1.146
24

journalist/publicist

Carl Stellweg was van januari 1994 tot augustus 2009 redacteur/verslaggever buitenland voor het Algemeen Dagblad. Hij schreef reportages vanuit onder meer het Midden-Oosten, Noord-Afrika, Iran, Pakistan en Oost-Europa. Tegenwoordig is hij freelance vertaler, publicist en een van de initiatiefnemers van het Grote Midden Oosten Platform. Ook verschenen van zijn hand de roman 'Mijn beeldschone aandoening' (Compaan uitgevers), en 'De wereld van de islam in begrijpelijke taal' (I-publish)

Een ‘Iraanse revolutie’ in Egypte ligt niet voor de hand

De Moslimbroeders en de Iraanse sjiitische geestelijkheid verschillen wezenlijk

De toekomst van Egypte mag ongewis zijn, een regime van Iraanse snit is zeer onwaarschijnlijk en dat moet duidelijker worden gezegd. Westers wantrouwen jegens die toekomst kan het land echter wél in de armen van Teheran drijven. Een op kennis van zaken gestoelde positiebepaling is nu dus van groot belang.

Als het waar is dat het Westen, uit vrees voor de islam, dictaturen te lang heeft beschermd, dan dient er ook echt een keuze te worden gemaakt voor ruimhartige steun aan de democratie in Egypte en tegen verspreiding van het spookbeeld van een ‘tweede Iran’. Niet omdat de Moslimbroeders ineens aan de borst moeten worden gedrukt, wel omdat dergelijke onheilsprofetieën overdreven zijn en juist daardoor gevaarlijk. In dit geval zou de onheilsprofetie namelijk zichzelf kunnen vervullen.

Wie Iran als afschrikwekkend voorbeeld stelt, laat buiten beschouwing dat de Moslimbroeders en de Iraanse sjiitische geestelijkheid wezenlijk verschillen. Je zou kunnen zeggen dat ze zich tot elkaar verhouden als de KVP tot het Vaticaan – maar een politiek Vaticaan, met een paus als superpresident en kardinalen die alle wetten sanctioneren en bepalen wie aan verkiezingen mogen meedoen.

Het Iraanse klerikale establishment was ten tijde van de sjah al machtig, ook al stond het nog buiten de politiek.  De meeste geestelijken waren ‘quiëtistisch’: zij hielden zich liever niet met wereldse zaken bezig. Maar ook onder de sjah hadden zij grote sociale invloed. Ook beschikten zij over ruime financiële middelen. En er was één charismatische geestelijke die zich wel degelijk politiek roerde, sterker nog: toen de Perzische monarchie in 1979 ten val kwam, had hij haar al tientallen jaren getart. Een oud grapje luidde dat de sjah ayatollah Ruhollah Khomeini honderd miljoen dollar bood als deze zijn verzet tegen diens bewind staakte. Waarop Khomeini de sjah het dubbele bood.

De Moslimbroederschap is geen machtsbolwerk van geestelijken, veeleer een sociaal-politieke organisatie – invloedrijk en wijdvertakt,  maar toch zonder die lange, knellende tentakels waarop de sjiitische geestelijkheid kan bogen.
De Iraanse revolutie van eind jaren zeventig stond op zichzelf. Ze had een veel minder burgerlijk en veel sterker anti-imperialistisch karakter dan de Egyptische opstand – ze was, kortom, veel ‘revolutionairder’. Om dat te begrijpen, moet ook het unieke sjiitische karakter van Iran in aanmerking worden genomen. Het is het enige moslimland waar sjiiten een ruime meerderheid vormen (circa 90 procent). Het eerder genoemde Iraanse klerikale establishment bestaat niet in het soennitische Egypte: binnen de islam kent alleen de sjiitische stroming een soort ‘kerkelijke’ ordening.

De sjiitische islam is daarnaast bij uitstek een islam van verdrukten, een messianistische en revolutionaire levensbeschouwing, zoals blijkt uit Asjoera, de dag waarop sjiiten de martelaarsdood herdenken van imam Hoessein – de kleinzoon van Mohammed – in  de strijd tegen de overheersende soennitische dynastie van de Omayaden. Het is niet alleen voor westerlingen maar ook voor soennitische moslims verbazingwekkend om vast te stellen hoe emotioneel het er dan aan toe gaat.

Die combinatie van een krachtige clerus en inherent revolutionair vuur ontbreekt goeddeels in de soennitische islam. Khomeini bedacht daar nog eens een doctrine bij waarmee hij de sjiitische traditie op haar kop zette, maar tevens haar sociale macht in politieke macht omzette: velayat-i-faqih, het ‘hoederschap van de rechtsgeleerde’, vrij vertaald: een regering van de geestelijkheid.

Een revolutionaire theocratie is niet wat de Moslimbroederschap voor ogen staat, omdat ze niet zozeer een beweging is van geestelijken, maar van gelovigen, die in de islam een voertuig voor vooruitgang zien. Meer dan het ‘Iraanse model’ ligt in Egypte het Turkse model van de AK-partij voor de hand. Hoewel premier Erdogan en zijn vrienden geen voorbeeldige democraten zijn, is Turkije onder hen democratischer geworden: omdat het pragmatisme van de Turkse islamisten hen in de richting van democratie stuwt. Én omdat democratie zonder hen onmogelijk is.

Of de Egyptische islamisten ook deze weg zullen kiezen, is natuurlijk niet zeker, maar er zijn geruststellende tekenen: zo is moeilijk voor te stellen hoe zij, wanneer zij eenmaal in het democratisch moeras zijn afgedaald, zich daar weer zomaar aan kunnen ontworstelen om een shariadictatuur te vestigen. Zij ontberen de steun van machtige ayatollahs, en voorlopig ook van het leger – dat in Egypte een seculiere traditie kent – alsmede van de veiligheidsdiensten, die tientallen jaren jacht op de Moslimbroeders maakten.

Tevens woedt  in de broederschap een richtingenstrijd tussen traditionalisten en aanhangers van het Turkse model. Het Westen moet hierop inspelen. Het moet toenadering zoeken tot de modernisten en hun positie versterken. Aan drukmiddelen, carrots and sticks, ontbreekt het niet. Het is ook bittere noodzaak, omdat Teheran eveneens zal proberen een Egyptische regering met Moslimbroeders in te palmen. Willen wij werkelijk breken met dictators als Moebarak, dan is intensieve dialoog met mensen die ons wereldbeeld en onze burgerlijke waarden niet direct delen, voortaan onontkoombaar. Met die gedachte dient het Westen zich te verzoenen. Daaruit vloeit voort dat nodeloze islamofobe retoriek in de kast moet. Anders is het pleit op voorhand beslecht – in ons nadeel. 

Geef een reactie

Laatste reacties (24)