedsrust. Zoals ieder die alleen reist vraag ik om de rekening zodra ik het hoofdgerecht op heb.

Tegelijk met mij trekt een ober zijn jas aan. Hij heeft zwarte ogen en een klein postuur. We belanden samen voor de deur van het restaurant, in de buitenlucht.

Ik kan u naar uw hotel begeleiden, stelt hij voor.

Eerder op de avond heb ik hen gevraagd of het veilig is om ’s avonds alleen als vrouw over straat te gaan. En of ik voor deze korte afstand een taxi kon krijgen.

Ze waren gekrenkt. In hun gebied werd niemand iets aangedaan, zeker een vrouw niet.

Onderweg vertelt hij me over weggaan en weer terug kunnen keren. Vijfhonderd meter is niet ver, we staan in een oogwenk voor mijn hotel. We kijken elkaar aan, het is tijd om afscheid te nemen. We schudden elkaar de hand, hij knikt naar de man achter de balie. Ik en de man die klein van postuur is en zwarte twinkelende ogen heeft, nemen voor altijd afscheid van elkaar.

Het land waar je woont wordt pas het jouwe als je je geliefden aan de aarde hebt toevertrouwd, zegt men hier. Moet ik dan in de drassige gronden van Nederland rusten zodat mijn zoon zich daar thuis kan voelen? Als dat zo is wil ik me opofferen aan de koude, natte gronden, en wil alle migrantenkinderen oproepen om dat ook te doen. Maar wat als je geliefden in verschillende landen en continenten ter aarde zijn besteld, zoals bij Maalouf en bij vele anderen?

Naast mijn moeder, in het dorp in Centraal-Anatolie is nog een plek vrij, stiekem dacht ik aan de mogelijkheid om weer aan de boezem van mijn mama te kunnen slapen. Met de eeuwige Dinekdağı, de machtige berg, aan mijn horizon, leven te geven aan wilde çiğdem, de krokussen in het voorjaar. En in de zinderende zomerhitte de mistige dans van de schimmen te voeden, net als de distels, en in het najaar aan de bijtende wind. Boven me, in de sneeuw, de pootafdrukken van een roedel wolven.

Het land van de pootafdrukken, Mesopotamië laat ik achter me. Istanbul, de stad met de spiegels wacht op mij.

Ardından mırıldandığım şiir şimdi başkalarının dilinde göçebe, zegt Murathan Mungan.

Het gedicht dat ik na je vertrek mompelde is nu een nomade op de lippen van een ander.

Mehmet Ali Birand (9 december 1941 – 17 januari 2013) was een Turkse journalist, politiek commentatot en auteur. In november 2012 ontdekte Mehmet Ali Birand dat hij van moederszijde Koerdisch was, terwijl hij jaren had geloofd dat hij Turks was. Hij vertelde dit in een show op tv.

Hrant Dink (15 september 1954 – 19 januari 2007) was een Turks-Armeens journalist en columnist. Dink was hoofdredacteur van het tweetalige Armeens-Turkse weekblad Agos, en was een vooraanstaand lid van de Armeense gemeenschap. Hij genoot bekendheid om zijn inzet voor Turks-Armeense verzoening en voor mensenrechten en rechten van minderheden in Turkije. Hij uitte kritiek op de ontkenning van de genocide van Turkse zijde, maar eveneens op de campagne van de Armeense diaspora om de genocide erkend te krijgen. Hij werd driemaal aangeklaagd voor belediging van de Turkse identiteit en ontving talloze doodsbedreigingen van Turkse nationalisten. Hij werd in januari 2007 vermoord door Ogün Samast een zeventienjarige Turkse nationalist. Kort daarvoor was de documentaire Screamers in premiere gegaan, waarin hij geinterviewd wordt over de Turkse ontkenning van de genocide van 1915, en over de tegen hem aangespannen rechtszaak.  

Anil Ramdas (16 februari 1958 – 16 februari 2012),  was een Surinaams-Nederlandse columnist, correspondent, essayist, journalist en tv- en radiopresentator.  In  1997 kreeg hij de E. du Perronprijs voor zijn voltallige werk. Ramdas pleegde zelfmoord op 16 februari 2012.

Dit verhaal verscheen ook op Nurnaz Deniz – Berichten uit Istanbul

Het nieuwste boek van Nurnaz Deniz is ‘Met Gesloten Ogen’, een verhalenbundel van vijf auteurs over het stadsleven

Geef een reactie

Laatste reacties (8)