2.046
28

Promovendus/schrijver

Dennis Schep (1985) woont sinds 2007 in Berlijn, waar hij als promovendus onderzoek doet naar autobiografische structuren. In 2005 richtte hij het theaterfestival Morgensterren op, en in 2006 publiceerde hij het literaire tijdschrift Paperwaste. Hij is de auteur van meerdere wetenschappelijke artikelen en het boek "Drugs; Rhetoric of Fantasy, Addiction to Truth." Daarnaast organiseert hij cursussen bij The Public School Berlin.

Draghi’s geldpers

Het wordt bedenkelijk wanneer we de door Draghi's metaforische geldpers in gang gezette kapitaalstroom proberen te volgen

Twee maanden geleden is de Europese Centrale Bank (ECB) begonnen met haar Public Sector Purchase Programme. In de volksmond zegt men dat Draghi de geldpers heeft aangezet. Dit is natuurlijk een nogal onbeholpen manier van spreken. De totale waarde van alle euro-biljetten in omloop is ruim 900 miljard euro, en veel meer zal dat niet worden, ondanks het feit dat Draghi 1140 miljard nieuwe euro’s in de economie pompt. Het geld dat hier gecreëerd wordt is niet tastbaar; het circuleert vooral in het financiële systeem.

Draghi volgt met zijn beleid in de voetsporen van de Federal Reserve, de Bank of England en de Bank of Japan. De reacties zijn sceptisch; het zogeheten quantitative easing wordt gezien als een wanhoopsgreep die nodig is om het deflatiespook te verjagen. Deflatie wil zeggen dat alles door overproductie en een dalende olieprijs steeds goedkoper wordt, wat leidt tot een uitstel van investeringen (met een stijgende werkloosheid tot gevolg) en een staatsschuld die steeds moeilijker af te lossen is (geld wordt immers steeds meer waard). Hierdoor belandt de economie in een neerwaartse spiraal; toonaangevend belegger Anthony Scaramucci ging zover deflatie te vergelijken met Darth Vader die met een laser de aarde opblaast. (Overigens voerde Grand Moff Tarkin en niet Darth Vader het bevel over de originele Death Star, maar het beeld is duidelijk.)

De kapitaalstroom volgen
Op een zeer basaal niveau worden prijzen bepaald door de relatie tussen vraag en aanbod. Als er te veel van iets is, gaat de waarde ervan omlaag. En dat geldt ook voor geld; daarom hopen Draghi en de zijnen dat een kapitaalinjectie de waarde van de euro verlaagt en leidt tot inflatie. Het mandaat van de ECB is de inflatie net onder de 2% te houden, en daarmee prijsstabiliteit te verzekeren en te voorkomen dat leningen verdampen of onbetaalbaar worden. Tot zover lijkt Draghi’s inzet te werken: de waarde van de euro ten opzichte van de dollar is sterk gedaald, en een periode van vier maanden deflatie is in april ten einde gekomen. Maar het programma wordt bedenkelijk wanneer we de door Draghi’s metaforische geldpers in gang gezette kapitaalstroom proberen te volgen.

Het geproduceerde geld wordt voornamelijk gebruikt om staatsobligaties op te kopen. Omdat de ECB staatsschulden niet direct mag financieren, worden die obligaties gekocht op de financiële markten (en strijken investeerders bij de verkoop een mooie winst op). De vraag naar obligaties wordt daar vergroot (en de rente op staatsschulden lager), en door de verkoop komt geld vrij voor andere investeringen. Hierdoor wordt een geldstroom in gang gezet waarvan gehoopt wordt dat die uiteindelijk een weg vindt naar het bedrijfsleven en de consument. Maar met de kredietcrisis nog vers in het geheugen zijn de banken huiverig geld aan burgers en bedrijven uit te lenen. Het merendeel van Draghi’s geld komt daarom op de beurs terecht, waar recordwinsten worden geboekt terwijl de lonen laag blijven en de werkloosheid relatief hoog.

Voor wie maakt de ECB haar beleid?
De vraag die voor deze achtergrond gesteld dient te worden is: voor wie maakt de ECB haar beleid? We hebben reeds vastgesteld dat de door Draghi’s geldpers in gang gezette kapitaalstroom gezien moet worden als een subsidie voor het financiële stelsel die verkocht wordt als een poging prijsstabiliteit te garanderen. Maar zelfs prijsstabiliteit is niet zo onschuldig als het klinkt. Wie is er gebaat bij een stabiele, lage inflatie? Omdat schulden in tegenstelling tot de meeste lonen niet voor inflatie worden gecorrigeerd vormt een hoge inflatie in de eerste plaats een risico voor de financiële sector – de schuldpapieren waarin die sector handelt verliezen tenslotte een deel van hun waarde.

Deflatie is tevens een probleem voor de financiële sector, omdat het de vraag naar krediet verlaagt. De focus op een gematigde inflatie is dan ook vooral in het belang van de financiële klasse, en een monetaire politiek die niet aan een stabiele, lage inflatie gebonden is kan een machtig wapen zijn bij de implementatie van sociaal beleid. Vooral wanneer de productie van nieuw geld wordt gebruikt om sociale programma’s te financieren – en niet om het financiële systeem te oliën – heeft een hoge inflatie potentieel positieve effecten op de verdeling van inkomen.

Onafhankelijkheid
Het zou echter onmogelijk zijn om zo’n beleid te implementeren, omdat de ECB een statutaire onafhankelijkheid bezit. Deze onafhankelijkheid gaat terug tot de jaren na de eerste wereldoorlog, waarin pogingen werden gedaan om de centrale banken van politieke druk te bevrijden. Als de centrale bank een onderdeel van de regering is, kan monetaire politiek worden ingezet voor kortstondig electoraal gewin; de 1000 euro die Mark Rutte aan elke werkende Nederlander beloofde zou dan een koud kunstje worden. In de overtuiging dat een onafhankelijke centrale bank, geleid door technisch inzicht en niet door politieke overwegingen, het best in staat zou zijn de stabiliteit van het financiële stelsel te waarborgen, besloten Europese regeringen stuk voor stuk de onafhankelijkheid van hun centrale banken vast te leggen.

Maar onafhankelijkheid is een bedrieglijke term, want het is niet zo dat statutaire onafhankelijkheid de centrale banken aan het politieke spel onttrekt. De oppositie van markt en politiek is een klassiek liberaal dogma dat niet volstaat om de huidige economische orde te beschrijven – een orde die wordt gekenmerkt door besluitstructuren waarin markt en politiek, regering en bancair systeem samenwerken en personeel tussen de overheid en de financiële wereld circuleert (ook voordat Wouter Bos de ABN opkocht en Gerrit Zalm er ging werken). In werkelijkheid zijn centrale banken niet neutraal, maar volgen ze een agenda die gedicteerd wordt door de wereld van het financiële kapitaal. Terwijl ze zich voordeden als hoeders van de wereldeconomie hebben ze de interessen van het internationale financiële stelsel verdedigd en de speelruimte van regeringen beperkt. Hun eigen onafhankelijkheid en vrijstelling van democratische controles hebben ze gebruikt om regeringsbeleid aan de grillen van de markt te onderwerpen.

Hoewel de economische crisis in de meeste eurolanden werd ontketend door een implosie van de financiële markten en niet door een onhoudbare staatsschuld, zijn de interessen van het financiële stelsel, en niet die van de staat, in de jaren sinds de crisis geprivilegeerd. Omdat centrale banken hun regering niet direct mogen financieren geven ze goedkope leningen aan commerciële banken die dat geld tegen een winstopslag doorlenen aan de regering, terwijl nationale overheden garant staan voor de risico’s. Schulden zijn gesocialiseerd; de bevolking draagt het risico, terwijl de financiële sector de winst opstrijkt. Zoals Joseph Vogl in zijn nieuwe boek laat zien vormen de centrale banken met het uitschakelen van democratische controles, het afdwingen van fiscale discipline, het laag houden van de inflatie en het bevoorrechten van de interessen van schuldeisers een machtig wapen in de klassenstrijd die de financiële klasse tegen de rest van de bevolking voert.

Geef een reactie

Laatste reacties (28)